Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1998 | Europese Sociale Dialoog

Europese Sociale Dialoog

Advies 1998/18 - 27 november 1998

Download:Volledig advies (221 kB)

Samenvatting

Dit advies is een reactie op de Mededeling van de Europese Commissie over De aanpassing en bevordering van de sociale dialoog op communautair niveau (COM(1998) 322 van 20 mei 1998). Deze Mededeling geeft actiepunten ten aanzien van informatie, overleg, werkgelegenheidspartnerschap en onderhandelingen. Over de Mededeling heeft de Commissie Internationale Sociaal-Economische Aangelegenheden (ISEA) op 14 oktober 1998 een consultatief overleg gevoerd met Minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Naar aanleiding van dat overleg en met het oog op de op te stellen kabinetsreactie heeft de Commissie ISEA op verzoek van de minister besloten haar commentaar in een advies vast te leggen.

De rol van sociale partners in het EU-werkgelegenheidsbeleid

Op basis van het Verdrag van Amsterdam zijn coördinatieprocedures voor het bevorderen van de werkgelegenheid ontwikkeld. Europees worden richtsnoeren geformuleerd voor het nationaal te voeren werkgelegenheidsbeleid.
De Commissie ISEA hecht veel waarde aan een dergelijke periodieke beoordeling van werkgelegenheidsbeleid en aan de systematische uitwisseling van 'best practices'. Zij stelt met instemming vast dat Nederlandse sociale partners dit jaar om advies is gevraagd over de globale richtsnoeren; zij vindt daarnaast een inhoudelijke gedachtewisseling met sociale partners over het jaarlijks door Nederland op te stellen nationale actieplan van belang.

Op Europees niveau gaat het vooral om de positie van het Permanent Comité voor Arbeidsmarktvraagstukken (PCA). De Commissie ISEA is het in grote trekken eens met de voorstellen van de Europese Commissie voor verbetering van de werkwijze en de samenstelling van het PCA alsmede voor de afstemming tussen het ambtelijke Comité voor Werkgelegenheids- en Arbeidsmarktbeleid (CWA) en sociale partners. Deze komen de doelmatigheid en de aansluiting op de politieke besluitvorming ten goede. Een wat minder drastische vermindering van het aantal deelnemers namens sociale partners in het PCA zou overigens meer ruimte laten voor een evenwichtige vertegenwoordiging van werkgevers- en werknemersorganisaties. De zetelverdeling in de werknemers- en werkgeversgeleding van het PCA zou recht moeten doen aan de relatieve omvang en representativiteit van de afzonderlijke organisaties. Het zou nuttig zijn het functioneren van het vernieuwde PCA na een jaar of vijf te evalueren.

De toekomst van de sectorale dialoog

Voor een goede aansluiting bij uiteenlopende ontwikkelingen en omstandigheden in de afzonderlijke sectoren is het gewenst de voorwaarden te scheppen voor een optimale inbreng, over de hele linie, van de sectorale dialoog. De Europese Commissie heeft inmiddels besloten alle bestaande structuren van de sectorale dialoog op te heffen en, indien sociale partners daarom gezamenlijk verzoeken, te vervangen door zogenoemde comités voor de sectorale dialoog (met ook een raadgevende functie). Daarbij worden de procedures en de faciliëring gestroomlijnd tot onder meer vergoeding voor één plenaire vergadering op hoog niveau per jaar.

De Commissie ISEA vindt dat daar waar nu al sprake is van een goed werkende sectorale sociale dialoog, deze verworvenheid niet op het spel mag worden gezet. Het besluit van de Europese Commissie om de bestaande structuren alvast op te heffen houdt wat dat betreft risico's in. Verder is de Commissie ISEA van oordeel dat de faciliëring meer op maat zou moeten worden gesneden, op basis van de jaarlijkse werkprogramma's. Enerzijds kan het voor een goed overlegklimaat gewenst zijn vaker dan eenmaal per jaar bijeen te komen; anderzijds is er geen reden rituele bijeenkomsten te faciliëren.

Het representativiteitsvraagstuk

De Commissie ISEA vindt dat op korte termijn vooruitgang moet worden ge-boekt bij het representativiteitsvraagstuk door het vastleggen en daadwerkelijk toepassen van criteria (waarbij uiteraard onderscheid moet worden gemaakt naar het niveau van instellingen en fora waarvoor ze bedoeld zijn). De drieledige benadering door de Europese Commissie - die nadrukkelijk algemene raadpleging onderscheidt van raadpleging respectievelijk onderhandelingen in het kader van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek - biedt daartoe een aantal goede aanknopingspunten.

