Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1998 | Arbeid, zorg en economische zelfstandigheid

Arbeid, zorg en economische zelfstandigheid

Advies 1998/11 - 15 mei 1998

Download:Volledig advies (674 kB)Samenvatting (62 kB)

Samenvatting


1. Inleiding

In dit advies geeft de Sociaal-Economische Raad (SER) zijn visie op het toekomstige beleid inzake arbeid, zorg en economische zelfstandigheid en bepaalt hij zijn standpunt over de kabinetsnota Kansen op combineren : Arbeid, Zorg en Economische zelfstandigheid (verder : de nota Kansen op combineren ), die hem op 29 september 1997 ter advisering is voorgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het advies richt zich op de komende kabinetsperiode. Het standpunt spitst zich toe op de mogelijk nieuwe beleidsvoornemens en -ideeën die betrekking hebben op regelingen gericht op het combineren van arbeid en zorg en op inkomensregelingen. In het advies worden deze onderdelen van de nota Kansen op combineren nader verkend en in een breed en integraal kader geanalyseerd en van commentaar voorzien.

2. Globale beoordeling van de kabinetsnota

De raad is het met het kabinet eens dat reeds veel positieve resultaten zijn bereikt als gevolg van (beleids)initiatieven en van autonome ontwikkelingen. Dit neemt niet weg dat er nog steeds belemmeringen bestaan met betrekking tot het kunnen combineren van arbeid- en zorgtaken, waardoor de arbeidsdeelname van vrouwen kwantitatief en kwalitatief achterblijft bij die van mannen en waardoor er geen sprake is van een evenwichtige, geëmancipeerde verdeling van betaalde arbeid en onbetaalde zorgtaken tussen vrouwen en mannen. Hier liggen dan ook de centrale uitdagingen voor het toekomstige emancipatiebeleid op sociaal-economisch terrein.

De kabinetsanalyse behoeft op onderdelen aanvulling en nuancering. Het is wenselijk dat zij zich richt op álle vrouwen en álle mannen in de Nederlandse samenleving met als uitgangspunt een volwaardige keuzevrijheid bij de verdeling van arbeid- en zorgtaken. De raad hecht eraan dat ook in de komende tijd de ontwikkelingen op het terrein van arbeid, zorg en economische zelfstandigheid aan de hand van evenwichtige analyses worden gevolgd.

Het toekomstig beleid moet zich richten op (1) het vergroten van keuzemogelijkheden met het oog op een grotere economische zelfstandigheid en (2) op het wegnemen van de bestaande (institutionele) belemmeringen die het maken van keuzen bemoeilijken. Dit in het perspectief van een vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen en van een evenwichtiger verdeling van arbeid- en zorgtaken over vrouwen en mannen. In dat perspectief dienen de kansen om te kunnen combineren te worden vergroot, dient de beschikbaarheiden toegankelijkheid van combinatievoorzieningen te worden verbeterd en dient arbeidsparticipatie voor laagopgeleide vrouwen (meer) lonend te worden gemaakt.

Het beleid inzake arbeid, zorg en economische zelfstandigheid moet gestalte krijgen langs verschillende beleidssporen. Ook moet per beleidsniveau en -onderdeel worden uitgegaan van een zo helder en functioneel mogelijke verdeling van verantwoordelijkheden tussen de betrokken actoren, met name de overheid, sociale partners, CAO-partijen, ondernemingen (werkgevers en zelfstandigen) en individuele werknemers.

Bij het in de kabinetsnota opgenomen beleidsinstrumentarium plaatst de raad enkele algemene kanttekeningen. Zo zijn slechts beperkt nieuwe beleidsvoornemens aanwezig, die globaal zijn geformuleerd en voor eventuele concretisering afhankelijk zijn gemaakt van de uitkomsten van onderzoeken en andere trajecten. Daarnaast wil de raad benadrukken dat de in kabinetsnota onder ‘flankerend’ beleid genoemde beleidselementen een volwaardig onderdeel vormen van een brede en geïntegreerde benadering van arbeid, zorg en economische zelfstandigheid. De raad dringt er tot slot op aan dat bij (de voorbereiding van) het toekomstige beleid inzake arbeid, zorg en economische zelfstandigheid aandacht zal worden besteed aan enkele thema’s die hij in het recente verleden naar voren heeft gebracht en waaraan in de kabinetsnota voorbij is gegaan.

