Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1998 | Organisatie uitvoering sociale verzekeringen (OSV 2001)

Organisatie uitvoering sociale verzekeringen (OSV 2001)

Advies 1998/12 - 19 juni 1998

Download:Volledig advies (463 kB)Samenvatting (61 kB)

Samenvatting


 Adviesaanvraag en karakter advies

Op 27 april 1998 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de Sociaal-Economische Raad (SER) gevraagd te adviseren over de organisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen. De eerder ingeslagen weg van concurrentie in de uitvoering van de werknemersverzekeringen staat voor het kabinet nog steeds centraal als middel om te komen tot een meer activerend stelsel en lagere uitvoeringskosten. Niettemin zijn er volgens het kabinet redenen voor aanpassingen; de adviesaanvraag schetst daartoe een 'denkrichting' voor een anders ingerichte uitvoeringsorganisatie. De raad wordt verzocht het advies op een zodanig tijdstip uit te brengen dat het kan worden betrokken bij de kabinetsformatie.

Naar aanleiding van dit verzoek heeft de raad besloten thans een advies op hoofdlijnen uit te brengen. Hij neemt zich voor om, rekening houdend met de besluitvorming van het nieuwe kabinet, in een vervolgadvies op onderdelen nader te adviseren; daarbij komt ook het bredere verband met de arbeidsvoorziening, de bijstandsverlening en het SWI-traject (Samenwerking Werk en Inkomen) aan de orde. In dit verband wordt verwezen naar de richtinggevende uitspraken terzake in het advies van de Stichting van de Arbeid van 9 juni 1998(1).

Het advies heeft derhalve een tussentijds karakter en is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat een korte plaatsbepaling en samenvatting van de adviesaanvraag. Hoofdstuk 3 is gewijd aan de ontwikkeling van de marktwerking in de uitvoeringsorganisatie vanaf het midden van de jaren negentig en de daarmee gepaard gaande knelpunten. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 enkele hoofdlijnen van de kabinetsvoornemens nader beschouwd, waarbij ook wordt ingegaan op de samenhang met de arbeidsvoorziening, de bijstandsverlening en het SWI-traject. In hoofdstuk 5 komt de raad tot een standpuntbepaling.

Algemene benadering: versterking reïntegratiefunctie

In de visie van de raad dient de discussie over verdere vernieuwing van de uit-voeringsorganisatie te worden geplaatst in het perspectief van de uitdagingen voor het sociaal-economisch beleid op middellange termijn. Verhoging van de arbeidsparticipatie blijft daarin een centrale positie innemen(2). Voor het sociale zekerheidsbeleid komt deze opgave neer op een onverminderde voortzetting van de activeringsstrategie zoals die begin jaren negentig is ingezet op het terrein van de materiewetgeving en de uitvoering. Dat wil zeggen: voortgaan op de ingeslagen weg naar een meer stimulerende en activerende sociale zekerheid, zonder daarbij in essentie afbreuk te doen aan de inkomensbeschermingsfunctie daarvan(3). Voor de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen laat dit zich vertalen in het streven naar een doelmatiger en doeltreffender uitvoering, waarin naast rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking vooral ook sprake is van cliëntgerichtheid en van een intensieve gerichtheid op reïntegratie van de uitkeringsgerechtigde. De huidige uitvoering schiet met name op het terrein van de reïntegratie nog tekort.

