Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1998 | Samen voor de stad

Samen voor de stad

Advies 1998/01 - 16 januari 1998

Download:Volledig advies (663 kB)

Samenvatting


 De adviesaanvraag
Op 27 juni 1997 heeft het kabinet de Sociaal-Economische Raad (SER) om advies gevraagd over de verbetering van de effectiviteit van het grotesteden-beleid. Het kabinet heeft de SER drie vragen gesteld:
  • Op welke wijze kan de instrumentenmix - grotestedenbeleid, ruimtelijke ordening en stadsvernieuwing, investeringsimpulsen en bestuurlijke organisatie, schaalvergroting en gemeentelijke herindeling - worden verbeterd?
  • Hoe kunnen de vestigingsfactoren voor bedrijven in de steden worden verbeterd en op welke wijze kan de inzet van nieuwe instrumenten als kansenzones, investeringsimpulsen en fiscale maatregelen worden geoptimaliseerd?
  • Op welke wijze kan het proces van samenwerking tussen de diverse partners op lokaal niveau worden versterkt?
Onhoudbare scheefheid doorbreken door brede versterking vestigingsklimaat
Waar op landelijk niveau de afgelopen jaren een opwaartse spiraal van groei, werkgelegenheidscreatie en werkloosheidsreductie kon worden ingezet, is van een dergelijke spiraal in de steden nog weinig merkbaar. De typering van de stad als motor van de economie komt helaas niet overeen met de huidige werkelijkheid. In de randgebieden van de stad groeit de economie bovengemiddeld, maar de stad zelf heeft - per saldo - veel van zijn economische aantrekkingskracht verloren. Omdat voor veel bedrijvigheid vestiging in de stad niet langer vanzelfsprekend is en ook veel bedrijven de stad verlaten, is de stad gedwongen haar aantrekkelijkheid als vestigingsplaats op vele fronten te verbeteren. Omdat de hardnekkige scheefheid in sociaal-economische ontwikkeling tussen stad en rand op termijn de economische vitaliteit van het gehele grootstedelijke gebied uitholt, is versterking van het vestigingsklimaat een verantwoordelijkheid die breder moet worden gevoeld en gedragen dan in de stad zelf. De structurele economische vooruitzichten voor de stad zijn gelukkig niet ongunstig, gelet op de verschuiving van economische activiteit en werkgelegenheid in de richting van kennisintensieve dienstverlening.

Voor het tegengaan van de dreiging van de gedeelde stad is echter meer nodig. Om de arbeidsparticipatie in de stad - de hoofdroute uit de problematiek van armoede en sociale uitsluiting - te verhogen is het generieke structuurversterkende beleid een noodzakelijke maar geen voldoende voor-waarde. Daarbovenop moet een goed evenwicht worden gevonden tussen flankerende, gebiedsgerichte maatregelen om het werk naar de wijk te krijgen en aanbodgerichte maatregelen om de wijk naar het werk te krijgen. De raad onderstreept daarbij dat de sterke werkgelegenheidsgroei en de teruglopende groei van het arbeidsaanbod die thans en in de dichtbij liggende jaren optreedt, nu moet worden aangegrepen om moeilijk plaatsbare groepen een reëler participatieperspectief te bieden. Het wordt ook van toenemend economisch belang de beleidsinspanningen met nog meer overtuiging hierop te richten, om te voorkomen dat er 'zand in de banenmotor' terechtkomt doordat vacatures niet of niet snel genoeg vervuld worden.