3. Arbeid- en zorgregelingen

In de visie van de raad bevat het beleid gericht op de verbetering van de combineerbaarheid van arbeid- en zorgtaken een drietal onderling verbonden sporen: (1) de bevordering van gedifferentieerde arbeidsduurpatronen en van deeltijdarbeid, (2) de uitbouw van verlofregelingen en -faciliteiten en (3) het bestaan van goede en betaalbare faciliteiten voor kinderopvang. De raad acht een integratie en wederzijdse afstemming van deze onderscheiden sporen of combinatie-arrangementen noodzakelijk in een brede benadering van arbeid, zorg en economische zelfstandigheid.

3.1 Bevordering deeltijdarbeid en differentiatie arbeidsduurpatronen

In de visie van de raad dragen de sociale partners de primaire verantwoordelijkheid bij de bevordering van gedifferentieerde arbeidsduurpatronen en van deeltijdarbeid. De raad deelt in dit verband de conclusies die de Stichting van de Arbeid trekt (in haar Evaluatie van de nota inzake deeltijdarbeid en differentiatie van arbeidsduurpatronen ) dat de aanbevelingen van 1993 onverkort gehandhaafd moeten blijven om nog verder effect te kunnen sorteren.

3.2 Uitbouw verlofregelingen en –faciliteiten

Het kabinet overweegt in zijn nota Kansen op combineren of het thans in de Wet op het ouderschapsverlof vastgelegde recht op verlof voor de verzorging van een kind (jonger dan acht jaar) moet worden aangevuld met een recht op betaling van dat verlof. Tevens overweegt het kabinet de uitbreiding van de huidige verloffaciliteiten met een zogeheten brede verloffaciliteit die een tweevoudig doel heeft, te weten verlof ten behoeve van de zorg voor ouders of andere zorgafhankelijken en verlof ten behoeve van het vergroten van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt ( employability )

Context: recente en komende ontwikkelingen
De raad acht het zinvol en noodzakelijk de overwegingen van het kabinet over eventuele uitbreiding van verlofvoorzieningen te beoordelen in het perspectief van de recente en binnenkort te verwachten ontwikkelingen op dit terrein. Hij stelt vast dat er in de afgelopen jaren een aantal wetgevingsinitiatieven is genomen dan wel tot ontwikkeling zal komen. Vervolgens verwijst de raad met instemming naar de aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid aan CAO-partijen onder meer om te bevorderen dat, waar mogelijk, afspraken worden gemaakt over zorgverlof, welke naar vorm en inhoud passen bij de wensen en mogelijkheden binnen de desbetreffende sector of onderneming; in aanvulling op de aanbeveling over zorgverlof heeft de stichting aanbevolen in ieder geval zogenaamd palliatief verlof (verlof ten behoeve van de verzorging van een terminaal zieke naaste) mogelijk te maken. Voorts hecht de raad belang aan het feit dat de stichting voor de financiering van verlof in overweging geeft na te gaan in hoeverre hiervoor ruimte gemaakt kan worden door herschikking dan wel actualisering van bestaande verlofvormen. Tevens zou hierbij volgens de stichting de mogelijkheid van het sparen in tijd of geld voor verlof betrokken moeten worden.

In de ogen van de raad is ook van groot belang de aanbeveling van de stichting om de mogelijkheden die de Wet financiering loopbaanonderbreking op financieel gebied zal bieden te betrekken bij het overleg over financiering van langdurig verlof; daarbij kunnen ook mogelijkheden voor aanvullende afspraken aan de orde komen. In de zienswijze van de stichting kan deze regeling, naast andere inkomensbronnen waarover de verlofganger mogelijk kan beschikken, in voorkomende gevallen langer durend verlof dichterbij brengen, aangezien zij een dempende werking heeft op een eventuele terugval in het inkomen. Naar het oordeel van de raad getuigen deze aanbevelingen van een wederzijds engagement van centrale organisaties van werkgevers en van werknemers om te komen tot een verbetering van de mogelijkheden van vrouwen en mannen om betaalde en onbetaalde arbeid te combineren.
Verder constateert de raad dat deze onderwerpen ook op het decentrale niveau aan de orde komen of – naar hij verwacht – zullen komen.

Deze ontwikkelingen tonen aan dat er een breed maatschappelijk draagvlak aanwezig is voor het actualiseren en/of uitbreiden van verlofvormen en in het bijzonder voor het stimuleren en financieel ondersteunen van verlofafspraken tussen werkgever en werknemer. Met de genomen en in ontwikkeling zijnde initiatieven wordt een nieuwe impuls gegeven aan de totstandkoming van verloffaciliteiten; daarmee worden sociale partners gestimuleerd tot het dichterbij brengen van een organisatie van de arbeid die voldoende mogelijkheden biedt om betaalde arbeid en andere verantwoordelijkheden te combineren.
Een en ander sluit ook aan bij de primaire verantwoordelijkheid van sociale partners in deze, en bij de faciliërende en voorwaardenscheppende rol van de overheid dienaangaande. In dit verband hecht de raad grote waarde aan de taak van de overheid om via goede voorlichting onduidelijkheden in regelingen te verhelderen en daarmee het gebruik ervan te bevorderen.

