Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1998 | ICT en onderwijs

ICT en onderwijs

Advies 1998/05 - 17 april 1998

Download:Volledig advies (326 kB)

Samenvatting en beantwoording van de adviesaanvraag

Samenvatting en beantwoording van de adviesaanvraag

In dit laatste hoofdstuk van het advies worden de bevindingen en de aanbevelingen van de raad samengevat in de beantwoording van de vijf vragen die in de adviesaanvraag aan de raad zijn gesteld.

Welke betekenis hebben informatie- en communicatietechnologie voor de sociaal-economische ontwikkelingen en welke consequenties vloeien hieruit voort voor leren in onze samenleving?

ICT is een van de factoren die leiden tot een permanente verandering van de maatschappij en de economie, naast ontwikkelingen zoals internationalisering, toenemende concurrentie, snelle technologische ontwikkeling en individualisering. De ICT-ontwikkelingen hebben daarbij in de afgelopen jaren gezorgd voor een ware revolutie op het gebied van verzameling, verwerking en uitwisseling van gegevens. Deze ontwikkelingen zijn vooral in de hand gewerkt door de mondialisering en de toegenomen (internationale) concurrentie.

Al deze veranderingen leiden tot een snelle veroudering van kennis (1), andere werkwijzen, snellere functiewisselingen en wisselingen van functie-inhouden. Dit betekent dat het eenmaal geleerde steeds zal moeten worden vernieuwd: een leven lang leren. Het onderwijs moet leerlingen en studenten daarop voorbereiden door onderwijs en leerprocessen vooral te gaan richten op de capaciteit tot het verwerven van kennis: 'leren leren'.

Daarvoor is naar de mening van de raad een verandering van curricula nodig: het leerproces van de leerling centraal, van knowledge naar know-how , van alleen afzonderlijke vakken naar ook integratie van vakken. Het onderwijs moet kinderen daarnaast voorbereiden op de informatiemaatschappij, op een leven met ICT. Scholen zullen dus in het bezit moeten zijn van ICT, zullen moeten leren over ICT, zullen kinderen moeten laten leren met behulp van ICT én zullen waar dat meerwaarde heeft kinderen ook moeten laten leren door ICT.

Deze wijzigingen zijn niet alleen noodzakelijk voor het initiële onderwijs maar moeten ook doorwerken naar het postinitieel onderwijs, de scholing van werknemers.

Welke bijdrage kan het onderwijs, door integratie van ICT in onderwijs-doelen en leermethoden, leveren aan economische innovatie?

Kennis en innovatie worden de onderscheidende factoren tussen landen. ICT zal daarin een belangrijke rol spelen. Daarom is voor Nederland goed onderwijs, waarin plaats is ingeruimd voor ICT, van cruciaal belang. Geconstateerd kan worden dat het Nederlandse onderwijs in vergelijking met andere landen qua input en output aan de verkeerde kant van het gemiddelde is gekomen of dreigt te komen. Zo zijn de uitgaven voor onderwijs, als percentage van het BNP, lager dan het gemiddelde van de OESO-landen. Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat het opleidingsniveau van de beroepsbevolking (gemeten als het aandeel met ten minste upper secondary education ) onder het OESO-gemiddelde dreigt te geraken.

Met betrekking tot ICT kan worden geconstateerd dat het nog maar in beperkte mate wordt gebruikt ten behoeve en ter ondersteuning van het onderwijs. Tevens kan worden geconstateerd dat Nederland internationaal gezien niet bepaald hoog scoort met het ICT-gebruik in het onderwijs. Met het oog op de toekomst kan ons land niet tevreden zijn met een dergelijke lage positie.

Ons land, zo vindt de raad, moet hoge ambities hebben voor het onderwijs én die hoge ambities kunnen mede verwezenlijkt worden als het Nederlandse onderwijs een goede performance heeft met betrekking tot ICT. Bij dit alles moet bedacht worden dat onderwijs een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde is voor innovatie. Naast onderwijs zijn van belang de kennisinfrastructuur, het innovatiebeleid van de overheid, het ondernemingsklimaat en - niet op de laatste plaats - ondernemingszin.

Wat zou de rol kunnen zijn van nieuwe technologieën bij scholing van werk-nemers en op welke manier kan bijvoorbeeld het gebruik van televisie daarbij nieuwe mogelijkheden openen?

