Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1997 | Tweedelijnsinfrastructuur arbeidsomstandigheden

Tweedelijnsinfrastructuur arbeidsomstandigheden

Advies 1997/35 - 3 juli 1997
Commissie Arbeidsomstandigheden

In de adviesaanvraag Heroriëntatie arbobeleid en Arbowet wordt voorgesteld de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbobeleid te versterken.

Download:Volledig advies (926 kB)

Samenvatting


Hoofdstuk 5: Visie van de Commissie Arbeidsomstandigheden op de tweedelijnsinfrastructuur

Algemeen
   

In de adviesaanvraag Heroriëntatie arbobeleid en Arbowet wordt voorgesteld de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbobeleid te versterken. Het kabinet acht de ontwikkeling en instandhouding van een goede advies- en onderzoeksinfrastructuur voor de ontwikkeling van het beoogde stelsel van grote betekenis.
Voor het instandhouden van deze infrastructuur zijn naar het oordeel van het kabinet in eerste instantie de betrokken partijen en belanghebbenden zelf verantwoordelijk. Omdat ook de overheid voor onderzoek en informatievoorziening afhankelijk is van deze infrastructuur, is zij in de zienswijze van het kabinet medeverantwoordelijk voor het tot stand komen van de noodzakelijke infrastructuur en zal zij de totstandkoming ervan waar mogelijk bevorderen.

In het verlengde van het advies van de raad over Heroriëntatie arbobeleid en Arbowet onderschrijft de commissie dat voor de toekomstige ontwikkeling van het arbeidsomstandighedenbeleid een goede advies- en onderzoeksinfrastructuur van grote betekenis is. Anders dan het kabinet in de adviesaanvraag is de commissie evenwel van oordeel dat de overheid, als eindverantwoordelijke voor het arbeidsomstandighedenbeleid op nationaal niveau, een primaire verantwoordelijkheid heeft voor de instandhouding en ontwikkeling van een tweedelijnsinfrastructuur. Het geheel overlaten van de onderzoeks- en adviesfunctie aan de markt zal naar het oordeel van de commissie negatief uitpakken, omdat een aantal producten en diensten van de tweedelijn niet individualiseerbaar is en niet direct economisch nut oplevert voor de markt. In dat geval wordt de zelfwerkzaamheid van de verantwoordelijken voor de nadere invulling van het arbobeleid onvoldoende ondersteund.

Anders gezegd: de overheid zal juist met betrekking tot de aansturing en financiering van de tweedelijn een structurele rol moeten blijven spelen.

Deze verantwoordelijkheid van de overheid voor het algemeen belang kan volgens de commissie mede steunen op de volgende overwegingen. Om te voorkomen dat de markt alleen oog heeft voor deelbelangen (op micro- of mesoniveau) moet de overheid investeren in de onderzoeks- en adviesfunctie van de tweedelijn. De overheid heeft daar zélf ook een groot belang bij vanuit de gedachte dat de ontwikkelingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en uitval 'gemonitord' moeten worden. Verder dragen overheidsinvesteringen in de preventieactiviteiten van de tweedelijn bij aan het verlagen van de publieke kosten van ziekte en arbeidsongeschiktheid en kunnen deze een bijdrage leveren aan het reïntegreren van arbeidsgehandicapten. Het ruimte geven aan en stimuleren van deze activiteiten past dan ook in het algemene overheidsbeleid dat is gericht op vermindering van het beroep op sociale zekerheid, beperking van de inactiviteit en het beheersen of waar mogelijk beperken van het beroep op de gezondheidszorg.
Tot slot wordt gewezen op het feit dat overheidsinvesteringen in de tweedelijn kunnen bijdragen aan de technologische en innovatieve kwaliteiten van de Nederlandse economie.

Hoewel de overheid dus een voortrekkersrol dient te vervullen bij de ontwikkeling en instandhouding van de infrastructuur, meent de commissie dat de rol van de andere partijen in de zorg voor met name de tweedelijn kan worden verbeterd. Allereerst zal de verplichte aansluiting van arbeidsorganisaties bij gecertificeerde Arbodiensten hieraan kunnen bijdragen. Verder kan de overheid bevorderen dat andere partijen, al dan niet gezamenlijk, via projectfinanciering hun bijdrage leveren aan de instandhouding van de tweedelijnsinfrastructuur. Tevens zal er een betere afstemming moeten komen tussen betrokken partijen en de organisaties die werkzaam zijn in de tweedelijns onderzoeks- en adviesinfrastructuur. De afstemming dient ook betrekking te hebben op inhoudelijke arboaspecten om de beschikbare gelden zo effectief mogelijk in te zetten en om negatieve effecten van de marktwerking ­ en de daarmee samenhangende te sterke gerichtheid op deelbelangen ­ weg te nemen.