De raad hanteert de volgende criteria als beoordelingskader voor de kabinetsvoornemens:
  • bijdrage aan bevordering van duurzame deelname aan het arbeidsproces;
  • bijdrage aan het voorkomen van segregatie op de arbeidsmarkt;
  • gevolgen voor het streven naar integrale gevalsbehandeling;
  • bijdrage aan een adequate, doelmatige incentivestructuur en het streven naar kostenbeheersing;
  • gevolgen voor de betrokkenheid van sociale partners;
  • gevolgen voor het streven naar een betrouwbare en rechtmatige uitvoering;
  • bijdrage aan een cliëntgerichte uitvoering;
  • praktische haalbaarheid (aansluiting bij ontwikkelingen in de praktijk, bedrijfsorganisatorische en personele aspecten).
De raad ziet de kabinetsvoornemens als een volgende stap op de weg die in 1995 door de wetgever is ingeslagen om geleidelijk aan meer elementen van marktwerking en dynamiek in de uitvoering van de werknemersverzekeringen te brengen. De raad wil zich nadrukkelijk bij het kabinet aansluiten wanneer dit stelt dat marktwerking geen doel op zich vormt, maar een middel om tot die meer doelmatige en doeltreffende uitvoering te komen. Wat de raad betreft zal toepassing en versterking van het marktelement vooral moeten leiden tot een versterking van de reïntegratiefunctie van het stelsel. De huidige situatie, zo is de raad met het kabinet van mening, is dan uit het oogpunt van effectieve marktwerking halfslachtig te noemen. Voor de raad ligt bij de knelpunten het accent op het ontbreken van meerdere opdrachtgevers aan de vraagzijde en op de kennelijk hoge toegangsdrempel en daardoor een gering aantal opdrachtnemers aan de aanbodzijde. Van effectieve marktwerking kan daardoor geen sprake zijn. De vraag is dan ook hoe hier op gerichte wijze en binnen nader te stellen randvoorwaarden verbetering in kan worden aangebracht. Oogmerk daarvan zou moeten zijn dat marktwerking zich als instrument voor meer doelmatige en doeltreffende uitvoering ten volle kan bewijzen, in die zin dat betere prestaties op het terrein van de reïntegratie worden bereikt. Daarbij ware ook rekening te houden met de wens om de aansturing van de uitvoeringsinstellingen (via het opdrachtgeverschap) daar te leggen waar de kosten van de inactiviteit ofwel de premielasten worden gedragen.

De kabinetsplannen maken duidelijk dat bij het zetten van de volgende stap op weg naar een efficiënte en effectieve uitvoering een lastige afweging aan de orde is omdat die volgende stap het definitief en rechtstreeks toelaten van commerciële bedrijven in delen van de uitvoering impliceert. Welke gedragsreacties dit bij marktpartijen teweeg zal brengen is niet zonder meer op voorhand te overzien, zo leren ook de ervaringen met de ontvlechting in het kader van de Organisatiewet Sociale Verzekeringen (OSV) 1995 en meer in het algemeen met privatisering van delen van de sociale zekerheid sinds 1994.

Naar het oordeel van de raad pleit dit voor een beleid waarbij behoedzaam, evenwichtig en gericht verder wordt gegaan op het eerder ingeslagen pad. In dit verband merkt de raad op met instemming kennis te hebben genomen van de desbetreffende onderdelen uit het advies van de Stichting van de Arbeid van 9 juni 1998, waaruit eveneens een dergelijke benadering spreekt(4).

Positionering claimbeoordeling.

De gesignaleerde spanning tussen de inkomensbeschermingsfunctie en het streven naar doelmatigheid is het meest indringend aan de orde bij de kabinetsvoorstellen omtrent de positionering van de claimbeoordeling.

De 'denkrichting' die het kabinet kiest om aan de gesignaleerde knelpunten tegemoet te komen impliceert onder meer het uitgangspunt dat een eind komt aan het verschijnsel van de huidige hybride holdings waarin publieke taken (in de non-profit sfeer) en private activiteiten (in de commerciële sfeer) zijn samengebracht. In de visie van het kabinet kunnen deze in beginsel juridisch, financieel en organisatorisch samensmelten tot een conglomeraat van activiteiten in de private, commerciële sfeer. Vervolgens is het juist deze consequentie die het kabinet ertoe brengt om een aantal, voor het recht op uitkering in zijn ogen essentiële onderdelen van de claimbeoordeling die een beoordelingsruimte voor de gevalsbehandelaar vergen, buiten deze verdergaande privatisering te houden en in nieuwe, afzonderlijke organisaties onder te brengen.