Net als het onderwijs zal, zo meent de raad, ook scholing moeten inspelen op de maatschappelijke en economische veranderingen die mede door ICT tot stand komen. Veranderingen die leiden tot een snelle veroudering van kennis, het inbouwen van kennis in software systemen, meer flexibiliteit en een groter belang van employability . Dit betekent enerzijds dat ook voor scholing de curricula gewijzigd moeten worden, dat de nadruk verschoven moet worden van knowledge naar know-how en dat er meer aandacht moet zijn voor sleutelkwalificaties. Anderzijds betekent het dat scholing een permanente activiteit moet zijn die een geïntegreerd onderdeel uitmaakt van het gehele productieve leven. Werkgever en werknemer hebben hierbij een gemeenschappelijk belang.

Evenals in het initiële onderwijs biedt ICT grote mogelijkheden voor scholing, met name doordat scholing met behulp van ICT minder afhankelijk wordt van plaats en tijd. Klassikale cursusgroepen zijn niet meer noodzakelijk; de werknemer kan thuis of op het werk scholing volgen op het moment waarop tijd beschikbaar is, het tempo is variabel en het programma kan worden toegesneden op de scholingsbehoefte van de werknemer. Om deze mogelijkheden te realiseren zullen bedrijfstakken, hun opleidingsinstituten en bedrijven moe-ten samenwerken om expertise en toepassingen te ontwikkelen.

De raad meent dat de rol van televisie in onderwijs en scholing bepaald niet is uitgespeeld door een verdere introductie en implementatie van ICT in onderwijs en scholing. Integendeel, televisie is en blijft een goed instrument voor onderwijs en educatie en kan bovendien geïntegreerd worden met ICT in de vorm van bijvoorbeeld bedrijfstelevisie en instructieve video-on-demand .

Op welke manier kan ICT bijdragen aan samenwerking en wederzijdse beïnvloeding van onderwijsinstellingen en andere maatschappelijke actoren, zoals werkgevers en werknemers, met behoud van de eigen verantwoordelijkheden?

De C van ICT vergroot de communicatiemogelijkheden en maakt (actuele) informatie makkelijker, sneller en breder toegankelijk. Dit betekent voor bijvoorbeeld het onderwijs dat gebruik gemaakt kan worden van informatie die bedrijven en brancheverenigingen via het internet beschikbaar stellen. Met behulp van die informatie kan 'schoolse' kennis geïllustreerd worden met de praktijk en ook aangepast worden aan de praktijk. Nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij en op de markt kunnen op die manier ook sneller onderdeel van het onderwijs worden.

Een goede implementatie van ICT in onderwijs en scholing kan bevorderd worden door samenwerking tussen onderwijsinstellingen (zowel door de overheid bekostigde als private) en bedrijven. Bedrijven kunnen daarbij gebruik maken van de onderwijskundige expertise van scholen ten behoeve van de eigen scholing. Onderwijsinstellingen kunnen door samenwerking hun onderwijs beter afstemmen op de vraag vanuit het bedrijfsleven en ze kunnen informatie verwerven over de toepassingen van ICT. De samenwerking kan zich ook uitstrekken tot het beschikbaar stellen door bedrijven van economisch afgeschreven, maar nog goed bruikbare hardware aan het onderwijs. Ook kunnen onderwijsinstellingen en bedrijven gezamenlijk opleidingsfaciliteiten zoals simulatoren creëren en instandhouden. De raad is van oordeel dat een dergelijke, op de infrastructuur gerichte samenwerking tussen onderwijsinstellingen en bedrijven van groot belang is. De overheid dient ervoor te zorgen dat deze samenwerking mogelijk is en deze te faciliteren door bijvoorbeeld, zoals nu gebeurt, samenwerkingsverbanden in aanmerking te laten komen voor ontwikkelingssubsidies.

Verwacht kan worden dat door toenemend gebruik van ICT de invloed van maatschappelijke actoren, in het bijzonder het bedrijfsleven, op het onderwijs zal toenemen.

Welke doelen ten aanzien van ICT en leren, dienen - gegeven de antwoorden op bovengestelde vragen - op de langere termijn door de overheid te worden gesteld?


