Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1997 | Representativiteit in een nieuwe Wet Bpr

Representativiteit in een nieuwe Wet Bpr

Advies 1997/10 - 20 juni 1997 

Met het oog op de komende voorstellen van de Europese Commissie heeft de SER het initiatief genomen om dit advies over de hervorming van de Structuurfondsen eigener beweging uit te brengen. Belangrijke overwegingen hierbij vormen de toekomstige uitbreiding van de Unie met enkele Midden- en Oost-Europese landen en de zorgen over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het huidige structuur- en cohesiebeleid.

Download:Volledig advies (234 kB)

Standpunt van de raad

In dit advies geeft het dagelijks bestuur van de raad zijn oordeel over de door het kabinet voorgestelde regeling van de representativiteit in de Wet Bpr. Het constateert dat dit voornemen een plaats heeft binnen een bredere context.

Om te beginnen gaat het daarbij om de voorgenomen vernieuwing van de Wet Bpr. Daarbij gaat het kabinet uit van de handhaving van de mogelijkheid tot verplichtstelling van beroepspensioenregelingen, met een verscherping van de voorwaarden waaronder de verplichtstelling wordt verleend. Naast wijzigingen op het punt van de representativiteit, worden aanpassingen voorzien met het oog op een grotere keuzevrijheid voor de deelnemer ten aanzien van de uitvoering van de beroepspensioenregeling en ten aanzien van het pensioenpakket alsmede voorschriften ten aanzien van de transparantie van pensioenregelingen.

Van belang voor het thans ter advisering voorgelegde voornemen zijn ook de actuele ontwikkelingen met betrekking tot de verplichtstelling van pensioenregelingen voor werknemers; deze ontwikkelingen wijzen in een aantal opzichten in dezelfde richting. Ook hier heeft het kabinet gekozen voor handhaving van de mogelijkheid van verplichtstelling, onder aanpassing van de regelgeving. Zo is het kabinet onder meer van plan de representativiteitseis in de Wet Bpf te objectiveren en het vrijstellingsregime voor ondernemingen en voor werknemers te verruimen.

Over het instrument van verplichtstelling van bedrijfspensioenfondsen (voor werknemers) heeft de raad zich in zijn recente advies Werken aan zekerheid per saldo in positieve zin uitgesproken. Hij gaf daarbij aan ook voor de langere termijn uit te gaan van handhaving van de mogelijkheid van verplichtstelling, met een verruiming van de vrijstellingsmogelijkheden. Wat dit laatste betreft werd verwezen naar het lopende overleg hierover tussen het kabinet en de Stichting van de Arbeid over de kabinetsvoornemens in de nota Naar meer marktwerking in de pensioensector (1).

De hierboven geschetste context beschouwt het dagelijks bestuur als een gegeven. In dit advies richt het zich dan ook alleen op hetgeen in de thans voorliggende adviesaanvraag aan de orde wordt gesteld, te weten het aspect van de representativiteit in het kader van de hier aan de orde zijnde Wet Bpr. Samengevat gaat het hierbij om de kabinetsvoorstellen terzake van de zogeheten uitsluitend-pensioenvereniging, het 60-procentsvereiste en de periodieke toets.

Wat de uitsluitend-pensioenvereniging betreft, merkt het dagelijks bestuur op zich te kunnen vinden in de achterliggende overwegingen ten aanzien van een vergroting van de betrokkenheid van de deelnemers bij pensioenen en een meer directe invloed op de besluitvorming terzake. Door de besluitvorming over de pensioenvoorziening voor beroepsgenoten binnen een specifiek daarop toegesneden kader te laten plaatsvinden, wordt deze losgekoppeld van de besluitvorming over andere onderwerpen die in het bredere verband van de beroepsorganisatie aan de orde komen. Voor onderwerpen die geen enkele relatie hebben met de pensioenvoorziening kan dit het voordeel hebben dat vooral ook in financieel opzicht een zuiverder afweging mogelijk wordt. Het dagelijks bestuur acht het evenwel van belang dat het maken van integrale afwegingen betreffende andere sociaal-economische aangelegenheden daarbij niet wordt bemoeilijkt. Het acht het in het bijzonder ongewenst indien de besluitvorming over de pensioenvoorziening wordt geïsoleerd van andere onderdelen van het inkomensbeleid voor beroepsgenoten. Tegen deze achtergrond bepleit het dagelijks bestuur ten aanzien van de organisatie die verplichtstelling kan vragen, uit te gaan van een vereniging met als doelstelling de behartiging van de sociaal-economische belangen van beroepsgenoten, waaronder begrepen de pensioenvoorziening. Het geeft voorts in overweging na verloop van tijd te evalueren in hoeverre het nieuwe voorschrift effectief is (2).

Ten aanzien van het 60-procentsvereiste constateert het dagelijks bestuur om te beginnen dat het noemen van een vast percentage in de wet het voordeel heeft dat voor betrokkenen duidelijkheid ontstaat. Anderzijds moet worden vastgesteld dat een vaste wettelijke norm geen ruimte laat om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Waar het kabinet van plan is voor de kwantitatieve invulling van de representativiteitseis aansluiting te zoeken bij het beleid in het kader van de Wet avv, stelt het dagelijks bestuur vast dat ook daar geen vaste wettelijke norm geldt. Ten aanzien van de in de loop der jaren ontwikkelde kwantitatieve avv-criteria kan voorts worden geconstateerd, dat deze reeds geruime tijd worden toegepast en praktisch hanteerbaar zijn gebleken. Zij leiden voorts niet tot problemen.

Deze kwantitatieve criteria lenen zich op zichzelf genomen ook voor de meting van het draagvlak in het kader van de Wet Bpr. Bijzondere redenen om bij beroepsgenoten een andere representativiteitseis te stellen acht het dagelijks bestuur niet aanwezig. Ten aanzien van de formulering van de kwantitatieve representativiteitseis in de wet beveelt het dagelijks bestuur vervolgens aan te kiezen voor de bepaling dat de organisatie "een naar het oordeel van de minister belangrijke meerderheid van beroepsgenoten" dient te vertegenwoordigen, waarbij in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat in beginsel wordt uitgegaan van een organisatiegraad van ten minste 60 procent. Aldus blijft er enige ruimte rekening te houden met bijzondere omstandigheden.

Ten slotte kan het dagelijks bestuur instemmen met de introductie van de periodieke toets van de representativiteit van de bij de pensioenregeling betrokken beroepsvereniging. Het acht het van belang dat periodiek zicht wordt geboden op het draagvlak voor de verplichtgestelde beroepspensioenregelingen. Wat de keuze voor een periode van vijf jaar betreft, merkt het dagelijks bestuur op dat een langere of kortere periode op zichzelf genomen ook denkbaar is. De keuze voor een periode van vijf jaar stuit bij hem echter niet op bezwaren.


 

  1. SER-advies Werken aan zekerheid , publicatienr. 97/05 II, Den Haag 1997, p. 575.
  2. Volledigheidshalve wordt hier vermeld dat een van de leden van de commissie van voorbereiding benoemd op voordracht van het Contactcentrum Vrije Beroepen, een ander standpunt heeft ingenomen. Dit lid acht het wenselijk dat de behartiging van de pensioenbelangen van beroepsgenoten kan blijven plaatsvinden door de bestaande beroepsorganisaties. Het vreest dat aanpassing van de regelgeving terzake aanleiding geeft tot het opzetten van constructies, een ontwikkeling die op gespannen voet zou staan met de doelstellingen van de MDW-operatie.