Uitbreiding van wettelijke verloffaciliteiten?
Over de kabinetsideeën met betrekking tot betaald ouderschapsverlof en een brede verloffaciliteit leven binnen de raad uiteenlopende opvattingen. Een deel van de raad (1) acht het in het licht van het voorgaande prematuur om op dit moment de wenselijkheid van verdere uitbreiding van wettelijke verloffaciliteiten uit te spreken. Voor dit deel ligt het in de rede dat thans eerst ruimte wordt gegeven aan beleidsinitiatieven op het decentrale niveau, gelet op de primaire verantwoordelijkheid van sociale partners. Dit deel gaat ervan uit dat CAO-partijen bij hun overleg nagaan of en in hoeverre (gedeeltelijk) betaald ouderschapsverlof arbeidsvoorwaardelijk te regelen is. Tevens zou kunnen worden overwogen om binnen het geheel van CAO-afspraken over verlofregelingen te komen tot een zekere stroomlijning daarvan voor het hergroeperen dan wel samenbrengen van bepaalde arbeidsvoorwaardelijke verloffaciliteiten in een algemene CAO-verlofregeling, waaruit werknemers onder bepaalde voorwaarden een vrije keuze worden geboden.
Ten slotte wijst dit deel erop dat de door het andere deel gesuggereerde financiering van (gedeeltelijk) betaald ouderschapsverlof in aansluiting met de regeling voor palliatief verlof in de Wet financiering loopbaanonderbreking, tenminste gedeeltelijke financiering uit WW-gelden betekent (dit wil zeggen ten laste van het bedrijfsleven) en leidt tot een directe verhoging van de wig op arbeid.

Een ander deel van de raad (2) komt met het kabinet tot de conclusie dat er wél aanleiding is voor een nadere bezinning op een mogelijke uitbreiding van verloffaciliteiten. Dit deel constateert dat – ook al is er in de recente periode reeds veel in gang gezet – er toch sprake is van knelpunten op het terrein van verlofregelingen, in eerste instantie met betrekking tot het ouderschapsverlof. Dit deel is van oordeel dat (gedeeltelijk) betaald ouderschapsverlof de combinatie van arbeid en zorg voor velen meer bereikbaar zal maken en dat daarmee ook de doelstelling van een evenwichtiger verdeling van arbeid- en zorgtaken tussen mannen en vrouwen dichterbij zal komen.

Door het gecombineerd benutten van de wettelijke rechten en mogelijkheden op grond van de Wet op het ouderschapsverlof, respectievelijk de Wet financiering loopbaanonderbreking zal voor álle werknemers een recht op (gedeeltelijk) betaald ouderschapsverlof worden verwezenlijkt; dit impliceert de facto een bijdrage van de overheid aan de financiering van het (gedeeltelijk) betaald ouderschapsverlof. Wat deze overheidsbijdrage betreft kan aansluiting worden overwogen bij de regeling voor palliatief verlof in de Wet financiering loopbaanonderbreking (dit wil zeggen geen vervanging als voorwaarde).

Naar het oordeel van dit deel nemen de aangekondigde evaluatieonderzoeken met betrekking tot arbeid- en zorgregelingen niet weg dat ondertussen voortvarend kan worden gewerkt aan het verder voorbereiden en ontwerpen van beleidsmaatregelen, zoals ten aanzien van het betaalde ouderschapsverlof en een brede verloffaciliteit. De evaluatie-uitkomsten dienen te worden betrokken in een nieuwe, open afweging van beleidsopties, waarbij – naast arbeidsvoorwaardelijke regeling – ook het instrument van wetgeving aan de orde kan zijn.

