Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1998 | Herziening SZW-keuringsregimes arbeidsmiddelen

Herziening SZW-keuringsregimes arbeidsmiddelen

Advies 1998/16 - 18 juni 1998

Download:b16533 pdf (248 kB)Samenvatting (23 kB)

Samenvatting


De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aan de Commissie Arbeidsomstandigheden op 12 december 1997 advies gevraagd over een herziening van de bestaande keuringsregimes voor drukapparatuur en arbeidsmiddelen. Met name gaat het daarbij om druk- en stoomtoestellen, liften en hijskranen.

Niet alleen de implementatie van EG-richtlijnen en de gebleken behoefte aan invulling van nationaal beleid waren voor de staatssecretaris aanleiding om de bestaande keuringsregimes opnieuw te bezien. Andere argumenten zijn het feit dat de keuringsregimes al geruime tijd bestaan, maar ook dat de bestaande keuringsverplichtingen opnieuw zouden moeten worden beoordeeld in het licht van de huidige beleidsopvattingen. De staatssecretaris heeft dan ook gekeken naar de mogelijkheid van invoering van marktwerking in keuringsregimes, het aansluiten op Europese productrichtlijnen, modernisering (normalisatie en certificatie) en de onderlinge consistentie in keuringsregimes.
De staatssecretaris concludeert dat, met enkele aanpassingen, de bestaande keuringsregimes kunnen worden gehandhaafd. Verder zou een keuringsregime moeten worden ingevoerd voor moderne typen van arbeidsmiddelen zoals hoogwerkers en hangsteigers.

De commissie heeft geen fundamentele bezwaren tegen het voorstel van de staatssecretaris de bestaande keuringsregimes opnieuw te beoordelen. Zij heeft wel enige twijfels over de aan de herbeoordeling verbonden conclusies en over de wijze van het inzetten van beleidsinstrumenten.
Bij de beoordeling van het voorstel van de staatssecretaris heeft de commissie als uitgangspunt gehanteerd dat keuringsregimes moeten bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van de Arbeidsomstandighedenwet: een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn bij de arbeid. Alle overige uitgangspunten zijn daaraan ondergeschikt.

De commissie onderschrijft de door de staatssecretaris gehanteerde twee cumulatieve criteria voor de keuze van een wettelijk keuringsregime, te weten: er moet sprake zijn van een reële kans op ongevallen waarbij ten minste twee personen tegelijkertijd ernstig tot dodelijk gewond kunnen raken én de keuring dient een wezenlijke bijdrage te leveren aan de veiligheid het arbeidsmiddel in de gebruiksfase. Vanwege de arbitraire grens van 'ten minste twee personen' stelt de commissie voor in de komende jaren ook te registreren bij welke arbeidsmiddelen sprake is van ten minste één dode of ernstig gewonde als gevolg van het technisch falen van het arbeidsmiddel.

De commissie onderschrijft de door de staatssecretaris gemaakte keuze van (arbeids)middelen die onder een wettelijk keuringsregime zouden moeten vallen. De commissie gaat dan ook akkoord met de voorstellen van de staatssecretaris van handhaving van de wettelijke keuringsverplichtingen voor drukapparatuur, liften, mobiele kranen en torenkranen.
Ten aanzien van drukapparatuur pleit de commissie voor handhaving van de huidige situatie van opstelling van keuringsvoorschriften door een onafhankelijke commissie van deskundigen en vaststelling ervan door de overheid. Verder stemt de commissie in met een mogelijk risico-afhankelijke keuringstermijn bij drukapparatuur.

De commissie wijst erop dat voor mobiele kranen en torenkranen het wettelijke keuringsregime zal moeten worden aangepast aan de huidige praktijk van het niet meer uitvoeren van de ingebruiknamekeuring door een gecertificeerde instelling. In de praktijk bestaat voor dit type kranen met CE-markering aan een dergelijke keuring ook geen behoefte meer. De ingebruiknamekeuring dient echter wel te worden gehandhaafd voor dit type kranen zonder CE-markering.
Verder pleit de commissie voor invoering van een wettelijke verplichte opstellingskeuring door een gecertificeerde keuringsinstelling voor torenbouwkranen op rails. Dergelijke kranen worden in delen aangeleverd en op elke nieuwe locatie weer opgebouwd. Bij invoering van een dergelijke verplichting dient de frequentie van de verplichte periodieke keuring door een gecertificeerde instelling te worden afgestemd op de verplichte opstellingskeuring.

De commissie stemt eveneens in met het voorstel van de staatssecretaris een verplicht keuringsregime in te voeren voor hijs- en hefwerktuigen voor personen (hangsteigers en hoogwerkers), met uitzondering van de verplaatsbare hangsteigers, alsmede met de voorgestelde keuringsfrequentie. De commissie is het met de staatssecretaris eens dat een oplossing van de veiligheidsproblematiek bij de verplaatsbare hangsteigers moet worden gezocht in het stellen van deskundigheidseisen aan de gebruiker.
De commissie vraagt aandacht voor situaties waarbij sprake kan zijn van meerdere wettelijk verplichte keuringsregimes opdat overlap in keuringen en administratieve rompslomp wordt voorkomen.

Ten aanzien van hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen heeft de commissie begrip voor het standpunt van de staatssecetaris geen wijzigingsvoorstellen in te dienen omdat daartoe op grond van internationale verplichtingen geen ruimte bestaat. De commissie vindt echter dat op termijn een afstemming van de wettelijke verplichtingen van deze middelen aan boord van schepen en aan de wal in de rede ligt.

Ten aanzien van invoering van normalisatie en certificatie brengt de commissie eerder over dit onderwerp uitgebrachte adviezen in herinnering. Zij concludeert dat na het uitbrengen van die adviezen vooralsnog te weinig vorderingen zijn gemaakt met betrekking tot het daadwerkelijk kunnen waarmaken van taken en verantwoordelijkheden van sociale partners in het normalisatieproces.

De commissie staat in beginsel niet afwijzend tegenover de inschakeling van bedrijfsinterne keuringsdiensten voor het verrichten van verplichte keuringen binnen de eigen bedrijven. Voorwaarde daarbij is dat nadere regelingen moeten worden getroffen ten aanzien van een gegarandeerde functionele onafhankelijkheid en ten aanzien van criteria voor deskundigheid en kwaliteit. In het accreditatieschema zouden daartoe criteria moeten worden opgenomen.

Ten slotte plaatst de commissie een aantal kanttekeningen bij andere aspecten van de voorgenomen herziening van de keuringsregimes, die betrekking hebben op het centraal keuringsregister, de monitoring, kenniscentra, eenduidige interpretatie, de samenhang met het MDW-traject productwetgeving en de keuring voor ingebruikname.