ICT en arbeid

Advies 1997/09 - 19 september 1997

Op 22 januari 1997 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Sociaal-Economische Raad (SER) om advies gevraagd over de hoofdthema's in het Groenboek 'Leven en Werken in de Informatiemaatschappij: de mens voorop'.

Download:Volledig advies (317 kB)

Samenvatting

Inleiding

Op 22 januari 1997 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Sociaal-Economische Raad (SER) om advies gevraagd over de hoofdthema's in het Groenboek 'Leven en Werken in de Informatiemaatschappij: de mens voorop'. Dit Groenboek is in juli 1996 door de Europese Commissie gepubliceerd met als doel het debat over de ontwikkeling van de Europese informatiemaatschappij te stimuleren. In de adviesaanvraag wordt de raad gevraagd nadrukkelijk aandacht te besteden aan de relatie tussen informatisering en arbeidsmarkt.

Voor informatie- en communicatietechnologie (ICT) wordt in het advies de volgende definitie gehanteerd: ICT is een verzamelbegrip en heeft betrekking op technologieën die worden gebruikt voor het verzamelen, opslaan, bewerken en doorgeven van informatie in uiteenlopende vormen (data, beeld, geluid). De toepassing van ICT wordt ook wel informatisering genoemd. Het begrip 'informatisering' is daarmee een verbijzondering van de term 'automatisering'; automatisering met behulp van informatietechnologie. ICT zelf is een bepaalde vorm van technologie die door toepassing verregaande gevolgen kan hebben voor structuur en cultuur van het (arbeids)leven. Het is daarbij niet zozeer de technologie die de effecten op de kwaliteit van arbeid bepaalt, maar de wijze waarop het toepassen van die technologie wordt georganiseerd.

De ontwikkelingen op het terrein van automatisering, informatisering en telecommunicatie zijn niet nieuw. Wel is er sprake van een stroomversnelling in de technologische ontwikkeling die naar verwachting de komende jaren zal aanhouden en wellicht nog een verdere versnelling te zien zal geven. ICT is enerzijds onderdeel van deze ontwikkeling, anderzijds initieert en facilieert zij deze ontwikkeling.

Dit advies richt zich op de ontwikkelingen rond ICT voor de kwantiteit en de kwaliteit van arbeid. Deze worden op verschillende niveaus geduid: de werkgelegenheid op macroniveau, de werkgelegenheidsstructuur op meso- en microniveau, de organisatie van de arbeid, de functiestructuur (ontwikkelingen in en van beroepen) en de arbeidsinhoud op microniveau.


ICT en arbeid

De invloed die ICT uiteindelijk zal hebben op het totaal van de werkgelegenheid is niet duidelijk. Een conclusie die wel getrokken kan worden is dat ICT grote gevolgen zal hebben voor de positie van sectoren en bedrijven in de economische structuur. Binnen de keten van producent tot cliënt zullen tussenschakels verdwijnen, doordat bepaalde ondernemingen hun eigenlijke functie verliezen, maar er zal ook nieuwe bedrijvigheid ontstaan. Daarmee zal ICT ook gevolgen hebben voor de verdeling van de werkgelegenheid over de sectoren en voor de vraag naar arbeid voor de verschillende beroepen. Ondanks de conclusie dat de gevolgen van ICT veelomvattend zijn en vele, zo niet alle, werknemers zullen raken, moet tevens geconstateerd worden dat de ontwikkelingen nog niet voldoende zijn uitgekristalliseerd om een duidelijk beeld te hebben van de daadwerkelijke consequenties voor de werkgelegenheidsontwikkeling en de vraag naar arbeid.