Fiscale behandeling verlofsparen
Vervolgens pleit de raad voor een voortvarende aanpak van het kabinet bij het creëren van de benodigde fiscale faciliteiten voor sparen voor verlof door werknemers. De raad acht de mogelijkheden van verlofsparen van grote betekenis, vanuit het perspectief van de moderne werknemer die primair zelf verantwoordelijk is voor het vormgeven van zijn of haar loopbaan en waarbij in verschillende fasen van het leven verschillende tijdsarrangementen nodig kunnen zijn.
De raad onderschrijft de aanbevelingen die de Stichting van de Arbeid heeft gedaan in haar advies Arbeid en zorg aangaande een fiscale faciliteit voor verlofsparen uit het brutoloon, evenals de aanbevelingen om verlof voor zorg of educatie (inclusief employability ) toe te voegen aan de deblokkeringsmogelijkheden wat het vervroegd opnemen van het gespaarde saldo betreft. De raad dringt aan op een spoedige afronding van het onderzoek dat het kabinet laat uitvoeren naar de budgettaire consequenties van fiscale faciliteiten ter stimulering van verlofsparen, zodat partijen de mogelijkheden die fiscale faciliteiten kunnen bieden ten volle kunnen benutten bij het verder tot stand brengen van verlofvoorzieningen op decentraal niveau.

3.3 Uitbreiding kinderopvang

In de zienswijze van de raad is kinderopvang – als onderdeel van het beleid inzake arbeid, zorg en economische zelfstandigheid – in de eerste plaats een arbeidsmarktinstrument. Een adequate kinderopvangvoorziening, die zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin voldoet, is derhalve een essentiële voorwaarde voor de combinatie van arbeid en zorg.

De raad staat op zichzelf genomen positief tegenover het kabinetsvoornemen om via intensivering van het beleid het huidige tekort aan kinderopvang te verminderen. In het advies geeft de raad verder zijn visie op de contouren van het toekomstige beleid, dat voornamelijk is gericht op de opvang van kinderen tot 12 jaar. Dit dient bij voorrang te zijn gericht op de oplossing van twee majeure problemen, te weten het structurele tekort aan (betaalbare) kinderopvangplaatsen, en de afwezigheid van een heldere verdeling van verantwoordelijkheden. Volgens de raad dragen de bij kinderopvang betrokken partijen elk een eigen verantwoordelijkheid op dit terrein. Daarbij gaat het achtereenvolgens om de ouders, de overheid en het bedrijfsleven.

Capaciteit kinderopvang
De raad is van oordeel dat de uitbreiding van de kinderopvang een forse financiële impuls moet krijgen ter oplossing van de huidige en – bij ongewijzigd beleid – te verwachten knelpunten.

Het beleid dient in de eerste plaats vorm te krijgen via stimulering van de vraag naar kinderopvang. Dat impliceert onder meer dat de mogelijkheden voor ouders om daadwerkelijk gebruik te maken van kinderopvang worden vergroot.
De raad schetst daartoe de grote lijnen van een fiscaal georiënteerd financieringsmodel, dat nadere technische invulling behoeft. De raad gaat ervan uit dat ook een beroep kan worden gedaan op de voorgestelde faciliteit in geval van kinderopvang in de vorm van gastouderschap dan wel betaalde opvang thuis. In aanvulling op het geschetste financieringsmodel is de raad van oordeel dat de kinderopvangvoorziening voor specifieke categorieën dient te worden gerealiseerd via de door de overheid gesubsidieerde kinderopvang; de raad denkt daarbij in het bijzonder aan bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders.
Teneinde afspraken over een werkgeversbijdrage te stimuleren, gaat de raad uit van handhaving en zo nodig uitbreiding van de huidige fiscale behandeling van de werkgeversbijdrage voor kinderopvang. Tevens zouden de huidige knelpunten van deze fiscale regeling op korte termijn moeten worden weggenomen.
De raad is zich ervan bewust dat het financieringsmodel uitgaat van een forse verruimde benutting van het fiscale instrument, hetgeen budgettaire consequenties heeft. Kinderopvang dient dan ook een plaats te krijgen binnen het geheel van uitgavenprioriteiten voor de middellange termijn. In zijn advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002 heeft de raad in dit verband uitgesproken te verwachten dat in de komende kabinetsperiode een bedrag oplopend tot enkele honderden miljoenen guldens nodig zal blijken voor de uitbreiding van de kinderopvang. De raad gaat ervan uit dat tenminste een substantieel deel hiervan ten goede komt aan de ouders.

Aanbod kinderopvangvoorzieningen
De raad verwacht dat in de toekomst knelpunten kunnen ontstaan als het aanbod aan kinderopvangvoorzieningen geen gelijke tred houdt met de toenemende (reële) vraag. Daarom dringt hij erop aan dat op korte termijn wordt onderzocht welke knelpunten er ten aanzien van de uitbreiding van de kinderopvang bestaan en hoe deze kunnen worden opgelost zonder daarmee het proces van marktwerking te verstoren. De raad geeft daarbij enige suggesties in overweging.