Nog een stevige beleidsagenda
Hoewel de afgelopen jaren vanuit de verschillende beleidssectoren belangrijke stadsgerichte initiatieven tot ontwikkeling zijn gekomen, is er nog sprake van een stevige beleidsagenda. De raad identificeert zes knelpunten die in de weg staan aan een effectiever grotestedenbeleid:
  • een nog te grote verbrokkeling in het ruimtelijke en ruimtelijk-economische beleid;
  • een relatief sterke kortetermijnoriëntatie en een hoge beleidslast in het grotestedenbeleid in enge zin, gevoed door een toewijzing van ooral tijdelijke en projectgebonden middelen;
  • een gebiedsgericht economisch stimuleringsbeleid dat nog grotendeels in de kinderschoenen staat; een nog te beperkte ontkokering en bundeling van middelen;
  • een afbrokkelende samenwerking tussen gemeenten op het hogere schaalniveau van de regio, in combinatie met een trage en slechts partiële bestuurlijke vernieuwing;
  • een nog relatief sterke fixatie op de overheidsinterne organisatie en samenwerking en een te geringe gerichtheid op externe samenwerking en afstemming met bedrijven, sociale partners, woningcorporaties, schoolbesturen en bewonersorganisaties.
Regie en afstemming rond vier beleidsdoelen
De raad maakt bij zijn beleidsaanbevelingen een onderscheid in vier doelstellingen: stedelijke vernieuwing; economische stimulering; bevordering arbeidsdeelname en vergroting leefbaarheid . Dat de raad hiermee een wat andere invalshoek kiest dan de in het grotestedenbeleid aangeduide thema's: werk, onderwijs, veiligheid, zorg en leefbaarheid, komt onder meer omdat juist de doelstellingen duidelijk maken dat de meerwaarde van het grotestedenbeleid moet komen uit het in een onderlinge, resultaatgerichte samenhang met elkaar brengen van de thema's. Voor verbetering van de regie en afstemming komt de raad tot de volgende aanbevelingen.
  1. De raad is voorstander van voortzetting van de convenantenaanpak in het grotestedenbeleid, maar wil dat deze wordt voorzien van een meer robuust beleidskader met een langetermijnperspectief tot 2010.
  2. De raad vindt dat het kabinet de in de ICES-discussie toegezegde integrale afweging van ruimteclaims moet vertalen in een meer samenhangende en daarmee voor de steden flexibeler inzet van beleidsinstrumenten in het ruimtelijk(-economische) beleid.
  3. De raad wil komen tot een meer structurele inzet van middelen in het beleid. Hiertoe zouden de steden meerjarige ontwikkelingsplannen moeten opstellen, voorzien van een concrete beleidsinzet - onder meer via investeringsprogramma's - en beoogde resultaten. De huidige aanpak van beoordeling van veel, vaak in haast ingediende, op afzonderlijke beleidssectoren betrekking hebbende en van tijdelijke middelen te voorziene projectvoorstellen kan dan worden afgebouwd.
  4. In het verleden heeft de raad zich voorstander betoond van de totstandkoming van een krachtig regionaal bestuur in het bijzonder voor de grootstedelijke gebieden. Door de impasses en trage voortgang rond de wijzigingen in de bestuurlijke organisatie en de thans afbrokkelende functionele samenwerking tussen gemeenten binnen het verband van het grootstedelijke gebied, dreigt het bestuurlijk deficit op regionaal niveau eerder toe dan af te nemen. Op vele terreinen binnen het stadsgerichte rijksbeleid is bovenlokale afstemming en samenwerking dringend gewenst. De raad is dan ook van mening dat deze samenwerking door het Rijk moet worden bevorderd.
  5. De raad is van mening dat de grote steden een versterkte inzet moeten plegen op afstemming met derden waaronder sociale partners en woningcorporaties, en wel gestructureerd rond de meerjarige ontwikkelingsplannen. Dit legt de basis om te bezien hoe enerzijds ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid kan bijdragen aan de doelstellingen van het grotestedenbeleid en anderzijds projectsgewijze samenwerking vorm kan krijgen.
  6. De raad vindt dat clustering van middelen moet worden nagestreefd. Vooralsnog kan dit het best plaatsvinden in vier beleidsclusters: stedelijke vernieuwing, economische stimulering, bevordering arbeidsdeelname en vergroting leefbaarheid. Wel kan worden gedacht aan een beperkte schuifruimte binnen elk cluster ten opzichte van andere clusters, waardoor de onderlinge afstemming en een doelmatige besteding van middelen wordt bevorderd. Wat dit laatste betreft is de raad van opvatting dat van de introductie van een beperkte schuifruimte in de praktijk vooral ook een prikkel zal uitgaan om geoormerkte middelen, bijvoorbeeld voor bevordering van de arbeidsdeelname, ook daadwerkelijk voor dat doel te gebruiken. De raad stelt in relatie tot economische stimulering concreet voor te komen tot een clustering van middelen in een stadseconomiefonds, waardoor de toegevoegde waarde van het grotestedenbeleid - het zetten van een economische 'kop' op het socialevernieuwingsbeleid - daadwerkelijk invulling kan krijgen.
  7. De raad vindt dat bovenop een meer structurele inzet van middelen ook prestaties moeten tellen; een begin kan worden gemaakt met bescheiden financiële en ook niet-materiële prikkels (prestige).
  8. Sluitstuk op planvorming en middelentoewijzing is een goede audit-structuur om de voortgang in het beleid van de steden alsmede de inzet van het rijk daarbij te kunnen beoordelen. De thans binnen de 15 (nu 21) middelgrote steden tot stand komende visitatiestructuur kan geleidelijk in drie richtingen worden uitgebouwd:

deelname van alle grote steden, ook de grote vier;
deelname van vertegenwoordigers vanuit het georganiseerde bedrijfsleven en andere groepen in de samenleving aan de visitaties;
ontwikkeling van een breed toegankelijk expertisecentrum waarmee aan de uitwisseling van 'best practices' daadwerkelijk een structurele impuls kan worden gegeven.