De raad kan zich op zichzelf genomen voorstellen dat het kabinet tot een meer fundamentele afweging komt ten aanzien van de vraag waar precies de scheidslijnen zouden moeten lopen van wat wel en wat niet aan de markt kan worden overgelaten. Zowel principiële als praktische argumenten kunnen daarbij een rol spelen. Zo kan een principieel argument zijn gelegen in de opvatting dat het vaststellen van rechten en plichten in het kader van de sociale zekerheid zodanig is verbonden met de inkomenswaarborgfunctie van de overheid dat het zich ten principale en per definitie niet voor privatisering en uitoefening in de commerciële sfeer leent. Ook kan als argument gelden dat het marktelement vooral zijn meerwaarde kan en moet hebben op het terrein van de reïntegratie (revalidatie, scholing, opleiding, bemiddeling) en niet zozeer in de sfeer van de claimbeoordeling, mede gelet op het mogelijk daaraan verbonden risico van belangenverstrengeling.

De vraag is evenwel of het wegnemen van de eerder geschetste knelpunten een ingrijpende oplossing zoals door het kabinet wordt voorgestaan, strikt genomen noodzakelijk maakt. Enerzijds kan de raad zich voorstellen dat een volledige privatisering van de huidige publieke A-poot door het kabinet als te riskant wordt beschouwd gegeven de in het geding zijnde publieke belangen.

Anderzijds wijst de raad erop dat in de denkrichting van het kabinet de partiële privatisering inhoudt dat nadrukkelijk een nieuwe knip in de gevalsbehandeling wordt aangebracht, daar waar het streven van de wetgever sinds het einde van de jaren tachtig er juist op was gericht om een integrale gevalsbehandeling mogelijk te maken. Een dergelijke knip gaat dan ook voorbij aan het noodzakelijke procesmatige verband tussen claimbeoordeling enerzijds en uitkeringsverzorging en arbeidstoeleiding anderzijds. Het totale uitvoeringsproces (aan de distributiezijde) als keten van handelingen, beslissingen en activiteiten wordt in de kabinetsplannen over meerdere instanties en partijen verdeeld. Dit noopt over en weer onvermijdelijk tot extra dossieroverdrachten en gegevensverkeer. Ook wordt hiermee een potentiële bron van competentie-geschillen en onduidelijkheid over verantwoordelijkheden en bevoegdheden ingebouwd, waarmee niemand kan zijn gediend.

Naar het oordeel van de raad verdient het aanbeveling om bij het zoeken naar oplossingen voor de gesignaleerde knelpunten zoveel mogelijk van de huidige situatie uit te gaan en daar zoveel mogelijk op voort te bouwen. Dit zowel met het oog op de doelmatigheid van de gevalsbehandeling als gelet op de gewenste continuïteit van de primaire werkprocessen.

Concreet meent de raad dat een gerichte oplossing van de knelpunten en dus een verbetering van de marktwerking thans reeds in belangrijke mate kunnen worden gerealiseerd door, met handhaving van de huidige holdingconstructies, het aantal (potentiële) opdrachtgevers aan de vraagzijde van de uitvoeringsmarkt te verhogen en door de uitvoeringsmarkt aan de aanbodzijde beter toegankelijk te maken voor nieuwkomers. Dit laatste kan een aantal maatregelen noodzakelijk maken. In de eerste plaats zou kunnen worden be-zien hoe met behoud van de nodige basiseisen ten aanzien van de kwaliteit van de bedrijfsvoering, de scheiding van geldstromen en het gegevensbeheer, de erkenningscriteria kunnen worden versoepeld. De kabinetsvoorstellen kunnen daartoe als uitgangspunt dienen. Ten tweede zou de mogelijkheid moeten ontstaan dat de uitkeringsverzorging en de feitelijke uitvoering van het reïntegratietraject met behoud van de publieke verantwoordelijkheid en aanspreekbaarheid van de uitvoeringsinstelling terzake, worden ondergebracht bij private, commerciële bedrijven.