Institutionele beleidslijnen
Wat de institutionele aspecten van het kinderopvangbeleid betreft beveelt de raad een heroverweging aan van de verhouding en afstemming tussen het centrale en het decentrale beleidsniveau en formuleert hij daarvoor enige aandachtspunten.

De raad stelt daarnaast voor de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het kinderopvangbeleid te leggen bij de minister die de verantwoordelijkheid draagt voor het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid alsmede voor het emancipatiebeleid, te weten de minister van SZW. Met deze keuze ten aanzien van de bestuurlijke verantwoordelijkheid wil de raad tevens het belang onderstrepen van een inbedding van het kinderopvangbeleid in een breder kader, waarbij alle combinatievoorzieningen of arbeid- en zorgregelingen in onderlinge samenhang een gepaste plaats krijgen.

4. Inkomensregelingen

De raad constateert dat de kabinetsvoornemens betreffende de inkomensregelingen ten dele in gang gezet beleid betreffen; daarnaast merkt hij op dat bijlage 2 van de kabinetsnota zowel afgeronde standpunten (afwijzing van het zorgkostenforfait en van verzelfstandigde bijstandsuitkeringen) bevat als elementen waarover nog geen kabinetsstandpunt is ingenomen (overdraagbaarheid belastingvrije som). Bij zijn nadere verkenning heeft de raad zich laten leiden door twee, reeds in zijn advies Werken aan zekerheid (3) opgeroepen, fundamentele vragen. Ten eerste, de vraag in hoeverre via de sociale en fiscale wetgeving kan en moet worden bijgedragen aan het bevorderen van de deelname aan het arbeidsproces door een evenwichtiger verdeling van arbeid- en zorgtaken tussen vrouwen en mannen, onder meer door omvorming van alleenverdienersfaciliteiten tot individuele faciliteiten. Ten tweede, de vraag in hoeverre via sociale en fiscale wetgeving kan en moet worden bevorderd dat ook in geval van (onvrijwillige) non-participatie economische zelfstandigheid zo veel en zo lang mogelijk is gewaarborgd.

4.1 Bevordering arbeidsparticipatie vrouwen

De kabinetsnota bevat ter bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen enige voornemens ten aanzien van uitkeringsregelingen, gelegen in de fiscale sfeer en op het terrein van de sociale zekerheid.

Alleenverdienersfaciliteiten
Uit de kabinetsnota kan worden afgeleid dat het kabinet impliciet kiest voor handhaving van de alleenverdienersfaciliteiten (uitgaande van een afname van het gebruik ervan) in plaats van opheffing daarvan. Aan dit laatste zijn voor alleenverdieners op het minimumniveau te grote financiële consequenties verbonden.

In het algemeen kan de raad zich een dergelijke benadering wel voorstellen. Hij wijst in dat verband op de positieve ontwikkelingen in de sociaal-economische positie van vrouwen in de recente periode en het belang van andere factoren dan de inrichting van het sociale en het fiscale stelsel voor de verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid. Vanuit die optiek behoeft de discussie over de betekenis van de alleenverdienersfaciliteiten enige relativering. Daarnaast is het zo dat bij een fundamentele heroverweging van alleenverdienersfaciliteiten een confrontatie plaatsvindt tussen uiteenlopende, deels concurrerende wegingselementen. Deze worden in het advies nader aangeduid, waarbij onder meer wordt gewezen op het element van de keuzevrijheid van individuen (en partners) om naast deelname aan het arbeidsproces ook zelf zorgtaken te vervullen. In dat verband is de raad zich ervan bewust dat vele ouders (vooral moeders) ook los van het bestaan van genoemde faciliteiten er bewust voor kiezen om zelf voor hun kind(eren) te zorgen.

Overdraagbare belastingvrije som
De raad constateert dat de kabinetsnota Kansen op combineren een verkenning van enkele zogeheten technische varianten tot afschaffing van de huidige overdraagbare belastingvrije som bevat. Daarbij komt het kabinet niet tot een nadere keuzebepaling, omdat een standpunt hierover onderdeel dient te zijn van de uiteindelijke keuzen met betrekking tot het toekomstige fiscale stelsel. Voorts stelt de raad vast dat de kabinetsnota Belastingen in de 21e eeuw eveneens ingaat op de belastingvrije som, en dat daarin ten dele andere beleidsopties aan de orde worden gesteld.