Stedelijke vernieuwing
  1. De bereikbaarheid van de stad moet sterk verbeteren door investeringen in het wegennet, het openbaar vervoer, (ondergrondse) parkeerfaciliteiten, telematica en fietsvoorzieningen. Het is vooral van belang het vermijdbare autoverkeer terug te dringen, mede ten behoeve van het noodzakelijke autoverkeer. In dit verband moet de raad constateren dat het ABC-locatiebeleid van de Rijksoverheid hiervoor een te zwaar en te inflexibel instrument vormt. Voor het goederenvervoer is de uitdaging na te gaan hoe goederen met een bestemming in dezelfde stad of hetzelfde stadsdeel zoveel mogelijk kunnen worden gebundeld.
  2. Aangezien voor de grote steden in het bijzonder ook het perspectief van Nederland Kennisland kansen biedt, is er ook vanuit het grotestedenbeleid een groot belang bij voldoende investeringen in de verbetering van de kennisinfrastructuur , het zoeken naar een intensievere samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen en investeringen in onderwijs en scholing, in het bijzonder ook in het beroeps(begeleidend) onderwijs.
  3. Het instandhouden van een goedkope woningvoorraad van voldoende omvang blijft een randvoorwaarde voor de stedelijke vernieuwing. Maar met name in de achterstandsgebieden van de grote steden is behoefte aan een meer pluriforme bewoningsstructuur met ook duurdere (koop)woningen, waardoor koopkracht naar de stad kan worden gehaald. Omgekeerd moet er dan sprake zijn van doorstroming vanuit de achterstandswijken naar in het bijzonder de Vinex-locaties. De samenwerking met woningcorporaties is hier van groot belang. Aparte opgaven vormen de renovatie van particulier woningbezit en, in samenhang hiermee, het bevorderen van de aankoop van woningen door huurders.
  4. Het concept van de compacte stad brengt weliswaar treffend tot uitdrukking dat de stad het zich niet kan permitteren de schaarse ruimte niet optimaal te benutten, laat staan te laten verloederen. Het is echter noodzakelijk het concept van de compacte stad aan te vullen met meer visie op de inrichting van de ruimte om de stad, waardoor corridorvorming en bundeling van vervoersstromen in samenhang worden gebracht met de compacte stad en meer voorwerp worden van ruimtelijke ordening.
  5. De raad meent dat milieu-overwegingen in het proces van stedelijke vernieuwing een belangrijke rol dienen te spelen. Omdat het ontwikkelen van economische bedrijvigheid en de verbetering van de bereikbaarheid hiermee strijdig kunnen zijn, is in ieder geval een afwegingskader nodig; in de visie van de raad zijn dat de meerjarige ontwikkelingsplannen voor de stad. De raad acht voorts de in het wetsvoorstel Stad en Milieu ingeslagen weg een goede, namelijk om ontheffing van bepaalde milieuregels te kunnen verlenen, mits gemeenten voldoende compenserende maatregelen nemen. Wel moet uiteindelijk de gemeenteraad, en niet de minister, de verantwoordelijkheid toekomen om het politieke oordeel over aard en omvang van de compensatie te vellen.