Financiering
   
In deze paragraaf wordt een aantal mogelijkheden verkend van de wijze waarop de verschillende belanghebbenden volgens de commissie zouden kunnen bijdragen aan de instandhouding van de tweedelijn; de mogelijkheden worden per betrokken partij beschreven. De erkenning van het belang van de bevordering van de zelfwerkzaamheid en een grotere bijdrage van andere belanghebbenden betekent niet dat de rol van de overheid kan worden beperkt. Een en ander is mede afhankelijk van de toekomstige behoefte aan informatie, onderzoek en andere activiteiten van de tweedelijn.

Arbodiensten
     
De commissie constateert dat de Arbodiensten in deze fase van hun ontwikkeling nog weinig bereidheid tonen tot een gezamenlijke aanpak van onderzoeks- en ontwikkeltaken. Dit is vooral een gevolg van het feit dat Arbodiensten als aanbieders in een 'vrije markt' als concurrenten ten opzichte van elkaar opereren. Naar het oordeel van de commissie zou de overheid in deze fase van ontwikkeling het initiatief moeten nemen om met de Branche Organisatie Arbodiensten (BOA) in overleg te treden over de mogelijkheden om in opdracht van een aantal of de gezamenlijke Arbodiensten op basis van projectfinanciering onderzoeks-, ontwikkel-, opleidings- en overdrachtsactiviteiten door de tweedelijnsinfrastrucuur te laten uitvoeren. Een gezamenlijke opdrachtverlening kan voorkomen dat afzonderlijke Arbodiensten 'het wiel uitvinden' en kan leiden tot een efficiëntere besteding van de middelen die Arbodiensten voor onderzoek en ontwikkeling willen of kunnen inzetten. In geval van gezamenlijke opdrachtverlening zou de BOA namens de Arbodiensten kunnen optreden als opdrachtgever in de richting van de organisaties uit de tweedelijns onderzoeks- en adviesinfrastructuur. Hiervan uitgaande kan er sprake zijn van een gecoördineerde bijdrage (via project- of doelfinanciering gekoppeld aan welomschreven opdrachten of programma's) van de tweedelijnsinfrastructuur.

Verzekeraars
   
Ook verzekeraars zouden volgens de commissie kunnen worden gestimuleerd om arbo-onderzoek op te starten respectievelijk verder te ontwikkelen. Logischerwijs zullen de verzekeraars vooral onderzoek laten verrichten dat dicht aansluit bij hun wensen, bijvoorbeeld het onderzoek naar het voorkomen of beperken van beroepsziekten. De financiële bijdrage die verzekeraars zouden kunnen leveren, kan enerzijds uit projectfinanciering en anderzijds uit doelfinanciering bestaan. 
      
Uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen
    
Het belang van de uitvoeringsinstellingen bij de infrastructuur is gelegen in de mogelijke bijdrage aan het beperken van de instroom in de WAO. Het Landelijk instituut voor sociale verzekeringen (Lisv) kan, zoals ook thans reeds het geval is, aan de tweedelijn via projectfinanciering opdrachten in de sfeer van preventie-activiteiten en onderzoek verstrekken. Het Lisv kan in casu optreden als opdrachtgever namens de uitvoeringsinstellingen (uvi's) in de richting van de organisaties en instanties in de tweedelijns onderzoeks- en adviesinfrastructuur. Het Lisv zou jaarlijks tegenover de overheid en de uvi's verantwoording kunnen afleggen over de langs deze weg gefinancierde projecten. Eventuele belemmeringen in de wetgeving voor het entameren van deze activiteiten gericht op preventie en beperking van het beroep op met name de wettelijke arbeidsongeschiktheidsregelingen zouden, naar het oordeel van de commissie, moeten worden weggenomen. 
      