De raad wijdt in dit advies enige beschouwingen aan de voor- en nadelen van de overdraagbare belastingvrije som voor alleenverdieners, en verwijst voorts naar zijn advies Naar een robuust belastingstelsel (4) . Daarin wordt aanbevolen om als onlosmakelijk onderdeel van een breed pakket van wijzigingsvoorstellen in de fiscale sfeer de systematiek van de belastingvrije sommen te vervangen door die van heffingskortingen. Naar de raad verwacht zal daarvan een stimulerend effect uitgaan op de toekomstige arbeidsdeelname van nu niet-werkende partners. Voor de verstrekking van de heffingskorting zijn verschillende modaliteiten mogelijk die materieel hetzelfde effect kunnen hebben.

Inkomensafhankelijke regelingen
Voorts is de raad van oordeel dat ook inkomensafhankelijke regelingen de arbeidsparticipatie van in het bijzonder gehuwde vrouwen kunnen ontmoedigen. De raad beveelt aan dat ook via de vormgeving van deze regelingen wordt bevorderd dat het verwerven van een arbeidsinkomen eveneens in financieel opzicht aantrekkelijk is (werk dient te lonen). Een betere afstemming tussen de verschillende inkomensafhankelijke regelingen bij samenloop en een meer geleidelijke afbouw van de inkomensondersteuning zou voor enige verlichting van de problematiek kunnen zorgen. Arbeidsintensieve dienstverlening Ten slotte memoreert de raad zijn pleidooi dat het met het oog op het effectief kunnen uitbesteden van huishoudelijke taken van groot belang, zo niet noodzakelijk is, dat uiteindelijk in Europese Unie (EU)-verband wordt gekomen tot een verlaging van het BTW-tarief op arbeidsintensieve dienstverlening. De raad dringt erop aan dat het kabinet daartoe nieuwe initiatieven ontplooit.

4.2 Economische zelfstandigheid in geval van non-participatie

De raad stelt vast dat bij enkele kabinetsideeën en -standpunten in de nota Kansen op combineren vraagstellingen aan de orde komen die ook reeds onderwerp zijn geweest in zijn advies Werken aan zekerheid (5) , te weten waar het gaat om de sollicitatieplicht voor bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders met jonge kinderen, de Algemene Bijstand Wet (ABW) -vrijlatingsregeling bij deeltijdarbeid en de door het kabinet afgewezen verzelfstandiging van de bijstandsuitkeringen. Voorafgaand aan zijn standpunt over deze onderwerpen,gaat de raad nader in op de gedachte van de kinderafhankelijke minimumuitkeringen die hij in zijn advies Werken aan zekerheid aan de orde heeft gesteld als een mogelijke beleidsrichting voor economische zelfstandigheid.

Inkomensregelingen en kosten van kinderen
De raad stelt vast dat het vraagstuk van de toereikendheid van de inkomensondersteuning van huishoudens met kinderen nog steeds actueel is, ook in het kader van het beleid inzake arbeid, zorg en economische zelfstandigheid. Daarnaast constateert de raad dat het kabinet daarop niet is ingegaan in zijn nota. Wel komt het kabinet tot een afwijzing van het zorgkostenforfait als een beleidsoptie die erop is gericht een specifiek fiscaal voordeel toe te kennen aan alleen actieven met jonge kinderen.
Binnen de raad wordt uiteenlopend gedacht over de beleidsopties die in het kader van de inkomensondersteuning van huishoudens met kinderen aan de orde dienen te komen.

Een deel van de raad (6) is van oordeel dat de financiële ondersteuning van huishoudens met kinderen met name via de sociale zekerheid dient te lopen, en wel in het bijzonder via de kinderbijslagwetgeving. Dit deel stemt in met de afwijzing door het kabinet van het zorgkostenforfait. Wel verdient – uitgaande van de huidige kinderbijslagwetgeving – de invoering van kinderafhankelijke minimumuitkeringen nadere overweging. Dit deel beveelt aan deze beleidsrichting nader uit te werken en onder meer op zijn (budgettaire) effecten te onderzoeken; daarbij dient ook de relatie met het wettelijk minimumloon aan de orde te zijn.

Ten aanzien van de door het hiernavolgende deel bepleite studie naar onder meer de mogelijkheden van inkomensafhankelijke kinderbijslag, verwijst dit deel naar het standpunt van een meerderheid van de raad in het advies van juni 1990 over de structuur van de kinderbijslagen (7) waarin inkomensafhankelijkheid van de kinderbijslag gemotiveerd is afgewezen. De overheid heeft dat standpunt sindsdien overgenomen.