Deze benadering komt in de praktijk weliswaar erop neer dat de huidige holdingconstructies met een publieke A-poot en een private B-poot worden gehandhaafd, maar de primaire taken van de publieke A-poot worden beperkt tot intake en claimbeoordeling. De uitkeringsverzorging en de reïntegratie-activiteiten kunnen dan door private, commerciële bedrijven worden verricht.

De raad kan hiermee op hoofdlijnen de indeling volgen die het kabinet aanhoudt als het gaat om het binnen de publieke sfeer én buiten de commerciële sfeer houden van onderdelen van de gevalsbehandeling die bepalend zijn voor het recht op uitkering en een discretionaire bevoegdheid vereisen van de gevalsbehandelaar.

De overige activiteiten zullen kunnen worden afgestoten naar, dat ligt althans het meeste voor de hand, de gelieerde ondernemingen in de private B-poot. Daar ook kan synergie plaatsvinden door een combinatie met andere activiteiten die ten behoeve van dezelfde cliënten worden uitgevoerd (verzorgen bovenwettelijke uitkeringen, arbodienstverlening) dan wel door het in een samenwerkingsverband uitvoeren van deze activiteiten met externe partners (arbodiensten, verzekeraars, particuliere arbeidsbemiddelaars, scholingsinstellingen) die daartoe hun specifieke marktervaring en productkennis kunnen inbrengen.

Overigens wil de raad benadrukken dat de claimbeoordeling beheerst blijft door publiekrechtelijke regels en voorschriften (waaronder nadere richtlijnen van het centraal orgaan), zulks met inbegrip van de bijbehorende administratiefrechtelijke rechtsbescherming.

De raad realiseert zich dat het karakter van de huidige holdings in de praktijk als een knelpunt wordt ervaren. Het komt hem nochtans voor dat het handhaven daarvan (onder overheveling van een aantal meer feitelijke onderdelen van het publieke uitvoeringsproces uit de A-poot naar de private B-poot of aan derden) thans de meest voor de hand liggende en begaanbare weg is om met behoud van de integrale publieke verantwoordelijkheid voor de vaststelling van rechten en plichten in een in juridische zin afgezonderd onderdeel van de holding, toch meer plaats in te ruimen voor de markt; van belang daarbij is dat dit niet opnieuw een ingrijpende reorganisatie noodzakelijk maakt met consequenties die haaks staan op het streven naar integrale gevalsbehandeling en vermindering van dossieroverdrachten.

Positionering opdrachtgeverschap en betrokkenheid sociale partners

De raad is met het kabinet van mening dat het ontbreken van meerdere opdrachtgevers een belangrijk obstakel vormt voor het streven naar meer marktwerking en dynamiek in de uitvoering. De volgende stap zal dan ook zeker een formele decentralisatie van het opdrachtgeverschap moeten inhouden teneinde tot een reëlere vorm van marktwerking te kunnen komen. Ook hier resulteren de relevante uitgangspunten in een lastige afweging.

Daarbij gaat het in de eerste plaats om de gewenste gezamenlijke betrokkenheid van sociale partners op decentraal niveau bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Ofschoon de vormgeving daarvan aan verandering onderhevig kan zijn, heeft de betrokkenheid als zodanig voor de raad nooit ter discussie gestaan. Ook in de toekomstige uitvoeringsorganisatie zal derhalve bezien moeten worden hoe daaraan invulling kan worden gegeven. Een bipartiet opdrachtgeverschap op decentraal niveau is dan een voor de hand liggende uitkomst. Hoewel hiervoor verschillende opties denkbaar zijn, lijkt positionering op het mesoniveau het meest in de rede te liggen.