Bedrijfstakorganisaties
    
Ook bedrijfstakorganisaties hebben belang bij onderzoeks- en adviesactiviteiten van de tweedelijnsinfrastructuur, vooral als deze voor de gehele bedrijfstak of branche van belang zijn. Gestimuleerd kan worden dat op bedrijfstakniveau afspraken worden gemaakt over de financiering van deze activiteiten. Daarbij zou, bijvoorbeeld via het geëigende instrument van het overleg in de bedrijfstak, in grove lijnen kunnen worden aangegeven welke doelstellingen worden nagestreefd en welke activiteiten of activiteitenprogramma's zullen worden gefinancierd. De financiële middelen kunnen naar het oordeel van de commissie worden ingezet om onderzoek, instrumentontwikkeling, opleiding, training en voorlichting verder toe te spitsen op de bedrijfstak of branche. Alleen de bedrijfstakorganisaties zijn in staat op deze wijze resultaten te boeken. Arbodiensten, verzekeraars en certificerende instellingen zijn namelijk niet of nauwelijks naar bedrijfstak of branche georganiseerd. 
        
Bedrijven
            
Individuele bedrijven zullen door middel van projectfinanciering overwegend fungeren als opdrachtgevers en afnemers van tweedelijns-diensten en op die wijze de tweedelijn ondersteunen. Bedrijven zullen immers vooral de eigen bedrijfsproblematiek voorop willen stellen en willen voorkomen dat de concurrentie profiteert van de opbrengsten die één partij heeft gefinancierd.

Overheid
    
De hierboven genoemde partijen en instellingen hebben alle belang bij een goed functionerende tweedelijnsinfrastructuur. Desondanks leert de ervaring dat deze partijen en instellingen niet snel geneigd zijn om middelen structureel, al dan niet via fondsvorming, ter beschikking te stellen. Redenen daarvoor kunnen zijn dat het niet als een eigen taak wordt beschouwd of dat men veronderstelt dat fondsvorming een eigen leven gaat leiden. Hoe verschillend hierover ook kan worden gedacht, dit laat onverlet dat de tweedelijnsinfrastructuur naar het oordeel van de commissie verzekerd moet zijn van een adequate financiering. Gezien het algemeen belang dat hier aan de orde is, acht de commissie het juist een taak van de overheid hiervoor zorg te dragen. Het bedrijfsleven levert met het instandhouden van de eerstelijnsinfrastructuur en via projectfinanciering al een aanzienlijke financiële bijdrage. 
       

Afstemming en overleg
       
De overheid als structurele financier en belangrijke opdrachtgevers en afnemers als Arbodiensten en Lisv (via projectfinanciering) zouden naar het oordeel van de commissie een platform moeten instellen ten behoeve van de afstemming en coördinatie van activiteiten in de tweedelijn. In dat platform zouden tevens vertegenwoordigers van de overige belanghebbenden en gebruikers (bedrijfstakorganisaties, verzekeraars en bedrijven) kunnen participeren. Als derde partij zouden de vertegenwoordigers van de universitaire en buiten-universitaire instellingen hierin zitting kunnen nemen.
De belangrijkste doelstellingen van het platform zijn:

  1. overleg en afstemming tussen de overheid, Arbodiensten, Lisv, sociale partners, verzekeraars, certificerende instellingen en de instellingen uit de tweedelijn over de producten en diensten van de tweedelijn alsmede over de relatie tussen de eerstelijn en de tweedelijn;
  2. het van gedachten wisselen over prioriteitstelling en het waar mogelijk coördineren van activiteiten.
De commissie is van oordeel dat het ministerie van SZW de verantwoordelijkheid op zich dient te nemen om op te treden als initiator en coördinator van het platform. Het platform moet volgens de commissie geen executieve bevoegdheden krijgen maar zal zich primair moeten richten op het op gang brengen van de communicatie over en de coördinatie van de activiteiten in de tweedelijn. De uitkomst daarvan zou dienen te worden gepubliceerd zodat andere actoren worden gestimuleerd op de programma's in te spelen. Het platform zou tevens tot taak kunnen hebben in overleg met de overheid en andere actoren de mogelijkheden te bezien van afstemming van de door hen voorgenomen activiteitenprogramma's. Naar het oordeel van de commissie behoeft er geen nieuwe organisatie met een eigen secretariaat in het leven te worden geroepen. Denkbaar is dat de ondersteuning van het platform wordt ondergebracht bij de SER.
Het platform zou zich in het bijzonder moeten richten op de zes taken van de tweedelijnsinfrastructuur. 
       