Een ander deel van de raad (8) acht zowel de sociale zekerheid als de fiscaliteit van belang voor het beleid inzake de toereikendheid van inkomensondersteuning van huishoudens met kinderen en beoordeelt het zorgkostenforfait dan ook in een breder kader. Met het oog op een adequate inkomensondersteuning van huishoudens met kinderen beveelt dit deel aan de onderstaand genoemde uiteenlopende beleidsopties met betrekking tot de inkomensregelingen (in de sfeer van zowel de sociale zekerheid als de fiscaliteit) nader te onderzoeken op hun effecten (onder meer wat economische zelfstandigheid betreft) en op hun budgettaire consequenties.
Onder verwijzing naar het standpunt van een deel van de raad in het raadsadvies van 1990 over de structuur van de kinderbijslagen noemt dit deel in het kader van de sociale zekerheid achtereenvolgens: kinderafhankelijke minimumuitkeringen, toeslagen voor huishoudens met kinderen op minimumniveau voor de verzorging van kinderen en het introduceren van (ten dele) inkomensafhankelijke kinderbijslagen. Het aanbevolen onderzoek zou zich in de sfeer van de fiscaliteit moeten uitstrekken over de invoering van een fiscaal zorgkostenforfait voor alle actieven met kinderen onder de twaalf jaar, en andere fiscale mogelijkheden ter zake, zoals bijvoorbeeld individuele heffingskortingen gerelateerd aan de zorg voor kinderen onder de twaalf jaar.

Sollicitatieplicht bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders met jonge kinderen
De raad wijst met instemming op de onlangs door de Tweede Kamer aangenomen motie die inhoudt dat ook de belangen van kinderen een belangrijke rol dienen te spelen in de afweging met betrekking tot het opleggen van de sollicitatieplicht. De raad stemt ermee in dat moet worden voorkomen dat mensen tot een onhaalbare combinatie van arbeid- en zorgtaken worden gedwongen.
Bij de beoordeling van wat een haalbare combinatie van arbeid en zorgverplichtingen precies is, gaat het volgens de raad niet zozeer om het toetsen van uniforme regels als wel om maatwerk. Voorts geeft de raad in overweging tot een andere invulling te komen van de arbeidsverplichting, bijvoorbeeld door uit te gaan van een partiële arbeidsverplichting (deeltijdsollicitatieverplichting) om voor alleenstaande ouders de combinatie van arbeid en zorgverplichtingen beter haalbaar te maken.

ABW-vrijlatingsregeling bij deeltijdarbeid
De raad constateert dat de sinds oktober 1997 in werking getreden centrale, wettelijke ABW-regeling voor de vrijlating van inkomsten uit arbeid, ertoe leidt dat voor ouders met oudere kinderen grote verschillen ontstaan tussen de gemeenten, welke nog worden vergroot door het gemeentelijke incentive -beleid op basis waarvan premies worden verstrekt om (deeltijd)werk te stimuleren. De raad beveelt aan deze effecten nader te analyseren en te evalueren. Verzelfstandiging bijstandsuitkeringen In bijlage 2 van zijn nota Kansen op combineren komt het kabinet tot de conclusie dat verzelfstandigde bijstandsuitkeringen moeten worden afgewezen. Binnen de raad leven daarover uiteenlopende opvattingen.
Een deel van de raad (9) wijst met het kabinet een verzelfstandiging van de ABW af. Dit deel is van oordeel dat een dergelijke verzelfstandiging leidt tot een principiële herziening van de ABW als regeling die beoogt in het minimaal noodzakelijke te voorzien en die zich heeft te richten naar de behoefte van de minst draagkrachtigen. Voorts wijst dit deel op de onaanvaardbare negatieve sociaal-economische risico's door het ingrijpende budgettaire beslag.
Dit deel staat eveneens afwijzend tegenover voorstellen die het hierna aan het woord zijnde deel van de raad doet ten aanzien van een verzelfstandigde basisuitkering voortbouwend op een negatieve inkomstenbelasting.
Over de hiernavolgende standpunten met betrekking tot de Werkloosheidswet (WW) (verlenging van de vervolguitkering; versterking van het opbouwelement) merkt dit deel van de raad op dat daarover slechts een evenwichtige oordeelsvorming mogelijk is indien in relatie hiermee ook andere kernonderdelen van het WW-stelsel in de beschouwing worden betrokken, hetgeen de reikwijdte van dit advies te buiten zou gaan.