Een ander belangrijk uitgangspunt is dat het opdrachtgeverschap zoveel mogelijk daar moet worden gepositioneerd waar de premielasten en financiële prikkels worden gedragen en gevoeld. Dit is noodzakelijk om de beoogde opdrachtgever een wezenlijk belang te geven bij de activeringsdoelstelling, idealiter overeenkomend met het maatschappelijk belang. Alleen dan zullen de opdrachtnemers (de uitvoeringsinstellingen) ook een existentieel belang er-varen bij een goede afweging van kosten en baten van activeringsinspanningen. In dit verband is een complicatie gelegen in het feit dat de prikkels in het kader van de WW en de WAO op een verschillend niveau zijn gesitueerd, dat wil zeggen deels op individueel ondernemingsniveau (werkgever) en deels op sectorniveau (CAO-partijen), terwijl voor een belangrijk deel van de kosten sprake is van verevening op landelijk niveau. Om ervoor te zorgen dat de uitvoeringsorganisaties niet alleen een existentieel belang krijgen bij een rechtmatige en efficiënte uitvoering maar ook bij de activeringsdoelstelling, zal in het vervolgadvies nader moeten worden bezien of en zo ja hoe de prikkels in de premiesfeer zo kunnen worden aangepast dat zij op het gewenste niveau, dat van de opdrachtgever, voldoende effectief zijn.

Ten slotte gelden ook hier overwegingen van efficiency. Een evenwichtige en doelmatige onderhandelingssituatie op de uitvoeringsmarkt vergt waarschijnlijk dat de opdrachtgever een zekere kritische massa heeft teneinde tot een optimale aansturing van de uitvoeringsinstellingen te kunnen komen. Een te groot aantal opdrachtgevers kan in een versnippering van de uitvoering resulteren en de transactie- en uitvoeringskosten substantieel doen toenemen.
Alles afwegend en onder verwijzing naar het eerdergenoemde advies van de Stichting van de Arbeid, komt de raad tot de conclusie dat, uitgaande van een bipartiete invulling, de primaire positionering van het opdrachtgeverschap op mesoniveau (het niveau van de sector- of de bedrijfstak-CAO) thans de meest gerede optie vormt(5). Daarnaast dient een vrijstellingsmogelijkheid te bestaan voor individuele ondernemingen met 100 en meer werknemers om op ondernemingsniveau het opdrachtgeverschap in te vullen. Dit stelt hen in staat om de keuze van de uitvoeringsinstelling en de inhoud van het contract optimaal af te stemmen op de eigen wensen en voorkeuren voor dienstverlening op het terrein van uitkeringsverzorging, reïntegratie en aanverwante producten. De gewenste bipartiete uitoefening van het opdrachtgeverschap dient ook bij deze ondernemingen tot gelding te worden gebracht. Dit betekent dat indien de desbetreffende onderneming een eigen ondernemings-CAO heeft, de betrokken werknemersorganisaties als counterpart van de werkgever zullen optreden. Ditzelfde geldt indien de onderneming onder een bedrijfstak-CAO valt. In beide gevallen kan hiervan worden afgeweken wanneer hierover tussen CAO-partijen andere, nadere afspraken worden gemaakt. Indien de betrokken onderneming niet onder een CAO valt, treedt de ondernemingsraad als counterpart op, op basis van instemmingsrecht als bedoeld in artikel 27 Wet op de ondernemingsraden.

Bedrijven die zelf het opdrachtgeverschap vervullen, zo merkt de raad voor de goede orde op, blijven in de visie van de Stichting van de Arbeid voor het overige onder de werkingssfeer van het wachtgeldfonds vallen en blijven derhalve de sectorale wachtgeldpremie betalen. Op de verschillende aspecten hiervan zal de raad in het vervolgadvies terugkomen.

CAO-partijen verkrijgen het opdrachtgeverschap na daartoe een verzoek te hebben ingediend bij het centraal orgaan. Voor sectoren en branches waarvoor een dergelijk verzoek niet tot stand komt zou het centraal orgaan een voorziening moeten treffen.