Gebiedsgerichte economische stimulering
  1. In het aanvullende gebiedsgerichte economische stimuleringsbeleid in en rond de achterstandsgebieden moet de blik niet eenzijdig op laag-geschoolde werkgelegenheid worden gericht. De vestiging van meer hoogwaardige bedrijven of instellingen kan belangrijke positieve uitstralingseffecten hebben op de benodigde laaggeschoolde werkgelegenheid. De ontwikkeling van een economisch stimuleringsgebied zou helemaal een sterke impuls kunnen worden gegeven, indien aan dit gebied een bepaalde economische functie binnen de stedelijke economie als geheel kan worden toegekend (onderwijs, horeca, kantoordiensten).
  2. In de gebiedsgerichte economische stimulering zal het zwaartepunt moeten liggen op directe investeringen. Goede voorzieningen, waaronder winkels, zijn van groot belang voor zowel werkgelegenheid als leefbaarheid. Investeringen in ruimte door de (her)ontwikkeling van bedrijfslocaties en bedrijfshuisvesting zijn hiertoe essentieel. Omdat knelpunten vaak optreden op het moment dat bedrijven in de steden willen gaan uitbreiden, moet bij de uitgifte van kavels aan bedrijven meer rekening worden gehouden met eventuele uitbreidingsmogelijk-heden voor de bedrijven. Het reeds in gang gezette beleid van functiegerichte bodemsanering, waarbij de strengheid van de normen afhankelijk is van de toekomstige bestemming, is voor de grote steden van groot belang. Ook moet de beeldvorming worden doorbroken alsof bedrijfshuisvesting ten koste moet gaan van groenvoorzieningen of cultuurhistorische elementen.
  3. De raad pleit voor een uitbreiding, mede gestimuleerd vanuit het 'stadseconomiefonds', van het aantal bedrijvencentra in de stad. Bij uitstek bedrijvencentra maken voor startende ondernemers 'learning on the job' mogelijk en creëren schaal- en daarmee kostenvoordelen om van educatieve en facilitaire diensten gebruik te maken. Bedrijven-centra kunnen ook belangrijke uitstralingseffecten hebben voor ondernemers in de buurt die vanwege de aard van hun bedrijvigheid (bijvoorbeeld een winkel) niet in dergelijke centra zijn gevestigd, maar wel van knowhow en diensten gebruik zouden kunnen maken.
  4. Te weinig steden ontwikkelen initiatieven om hun regelgeving door te lichten. Het door Den Haag, met steun van het Ministerie van Economische Zaken, gestarte project om de Haagse regelgeving te gaan doorlichten, kan bij succes een belangrijke voorbeeldwerking hebben in de richting van andere steden. Naast de regelgeving als zodanig vraagt de raad in het bijzonder ook aandacht voor de uitvoeringsaspecten. Voor bedrijven is van belang: één aanspreekpunt bij gemeenten (front office); daadwerkelijke stroomlijning en afstemming van de procedures die achter het loket schuilgaan (back office); een korte, vooraf helder aangegeven doorlooptijd van (vergunningen)procedures.
  5. De raad neemt afstand van het concept van de kansenzones, voorzover dit zich richt op gebiedsgerichte regel- en lastenverlichting. Een extra beleidsinzet gericht op de bestrijding van achterstanden moet uitzicht bieden op concrete positieve resultaten. Voor gebiedsgerichte regel- en lastenverlichting geldt dat de resultaten - bij een beperkte invulling - marginaal zullen zijn of - bij een ruime invulling - zullen leiden tot economische allocatieverstoringen en normvervaging in gebieden waar normhandhaving toch al problematisch is. Daarnaast zal er bij een aan-pak die op deze wijze onderscheid maakt tussen individuele ondernemingen, sprake zijn van hoge beleidskosten en uitholling van het draagvlak voor de benodigde samenwerking met het bedrijfsleven. Het is duidelijk dat de raad niet vermag in te zien welke toegevoegde waarde een wet op de kansenzones kan hebben; regel- en lastenverlichting moeten worden voorbehouden aan het niveau van het land of, waar het gaat om stedelijke regelgeving, de stad als geheel.
  6. De raad pleit ervoor dat alle gemeenten in grootstedelijke gebieden in gezamenlijk overleg meer aandacht gaan besteden aan een beheerste lokale lastenontwikkeling, niet alleen voor burgers maar ook voor bedrijven, waarbij grote onderlinge verschillen in lastenniveaus worden beperkt en voorkomen. Daarbij is het ook van groot belang dat gemeenten de transparantie van de lokale lasten vergroten door:
    • beperking en/of samenvoeging van belastingsoorten;
    • bundeling op uitvoeringsniveau van de inning van belastingen;
    • verheldering van de motieven achter aard en omvang van de lokale lasten, waar mogelijk ook met het aangeven van de bestemming waarvoor de specifieke belastingheffing wordt gebruikt;
    • het bespreekbaar maken van het thema lokale lasten in een regulier overleg met het bedrijfsleven.
Bevordering arbeidsdeelname
  1. De raad vindt dat meer prioriteit moet worden gegeven aan bevordering van arbeidsdeelname in de marktsector. Slechts weinig grote steden geven aan dat zij in het kader van het grotestedenbeleid hiertoe initiatieven hebben ontwikkeld. Belangrijke lijnen om via versterking van het vestigingsklimaat de private werkgelegenheid te bevorderen zijn in het voorgaande uiteengezet. In aanvulling hierop zouden gemeenten bij de vervulling van publieke wijkgebonden functies en het stimuleren van de totstandkoming van buurtdiensten zoveel als mogelijk is private ondernemers moeten inschakelen. Verschillende voorbeelden laten zien dat de uitvoering van CAO-afspraken, zo mogelijk ondersteund door sectoraal arbeidsvoorzieningsbeleid, van betekenis kan zijn voor het grotestedenbeleid. Bijvoorbeeld bij de uitvoering van bouwprojecten en overheidsopdrachten kunnen met het bedrijfsleven afspraken worden gemaakt over de inschakeling van langdurig werklozen.
  2. De specifieke problematiek van etnische minderheden vraagt, in aanvulling op het generieke beleid, om specifieke maatregelen. Het gaat dan om adequate inburgeringstrajecten en voldoende voorzieningen voor taalonderwijs. Vervolgens om beroepskwalificerende trajecten en aansluiting op de reguliere arbeidsmarkt. De ervaring leert dat didactische aanpassingen, toegankelijkheid voor groepen en betrokkenheid van minderhedenorganisaties noodzakelijk zijn. Succesvolle projecten zouden moeten worden ingepast in de reguliere voorzieningen.
  3. De raad spreekt zijn zorgen uit over etnische segregatie in het onderwijs. Belangrijke aandachtspunten in het onderwijs zijn voorts het terugdringen van de ongediplomeerde uitval en een goede en op de praktijk gerichte school- en beroepskeuzevoorlichting. De betrokkenheid van beroepsonderwijs en bedrijfsleven kan worden versterkt door de regionale opleidingscentra (ROC's) een makelaarsfunctie te laten vervullen.
  4. De raad meent dat scholing het belangrijkste aanbodgeoriënteerde instrument is om de bestaande discrepanties op de arbeidsmarkt te lijf te gaan. De nieuwe landelijke subsidieregeling van Arbeidsvoorziening, de Bijdrageregeling Bedrijfstakspecifieke Scholing Werkzoekenden (BBSW) moet vanuit dit perspectief functioneren. Het is daarnaast van groot belang dat bij de aanwending van inkoopbudgetten door gemeentelijke sociale diensten en UVI's de scholingscomponent een volwaardige plaats krijgt toebedeeld en dat de hindernissen om aan scholing deel te nemen worden weggenomen. Meer scholing van werkzoekenden in het kader van CAO-afspraken kan verder worden gestimuleerd door een intensivering van de samenwerking tussen CAO-partijen en Arbeidsvoorziening.
  5. De raad meent dat ook meer inzet op de bevordering van geografische mobiliteit van belang is, nu blijkt dat werkzoekenden in de stad wel vaker solliciteren en minder hoge eisen stellen aan een baan, maar moeilijker een baan accepteren die wat verder van huis ligt. Obstakels met betrekking tot beschikbaarheid en kosten van vervoer moeten worden weggenomen.
  6. Arbeidsvoorziening moet invulling kunnen (blijven) geven aan het vraaggerichte mkb- (arbeidsvoorzienings) beleid , bedoeld om - via vacaturescanning - zoveel mogelijk latente vacatures op te sporen, het mkb te ondersteunen bij werving en selectie en een zekere begeleiding aan te bieden 'on the job'.
  7. De samenwerking tussen de verschillende uitvoerders in arbeidsvoorziening en sociale zekerheid moet worden verbeterd; de loketfunctie moet zo dicht mogelijk bij de klanten worden gebracht. Ook uitzendbureaus moeten daarbij aan kunnen schuiven.
  8. Een strikt en doorzichtig sanctiebeleid in de sfeer van de sociale zekerheid is in de grote steden van belang om 'uitkeringsculturen' te doorbreken en te voorkomen.
  9. Sluitstuk van het arbeidsmarktbeleid is de gesubsidieerde arbeid. Nu het economisch herstel doorzet dient meer aandacht te worden geschonken aan doorstroom naar reguliere werkgelegenheid. Gesubsidieerde arbeid blijft dan ook beter bereikbaar voor degenen die er echt op zijn aangewezen.