Een ander deel van de raad (10) plaatst zijn oordeel in het kader van zijn zienswijze op het tot stand brengen en in stand houden van economische zelfstandigheid ingeval onvrijwillig niet of in beperkte mate kan worden deelgenomen aan het arbeidsproces. In de visie van dit deel dient dan het perspectief van het realiseren van zelfstandige uitkeringsrechten voorop te staan. Het beleidsstreven dient te zijn gericht op het stapsgewijs realiseren van een geïndividualiseerde basisuitkering voortbouwend op een negatieve inkomstenbelasting. Aldus dient de invoering van zelfstandige uitkeringsrechten grotendeels buiten de ABW gestalte te krijgen en benadert de ABW weer het oorspronkelijke doel van de bijstandswet, te weten het vervullen van een vangnet in de sociale zekerheid.

Voorts bepleit dit deel, mede ter beperking van de negatieve invloed van de partnerinkomenstoets, de duur van de WW-vervolguitkering te verlengen en het opbouwelement in de WW te versterken dan wel anders vorm te geven. Mede in het perspectief van snellere uitstroom uit de ABW pleit dit deel voor splitsing van de gezinsbijstand tussen bijstandsgerechtigde partners en een vrijlating in de toetsing van het partnerinkomen tot het individuele minimumniveau (het niveau van alleenstaanden inclusief toeslag). Dit deel stelt voor dat gemeenten de toestemming krijgen tot lokale experimenten.

Enkele leden van de raad (11) staan met het kabinet afwijzend tegenover verzelfstandiging van bijstandsuitkeringen en zijn van oordeel dat het verwerven dan wel behouden van economische zelfstandigheid ingeval van non-participatie langs andere weg moet worden bevorderd. Deze leden stellen wijzigingen voor in de WW en de ABW die ertoe leiden dat ook vanuit de sociale zekerheid het verwerven en instandhouden van economische zelfstandigheid wezenlijk worden bevorderd. Deze leden bepleiten de eenmaal door arbeid verworven economische zelfstandigheid zo lang mogelijk te laten voortduren en de instroom in de partnerafhankelijke ABW te beperken door een verlenging van de duur van de WW-vervolguitkering (individuele uitkering ter hoogte van 70 procent van het minimumloon, na afloop van de loongerelateerde uitkering). Met het oog op het kunnen opbouwen van WW-rechten door met name jonge mensen met een flexibel arbeidspatroon bepleiten deze leden ook een versterking dan wel andere vormgeving van het opbouwelement binnen het kader van de huidige WW, dit wil zeggen onder handhaving van de WW als risicoverzekering.
Mede in het perspectief van een snellere uitstroom uit de ABW pleiten deze leden met betrekking tot de gezinsbijstand (van twee bijstandsgerechtigde partners) verder voor een vrijlating in de toetsing van het partnerinkomen tot het individuele minimumniveau (70 procent minimumloon). Ten slotte staan deze leden afwijzend tegenover de door het voorgaande andere deel van de raad bepleite verzelfstandigde basisuitkering voortbouwend op een negatieve inkomstenbelasting.

  1. Bestaande uit de ondernemersleden.
  2. Bestaande uit de werknemersleden en de kroonleden Bakker, mevrouw van den Berg, Van den Berg, Goudswaard, mevrouw Groenman, Kolnaar, Leijnse, Linschoten, mevrouw Lodders-Elfferich en De Vries.
  3. SER-advies Werken aan zekerheid , publicatienr. 97/05, Den Haag 1997.
  4. SER-advies Naar een robuust belastingstelsel , publikatienr. 98/07, Den Haag 1998
  5. SER-advies Werken aan zekerheid, op cit., p viii.
  6. Bestaande uit de ondernemersleden, de werknemersleden benoemd door het CNV en de MHP en de kroonleden Bakker, mevrouw van den Berg, Van den Berg, Goudswaard, Kolnaar, Linschoten, mevrouw Lodders-Elfferich en De Vries.
  7. SER-advies Structuur van de kinderbijslagen , publicatienr. 90/12, Den Haag 1990, pp. 49-52.
  8. Bestaande uit de werknemersleden benoemd door de FNV en de kroonleden mevrouw Groenman en Leijnse.
  9. Bestaande uit de ondernemersleden, de werknemersleden benoemd door het CNV en de MHP en de kroonleden Bakker, mevrouw van den Berg, Van den Berg, Kolnaar, Linschoten, en De Vries
  10. Bestaande uit de werknemersleden benoemd door de FNV.
  11. Bestaande uit de kroonleden mevrouw Groenman, Goudswaard, Leijnse en mevrouw Lodders-Elfferich.