Gegevensbeheer

De raad is in algemene zin van oordeel dat wijzigingen van de uitvoeringsorganisatie gepaard moeten gaan met afdoende waarborgen voor zowel een zorgvuldig beheer en verkeer van publieke persoonsgegevens als een bescherming van de privacy van de werkgever, de verzekerde werknemer, de uitkeringsgerechtigde en andere betrokkenen. Daarbij dient een werkbaar evenwicht te worden betracht met andere elementen zoals het tegengaan van concurrentievervalsing, het bevorderen van een doelmatige uitvoering en het voorkomen van een stijging van de administratieve lastendruk van werkgevers.

De raad kan op hoofdlijnen instemmen met de waarborgen zoals die in de adviesaanvraag zijn geformuleerd. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat wettelijke regelingen met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Wet op de persoonsregistraties en de voorgenomen Wet bescherming persoonsgegevens) inclusief het daarin opgenomen sanctieregime vanzelfsprekend van toepassing zullen zijn. Hoofdregel is dat persoonsgegevens, die in het kader van de uitvoering van de werknemersverzekeringen worden verzameld, niet voor private activiteiten mogen worden gebruikt tenzij daarvoor een wettelijke basis is geschapen. Tevens mogen persoonsgegevens, zowel binnen als buiten de organisatie van de registratiehouder, niet worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor deze zijn verkregen (doelbinding). Afwijking van deze regel is in beginsel slechts mogelijk indien de betrokkene daartoe uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven; volgens de raad moet het hierbij gaan om een expliciete schriftelijke toestemming van de betrokkene, tenzij de desbetreffende gegevens uitdrukkelijk nodig zijn voor de uitvoering van de wettelijke taak.

De raad wacht met belangstelling de resultaten af van de door het kabinet aangekondigde bezinning op de vraag in hoeverre in de toekomstige organisatiestructuur instanties en personen moeten worden benoemd aan wie in elk geval, en onder welke voorwaarden, persoonsgegevens mogen worden verstrekt door de uitvoeringsinstelling. Hij stelt voor dat daarbij ook wordt ingegaan op de vraag of de (supra)nationale wet- en regelgeving naast mogelijke vormen van zelfregulering voldoende garanties bieden in het licht van het bovenstaande.

Toezicht

Met het kabinet is de raad van oordeel dat ook in een gewijzigde uitvoerings-organisatie een adequate toezichthoudende functie op de uitvoering van de sociale (werknemers)verzekeringen vereist zal blijven. De raad acht een onafhankelijk en zo efficiënt mogelijk georganiseerd toezicht ook noodzakelijk in de door hem hierboven voorgestelde uitvoeringsorganisatie waarbij wordt uitgegaan van aanpassingen binnen de huidige structuur. Zich realiserend dat juist deze uitvoeringsorganisatie althans in de beginfase van de ontvlechtingsoperatie tot enkele knelpunten voor het toezicht heeft geleid, gaat de raad ervan uit dat daarvoor in de door hem voorgestane uitvoeringsorganisatie adequate oplossingen kunnen worden gerealiseerd zodat een verantwoord toezicht op de scheiding van gegevens en (financiële) middelen tussen de A- en de B-poten van een holding afdoende kan worden gewaarborgd.

De verwachting van het kabinet dat de taken van de toezichthouder en de momenten dat deze corrigerend zal moeten optreden, per saldo zullen kunnen afnemen, betekent naar het oordeel van de raad niet dat het belang van het toezicht zowel aan de publieke als aan de private kant zal afnemen. Ervan uitgaande dat integraal toezicht moet worden gehouden op het gehele traject waarin publieke middelen worden aangewend, is de raad van oordeel dat de werking van de voorgestelde (financiële) prikkels, de risico's van marktwerking en de noodzaak van een versterkte bescherming en een zorgvuldig beheer van persoonsgegevens, leiden tot een toename van het belang van de toezichthouder en van de intensiteit van het toezicht. Voorts acht de raad een geïntensiveerd toezicht gewenst gelet op het feit dat de uitvoering in vergelijking tot de huidige uitvoeringsorganisatie complexer en ondoorzichtiger zal zijn onder meer door de toename van de overdrachtsmomenten, de mogelijkheden voor private uitvoeringsinstellingen tot uitbesteding van taken en tot gecombineerde uitvoering van wettelijke en niet-wettelijke taken.