ICT in het onderwijs is noodzakelijk
Het onderwijs zal kinderen moeten voorbereiden op de informatiemaatschappij, op een leven met ICT. Voor de raad betekent dit dat het onderwijs vernieuwd zal moeten worden; meer leerlinggericht en voorbereidend op een leven lang leren. ICT kan in dat proces een belangrijk instrument zijn. De raad ziet ICT als een enabling technology , die bij de juiste inzet een belangrijke bijdrage kan leveren aan de verbetering en de vernieuwing van het onderwijs.

Extra inspanning nodig
De raad is het met de minister eens dat de situatie rond ICT in het onderwijs vraagt om een extra inspanning met betrekking tot hardware, software en bijscholing. Alhoewel de raad een aantal kanttekeningen plaatst bij Investeren in voorsprong , biedt dit plan een goed kader voor het toekomstig beleid met betrekking tot ICT in het onderwijs.

Functies van ICT in het onderwijs onderscheiden
Dit beleid moet gericht zijn op vernieuwen van het onderwijs. In het beleid moeten de vier verschillende functies die ICT in het onderwijs kan vervullen duidelijk worden onderscheiden. De functies 'leren over ICT' en 'leren met behulp van ICT' moeten daarbij, zo vindt de raad, centraal staan. Het zijn functies die op korte termijn kunnen worden gerealiseerd en het zijn functies die zorgen voor aansluiting bij de ICT-ontwikkelingen in de buitenschoolse maatschappij en het bedrijfsleven. Daarbij moet ICT ook ingezet worden voor een efficiënte bedrijfsvoering in het onderwijs. De schoolorganisatie is immers ook van invloed op het leerproces en daarmee op de rol die ICT in het onderwijs kan spelen.

Wat de vierde functie van ICT, 'onderwijs door middel van ICT', betreft wijst de raad erop dat de mogelijkheden die er op dit moment zijn nog slechts op beperkte gebieden positief lijken te zijn en dat de didactiek voor dit type van ICT-onderwijs zich nog in een ontwikkelingsstadium bevindt. Dat neemt echter niet weg dat volgens de raad deze weg wel moet worden ingeslagen. Het centraal stellen van de andere functies zal, zo verwacht de raad, leiden tot een goede voedingsbodem voor het dichterbij brengen van onderwijs door middel van ICT. Daarom is het van belang dat scholen nadrukkelijk in staat gesteld worden bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van ICT-onderwijs en daarmee te experimenteren. Door middel van uitwisseling en publicatie van good practice en emerging practices kunnen voorhoedescholen het pad effenen voor andere scholen.

Duidelijke rol overheid
In Investeren in voorsprong is niet gekozen voor een centraal, aanbodgericht beleid maar voor een decentraal vraaggestuurd beleid. Onder voorwaarden ondersteunt de raad deze keuze, omdat deze aansluit bij de autonomie van de scholen. Hij sluit ook aan bij de opvatting van de raad dat ICT een enabling technology is waarvan de mogelijkheden door het onderwijs in de praktijk moeten worden verkend en ingevuld.

De autonomie van scholen houdt in dat de manier waarop scholen opleidingen verzorgen kan gaan verschillen, ook wat de inzet van ICT betreft. Het onderwijs zal echter aan een kwaliteitsnorm moeten voldoen, een norm waarin ook een plaats moet worden ingeruimd voor ICT, zo meent de raad. Dit kan door de aandacht die een school aan ICT geeft te betrekken in de beoordeling van de deugdelijkheid en door ICT-kennis en -gebruik op te nemen in de kerndoelen voor het basisonderwijs en de basisvorming en in de exameneisen voor het voortgezet onderwijs. Door het stellen van normen geeft de overheid vorm aan haar verantwoordelijkheid voor het onderwijs zonder in de autonomie van de scholen te treden.

De keuze voor een vraaggestuurd beleid en de mogelijke versnippering en inefficiëntie bij de introductie van ICT als gevolg van de schoolautonomie, maken dat de overheid een rol moet spelen bij de standaardisering van hardware en software, in de uitwisseling van informatie tussen scholen en tussen scholen en ondersteuningsinstellingen, door het initiëren van onderzoek en door het fungeren als doorgeefluik tussen onderzoek en schoolpraktijk. De raad meent dat de overheid - gelet op de kleine markt die Nederland op dit gebied is - ook een blijvende rol moet spelen bij de creatie en het onderhoud van onderwijssoftware.