Vergroting leefbaarheid
  1. Het is de opvatting van de raad dat de achterstandssituaties in de grote steden het best bestreden kunnen worden door versterking en benutting van het economische potentieel op stads- en wijkniveau. Leefbaarheid is dus een belangrijke uitkomst van beleid, maar leefbaarheid, een steeds belangrijker onderdeel van het vestigingsklimaat voor bedrijven, moet ook door directe en gerichte initiatieven worden bevorderd.
  2. Woningcorporaties dienen bij de gemeentelijke ontwikkelingsplannen alsmede bij een integraal (ook sociaal) wijk- en buurtbeheer te worden betrokken. Zij zijn direct belanghebbend omdat zij in veel wijken woningbezit hebben en het bevorderen van de leefbaarheid behoort expliciet tot hun taken.
  3. Het integraal veiligheidsbeleid kan profiteren van de RPC's (de regionale platforms criminaliteitsbeheersing) die in navolging van het nationale platform de laatste jaren tot ontwikkeling komen. RPC's kunnen een agendazettende rol in de regio hebben en daarmee structuur brengen in het veiligheidsbeleid. Het integrale veiligheidsbeleid dient een vervolg te hebben in wijkveiligheidsplannen en integrale programma's voor wijk- en buurtbeheer.
  4. De school kan een belangrijke bijdrage leveren aan het sociale verkeer in de wijk: de 'school als centrum van de buurt'. De bijdrage van onderwijs is tot nu toe te weinig zichtbaar is geworden in het grotestedenbeleid. Gemeenten zouden moeten nagaan hoe zij de sleutelrol die onderwijsvoorzieningen in een wijk vervullen, kunnen benutten om andere noodzakelijke voorzieningen te treffen. Zo kan het onderwijs worden betrokken bij de capaciteitsuitbreiding van de buitenschoolse kinderopvang en bij vormingsactiviteiten en basiseducatie voor volwassenen in de buurt.
  5. De zorgvoorzieningen van een wijk bepalen mede de aantrekkelijkheid van het werken en leven in de wijk en vormen ook een bron van betaalde en vrijwillige werkgelegenheid.
  6. De weg terug naar de arbeidsmarkt kan door een goed beleid van scholing en sociale activering worden vergemakkelijkt; daarnaast heeft sociale activering echter ook intrinsieke betekenis voor diegenen voor wie de weg terug definitief is afgesloten.