De ontwikkelingen op het terrein van informatisering hebben gevolgen voor de manier van werken binnen bedrijven, voor de ontwikkeling van en binnen beroepen en functies (functiestructuur) en voor de kwaliteit van de arbeid. Voor de factor arbeid betekent dit veelal een toename van de complexiteit van het werk. De opleidingseisen gaan omhoog en er wordt veel waarde gehecht aan algemene kwalificaties. Tegelijkertijd neemt in het algemeen de autonomie af van de werknemers die direct met automatisering te maken hebben. Soms echter blijkt stijgende complexiteit samen te gaan met een gelijkblijvende mate van autonomie. De kwaliteit van de arbeid wordt naast autonomie ook door andere factoren beïnvloed. Aan de geschetste ontwikkelingen zijn ook aspecten verbonden als een toename van tijdelijke arbeid, toenemend isolement van werknemers op de werkplek, onregelmatiger arbeidstijden, verkorte carrièrelijnen en onderbenutting die negatief kunnen uitwerken op de kwaliteit van de arbeid en de arbeidssatisfactie.

Automatisering en innovatie leiden dus enerzijds tot hogere opleidingseisen, anderzijds heeft een goede en hoge kwaliteit van de arbeid tot gevolg dat automatisering en innovatie beter en eenvoudiger kunnen worden in- en doorgevoerd. Dit vormt een extra impuls om te investeren in de kwaliteit van de arbeid.


Bevindingen en aanbevelingen

In zijn advies stelt de raad, zoals gevraagd, de gevolgen van ICT voor arbeid centraal. Daarmee wordt benadrukt dat de informatiemaatschappij niet alleen een technologisch fenomeen is, maar ook en vooral een sociaal fenomeen behoort te zijn. Voor de raad betekent dit dat bij ICT-ontwikkelingen en hun gevolgen geen sprake is van technologisch determinisme, maar dat zowel wat de toepassing van technologie betreft als wat de toepassing van organisatiemodellen betreft, keuzes mogelijk zijn. De keuze inzake de toepassing van technologie en de toepassing van organisatiemodellen is primair een zaak van de onderneming. De sociale inbedding van de veranderingen kan een onderwerp van overleg tussen sociale partners zijn en in sommige gevallen ook met de overheid.

Het saldo van de werkgelegenheidseffecten van ICT op lange termijn is onduidelijk; wel is zeker dat zich binnen afzienbare termijn grote veranderingen in aantal en kwaliteit van arbeidsplaatsen binnen en tussen sectoren zullen voordoen. In het Groenboek en de kabinetsreactie wordt weinig aandacht gegeven aan deze 'overgangsperiode'. De raad meent dat dit onterecht is. De aandacht moet juist gericht worden op de ontwikkeling van de werkgelegenheid in die overgangsperiode. Daarbij zijn sociale consequenties voor de kwantiteit en kwaliteit van de arbeid nadrukkelijk aandachtspunt.

De raad meent dat, vanwege het belang van een concurrerend bedrijfsleven, een rol voor de overheid is weggelegd waar het gaat om het bevorderen van de toepassing van ICT. De toepassingen van ICT roepen een groot aantal juridische vragen op. De raad vindt het van belang dat voor deze juridische vraagstukken regelingen worden getroffen die passen bij de aard van ICT: dat wil zeggen dat in de regelgeving basisconcepten en basisnoties centraal moeten staan, niet de regulering van tal van steeds sneller veranderende details en technische specificaties. Naast een nationale aanpassing van rechts-regels dient ook bezien te worden of en hoe rechtsregels die samenhangen met het grensoverschrijdend karakter van ICT ingepast kunnen worden in een Europees of een ander internationaal kader. Een andere belangrijke rol voor de overheid is het stimuleren en initiëren van het gebruik van de mogelijkheden die ICT biedt. Dit kan door (samenwerkende) brancheorganisaties behulpzaam te zijn, deze samenwerking te bevorderen, door voor-lichting te geven in het bijzonder aan ondernemers en werknemers in het midden- en kleinbedrijf te geven en door (tijdelijke) subsidiëring van bedrijfsgerichte technologische samenwerking, quick scans en IT-plannen.