Rol van de school moet sterker
De belangrijkste actor bij de introductie en implementatie van ICT is de school zelf. De raad kan zich niet onttrekken aan de indruk dat het in het onderwijs ontbreekt en in ieder geval ontbroken heeft aan een sense of urgency wat de toepassing van ICT in het onderwijs betreft. De raad meent dat besturen en directies een grotere rol moeten gaan spelen in de implementatie van ICT in het onderwijs. Door ICT op te nemen in kerndoelen en examenprogrammas wordt bevorderd dat ICT in het schoolbeleid wordt opgenomen. De plaats van ICT in het onderwijs moet minder afhankelijk worden van de individuele leerkracht, maar zal het resultaat moeten zijn van door bestuur, directie en (mede-zeggenschap van) het personeel uitgezet beleid. Dit beleid moet ook nadrukkelijk aandacht besteden aan scholing van het onderwijzend personeel gericht op de mogelijkheden van ICT, de vakspecifieke toepassingen en de inpassing in het onderwijsproces.

Duidelijkheid over financiering noodzakelijk
De raad is van mening dat het financiële kader van Investeren in voorsprong met te veel onzekerheden is omgeven. De onzekerheden betreffen in de eerste plaats het feit dat van een meerjarig programma alleen financiën zijn vastgesteld voor de eerste stap die in 1997 en 1998 gezet is, respectievelijk gezet zal worden. De onzekerheid betreft in de tweede plaats het totale bedrag dat nodig is om de bedoelde impuls te geven. De derde onzekerheid betreft de structurele kosten die samenhangen met Investeren in voorsprong . Een nieuwe impuls voor het ICT-gebruik in scholen vraagt een enorme investering. Een investering die, wil zij haar geld opbrengen, ook veilig gesteld moet worden voor de toekomst. Dat betekent onderhoud en vervanging van zowel hardware als software. De investeringsimpuls leidt dus tot een structurele verhoging van de kosten van het onderwijs. Net als over het totale bedrag dat nodig is voor de impuls is er onduidelijkheid over de omvang van de structurele kosten.

De raad is van mening dat een beleid dat zich richt op het verbeteren van het ICT-gebruik in het onderwijs van meet af aan voorzien moet zijn van een deugdelijke financiering. Alle twijfels en scepsis die toch al rondom dit vraagstuk heersen moeten niet gevoed worden door een onduidelijke financiering.

De raad bepleit daarom dat zo snel mogelijk duidelijkheid wordt gegeven over de financiering van Investeren in voorsprong wat de volgende stappen in de komende jaren betreft en de consequenties hiervan voor de structurele bekostiging van het onderwijs. De raad dringt erop aan dat op zeer korte termijn berekeningen worden gemaakt over de middelen die nodig zijn voor de stappen twee en drie en de aan de impuls verbonden structurele kosten. Hij stelt voor dat over deze berekeningen overleg plaatsvindt tussen betrokkenen. In de berekeningen zou niet alleen rekening gehouden moeten worden met de directe kosten maar ook met indirecte kosten, zoals aanpassingen van huisvesting en meubilair en kosten van tijd en vervanging die gemoeid zijn met de nascholing van leerkrachten.

De raad benadrukt daarbij dat te weinig middelen voor investering en exploitatie het bereiken van de doeleinden zal bemoeilijken. Het optimisme van de raad over de mogelijkheden ICT in het onderwijs te integreren zou dan misplaatst zijn. De raad dringt er daarom met klem op aan bij de komende kabinetsformatie voldoende geld uit te trekken voor de noodzakelijke integratie van ICT in het onderwijs.

Permanent beleid
Afsluitend stelt de raad dat een beleid dat ICT-gebruik in het onderwijs wil bevorderen een permanent beleid moet zijn. De snelle ontwikkelingen op het gebied van ICT maken een beleid dat volstaat met zo nu en dan een impuls, weinig doeltreffend.



  1. Dit betekent niet dat in het bedrijfsleven en in het onderwijs alle kennis snel veroudert. Bepaalde kennis heeft een eeuwigheidswaarde, zoals grote delen van geschiedenis en rekenen, maar ook boekhouden en talen.