De samenwerking met sociale partners en bedrijven
  1. Naast de concrete samenwerking tussen overheid en het bedrijfsleven in projecten en de pluriforme vormgeving van maatschappelijke betrokkenheid door ondernemers, kent de raad belangrijke betekenis toe aan het betrekken van sociale partners bij de beleidsvorming. Een inventarisatie door de raad van huidige overlegvormen in de steden geeft aanleiding om te zoeken naar een betere benutting van sociaal-economisch overleg.
  2. De betrekkelijk losse relatie tussen grotestedenbeleid en arbeidsvoorzieningsbeleid die uit de inventarisatie naar voren lijkt te komen, is voor de raad een punt van zorg. Vanwege het centrale belang dat moet worden toegekend aan bevordering van de arbeidsparticipatie in het kader van het grotestedenbeleid, pleit de raad er dan ook voor sterker inhoud te geven aan de rol van Arbeidsvoorziening in het grotestedenbeleid.
  3. De raad pleit ervoor lokaal 'centraal overleg' met zich committerende ondernemersorganisaties en de vakbeweging een structurele basis en een taakstellend karakter te geven. Daarbij spreekt het concept van de Deventer Ontwikkelingsraad de raad aan. Idealiter zou, naar de mening van de raad, het lokale 'centraal overleg' aan een aantal voorwaarden moeten voldoen:
  • er is sprake van een structurering van overleg en advies rond de meerjarenontwikkelingsplannen, die de grondslag vormen van het grotestedenbeleid;
  • er is sprake van deelname van representatieve vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers, desgewenst ook van externe expertise bijvoorbeeld vanuit de kennisinstellingen;
  • er is - naar analogie van bijvoorbeeld de provinciale SERren- sprake van een klein, maar onafhankelijk secretariaat.
    Gelet op het feit dat het vaak zal gaan om enige herstructurering van reeds bestaand overleg en het beperkte budget dat voor dit overleg nodig is, meent de raad dat binnen de gemeentelijke middelen financiering kan worden gevonden. Ten slotte spreken centrale organisaties vertegenwoordigd in de SER de wens en de bereidheid uit om vanuit hun verantwoordelijkheid de (her)structurering van het sociaal-economische overleg in de steden mede tot stand te brengen.