De raad onderschrijft de notie dat het proces van omschakeling van arbeidsplaatsen om een actief arbeidsmarktbeleid vraagt. Een dergelijk beleid kan niet optimaal zijn als alleen binnen de sector of bedrijfstak geopereerd kan worden. Het vraagt om de wil van sociale partners tot intersectoraal overleg en het kan vragen om een heroriëntatie op de regelgeving. Ook werknemers, ondernemingsraden en vakbonden hebben hierin een verantwoordelijkheid. De overheid kan een dergelijk beleid ondersteunen door:
  • het waar nodig wegnemen van belemmeringen als gevolg van regelgeving;
  • het stimuleren van samenwerking tussen bedrijven, werkgevers en werknemers over de traditionele sectorgrenzen heen;
  • financiële tegemoetkoming in de kosten van vernieuwende scholings- en bemiddelingsactiviteiten zoals die in het kader van ICT worden gemaakt door bijvoorbeeld werknemers- en werkgeversorganisaties in samenwerkingsverbanden.
De met de (keuze voor een) arbeidsorganisatie samenhangende vraagstuk-ken zullen in de komende jaren veel aandacht vragen. Bedrijven moeten, voor zover nog nodig, doordrongen worden van het belang van ICT en het belang van de organisatie van arbeid voor hun functioneren en voor hun positie in het economisch krachtenveld. Een actieve aanpak van branche- organisaties is daarbij van groot belang. Vanwege het brancheoverschrijdende karakter van ICT zal samenwerking tussen brancheorganisaties, tussen ondernemers- en werknemersorganisaties op decentraal niveau (over branche- en sectorgrenzen heen) en tussen grote en kleine bedrijven juist op het terrein van ICT veel voordeel kunnen opleveren. De overheid kan een belangrijke impuls geven door het verzamelen en verspreiden van voorbeelden van succesvolle veranderingen (reden, opzet, invoering enzovoorts).

De raad is van oordeel dat 'telewerknemers' op een gelijkwaardige wijze behandeld moeten worden als 'traditionele' werknemers. De opvattingen uit de Nota Flexibiliteit en Zekerheid zouden ook expliciet moeten gelden voor telewerk. Anderzijds meent de raad dat de mogelijkheden die ICT via telewerk biedt voldoende kansen moeten krijgen, echter zonder dat de beschermende werking van de arbeidswetgeving en de sociale zekerheidswetgeving te kort wordt gedaan. Nieuwe technologieën en nieuwe mogelijk-heden vragen ook hier om nieuwe evenwichten.

De raad benadrukt het belang van goed initieel onderwijs en scholing om te kunnen reageren en anticiperen op de veranderingen die samenhangen met de informatisering. Daarnaast beveelt de raad aan om ten behoeve van het bedrijfsleven scholingsadviseurs aan te stellen (die onder voorwaarden voor een deel voor rekening van de overheid kunnen komen). Zij kunnen werkgevers en werknemers assisteren bij de analyse van scholingsbehoeften en bij het ontwikkelen van opleidingsplannen in het kader van ICT. De ontwikkeling van ICT vraagt ook aandacht voor de manier waarop scholing wordt georganiseerd en de hulpmiddelen en lesmaterialen die daarbij worden gebruikt. De raad meent dat het kabinet de hier genomen initiatieven met kracht moet voortzetten.

Ten slotte vraagt de raad aandacht voor de financiële aspecten van scholing en kennisvermeerdering in bedrijven. De informatiemaatschappij maakt 'een leven lang leren' noodzakelijk. Dit vraagt om het zoeken naar een nieuwe verdeling van de financiële en organisatorische verantwoordelijkheid voor onderwijs en scholing tussen overheid, bedrijven, instellingen en individuen. Daarnaast maakt het toenemend belang van kennis onderzoek nodig naar de mogelijkheden voor bedrijven om de investeringen in kennis te verantwoorden in hun balans. De raad meent dat de financiële aspecten vragen om een discussie tussen alle betrokkenen, om op die manier te komen tot een gezonde basis voor toekomstige ontwikkelingen.