Ten slotte wacht de raad met belangstelling de uitkomsten af van het in de adviesaanvraag aangekondigde onderzoek met betrekking tot het huidige toezichtinstrumentarium en naar de rolverdeling en afstemming tussen de verschillende toezichthouders. Volgens de raad dient dit eveneens betrekking te hebben op de verhouding van het toezicht op de uitvoering van de werknemersverzekeringen tot het toezicht op de arbeidsvoorziening en de sociale dienstverlening. De raad stelt voor dat daarbij ook mogelijkheden tot een zekere stroomlijning en/of integratie van het toezicht worden betrokken, evenals de (toekomstige) rol voor de Algemene Rekenkamer (ARK). Daarnaast dient het aangekondigde onderzoek ook te gaan over de verhouding van het Ctsv-toezicht (College van toezicht sociale verzekeringen) tot het algemene mededingingstoezicht. Wat dit laatste betreft is de raad ten slotte benieuwd naar het advies van de Nederlandse mededingingsautoriteit (Nma) over de mededingingsaspecten van de voorgestelde uitvoeringsorganisatie, in het bijzonder wat de marktwerking tussen de nieuwe private uitvoeringsinstellingen betreft.

Tot slot

In de voorgestane stapsgewijze invoering van marktelementen in de uitvoering van de werknemersverzekeringen past naar het oordeel van de raad dat evaluatie van de OSV 2001 duidelijk moet maken of de daarmee beoogde winst in termen van doelmatigheid en doeltreffendheid is bereikt en of er eventuele ongewenste neveneffecten en gedragsreacties zijn opgetreden.

Op basis van evaluaties kan een nieuwe, open afweging aan de orde zijn met betrekking tot mogelijke vervolgstappen. Daarbij zou de relatie met de mogelijk verdere ontwikkelingen ten aanzien van de inhoud van het stelsel alsook de samenhang met het arbeidsvoorzieningsdossier, het bijstandsdossier en het SWI-traject in het oog dienen te worden gehouden.

De raad acht het, ten slotte, belangrijk dat in het verdere proces van vernieuwing en verandering ook ruimte zal zijn voor een inbreng vanuit de sfeer van de cliënten.
Meer in het algemeen wil de raad ervoor pleiten dat in de komende OSV een nadrukkelijke plaats wordt ingeruimd voor cliëntenparticipatie. In de praktijk zal een en ander feitelijk door de uitvoeringinstellingen dienen te worden ingevuld.


1. Stichting van de Arbeid, Advies over hoofdlijnen voor de toekomstige uitvoering van de werknemers-verzekeringen, alsmede over de toekomstige uitvoering van het arbeidsvoorzieningsbeleid , Den Haag, 9 juni 1998, pp. 13-17.
2. SER-advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002 , publicatienr. 98/08, Den Haag 1998, paragraaf 4.3.5.
3. SER-advies Werken aan zekerheid , publicatienr. 97/05, Den Haag 1997, pp. 284-286.
4. Stichting van de Arbeid, Advies over hoofdlijnen voor de toekomstige uitvoering van de werknemers-verzekeringen, alsmede over de toekomstige uitvoering van het arbeidsvoorzieningsbeleid , op.cit., pp. 5-12.
5. Daarbij ware te denken aan de desbetreffende CAO-partijen, hetgeen in voorkomende gevallen kan neerkomen op partijen die tezamen de sectorraad vormen.