Bij de voorgestelde openheid ten aanzien van de algemene raadpleging hoeven geen opmerkingen te worden gemaakt.

Wat de raadpleging in het kader van de Overeenkomst betreft spreekt het voor de Commissie ISEA voor zich dat het aan de Europese Commissie is de criteria voor representativiteit vast te leggen en toe te passen. Wel vindt zij dat de te raadplegen organisaties in beginsel voor alle lidstaten representatief zouden moeten zijn.

Wat de onderhandelingen betreft onderstreept de Commissie ISEA het uitgangspunt van eerbiediging van de autonomie van sociale partners. Gegeven de mogelijke implementatie van overeenkomsten via EG-wetgeving is het wel van belang dat de Raad van ministers criteria voor de representativiteit van een mogelijk te sluiten overeenkomst aanreikt.
Sociale partners kunnen de autonomie en de continuïteit van hun onderlinge overleg versterken door een onafhankelijk secretariaat in het leven te roepen.

De bevoegdheidsverdeling tussen Raad, Commissie en Parlement

De bevoegdheidsverdeling tussen de Europese instellingen speelt een rol in relatie tot de sociale dialoog, vooral daar waar sociale partners onderhandelen en vervolgens verzoeken de daaruit resulterende overeenkomsten via EG-wetgeving ten uitvoer te leggen. De Commissie ISEA onderschrijft in hoofdlijnen de taakverdeling die de Nederlandse regering voorjaar 1997 in haar reactie op de eerdere Mededeling van de Europese Commissie schetste:
  • De Europese Commissie toetst op eventuele strijdigheid met het Gemeenschapsrecht en (marginaal) op representativiteit van de onderhandelaars; zij beoordeelt of het wenselijk is - en zo ja, hoe - aan de inhoud van het tussen sociale partners gesloten akkoord een ruimere werking te geven.
  • De Raad van ministers wordt geacht de materiële inhoud van de door sociale partners gesloten akkoorden te respecteren. De Raad kan een overeenkomst wel afkeuren, maar niet veranderen. Ten aanzien van de uitvoeringsbepalingen blijft de wetgevende bevoegdheid van de Raad bestaan en kan hij voorstellen van sociale partners wel wijzigen.
  • Het Europees Parlement zou informeel bij de procedure moeten worden betrokken voor een toets op het algemeen belang.
De Commissie ISEA vindt dat heldere spelregels nodig zijn om de democratische legitimatie van de medewetgevingsprocedure afdoende te waarborgen. Daarnaast dient de procedure op effectiviteit en doelmatigheid te worden beoordeeld.

De Commissie ISEA ziet haar suggestie om de Raad representativiteitscriteria te laten aanreiken als een eerste stap naar meer democratische legitimiteit en doelmatigheid van de medewetgevingsprocedure. Voorts kan worden gedacht aan een bevoegdheid voor het Parlement om een beargumenteerd positief of negatief advies te geven over het besluit van de Raad om door communautaire wetgeving verbindende werking te geven aan door sociale partners gesloten overeenkomsten.

De sociale dialoog in relatie tot de EU-uitbreiding

Tekortkomingen in het sociale beleid en in de arbeidsverhoudingen vormen voor de kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa een van de grootste knelpunten op weg naar toetreding. In de 'partnerschappen voor toetreding' is de "verdere ontwikkeling van een actieve, autonome sociale dialoog" terecht als een van de prioriteiten en doelstellingen voor de middellange termijn opgenomen.

De sociale dialoog vormt onderdeel van het door de nieuwe lidstaten over te nemen acquis communautaire . Daaraan kunnen evenwel moeilijk vergaande voorwaarden met betrekking tot de vormgeving van de nationale arbeidsverhoudingen in die landen worden ontleend. Indirect kan het ontbreken van een werkzame nationale sociale dialoog wel een belemmering voor het EU-lidmaatschap opwerpen, namelijk voorzover dit het vermogen om het sociale acquis over te nemen nadelig beïnvloedt. Het bevorderen van de nationale sociale dialoog in de kandidaat-lidstaten zou zich vooralsnog vooral moeten richten op het vormen van 'lichte' overlegplatforms en op advies- en overlegwerkzaamheden die aan de sociale dialoog inhoud kunnen geven.

Het EG-Verdrag houdt wel een duidelijke verplichting in om mee te werken aan de ontwikkeling van de Europese sociale dialoog. Als de bereidheid daartoe zou ontbreken, kan dat aanleiding zijn de toetreding op te houden. De vraag rijst in hoeverre nu reeds vertegenwoordigers uit de kandidaat-lidstaten als waarnemers aan bepaalde advies- en overlegfora van de sociale dialoog zouden kunnen deelnemen.