Onderzoek

Voor het platform acht de commissie overleg over en afstemming van de onderzoekstaken van de tweedelijn van cruciale betekenis. Immers de resultaten daarvan vormen de basis voor de andere taken. Zonder onderzoek stokken deze activiteiten.

Op dit moment bestaat er geen landelijk overleg of een landelijke structuur met als doel het stimuleren en coördineren van verkenningen en het adviseren over de prioriteitstelling van onderzoeksprogramma's en ontwikkelingsprojecten. Hier ligt dan ook een taak voor het platform. Verder is er thans weinig afstemming tussen enerzijds het strategisch onderzoek bij universitaire instellingen en anderzijds het toegepaste onderzoek bij vooral niet-universitaire instellingen. Ook hier kan het platform naar het oordeel van de commissie een belangrijke coördinerende rol vervullen.

De aandachtsgebieden voor arbo-onderzoek zijn al uitgebreid in kaart gebracht door de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) (1) .  Uitgaande van de RGO-studie kiest de commissie voor de volgende aandachtsgebieden:

  1. Het aanduiden van inhoudelijke thema's voor onderzoek (met name ten behoeve van het vaststellen van de relatie tussen blootstelling en effect). Hier kunnen thema's aan de orde komen als stress en welzijn in de arbeid, de belastbaarheid van het bewegingsapparaat en veiligheid in relatie tot fysische, chemische en biologische factoren.
  2. Het bedenken, implementeren en evalueren van maatregelen. Hieronder kan vallen onderzoek naar onderwerpen als: de kosten-batenanalyse van arbomaatregelen en de wijze waarop wordt bevorderd dat mensen in eigen werksituatie zelf oplossingen bedenken voor het tot stand brengen van organisatorische verbeteringen om ongevallen te voorkomen.
  3. Sociaal-medische begeleiding en reïntegratie in de arbeid. Hierbij kan het gaan om onderzoek naar onderwerpen als: bevorderende en belemmerende factoren voor terugkeer in het werk, preventiegericht verzuimbeleid en behandelpakket en strategieën voor arbeidsrevalidatie.
  4. Arbozorg en arbodienstverlening. Hier kunnen onderwerpen aan de orde komen als: arbozorg in het midden- en kleinbedrijf, effectiviteit van instrumenten (PAGO, aanstellingskeuring, verzuimspreekuur) en bevorderen van preventiegerichtheid binnen Arbodiensten.

Het door het RGO-onderzoek geschetste beeld wordt ook door andere bronnen ondersteund. Zo komt bijvoorbeeld in de Trendrapportage arbeid en gezondheid 1996 naar voren dat er behoefte bestaat aan kennis van en onderzoek naar de effecten van mentale arbeidsbelasting (2).

In een studie, verricht door de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, naar de aanpak van arbeidsomstandigheden in verschillende Europese Unie-lidstaten, komt een beeld naar voren dat duidt op een behoefte aan onderzoek naar kosten en baten van arbomaatregelen en naar de effecten van stress op de gezondheid van werknemers, maar ook andere activiteiten worden van belang geacht (3) . 
      

Ontwikkeling
     
Alle betrokken partijen verstrekken regelmatig opdrachten aan instanties en organisaties uit de tweedelijn ter bevordering van de ontwikkeling van instrumenten en methoden in het kader van het arbobeleid. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • De ontwikkeling van het Zelfdiagnose-instrument voor Arbodiensten . Het betreft een hulpmiddel voor intern kwaliteitsbeleid van Arbodiensten. Het instrument is ontwikkeld door de Stichting Kwaliteitsbevordering Bedrijfsgezondheidszorg in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen.
  • De ontwikkeling van diverse branchegerichte risicoinventarisatie en -evaluatie- instrumenten.
  • De ontwikkeling van de WEBA(Welzijn bij de arbeid)-methode , welke is bedoeld om werkstress en psychische arbeidsbelasting te meten.
  • De ontwikkeling van een diagnostiek 'beroepsziekten'.
Veel van deze ontwikkelingswerkzaamheden worden ad hoc verricht, waardoor geen gebruik wordt gemaakt van reeds ontwikkelde knowhow elders. Een betere afstemming tussen de diverse opdrachtgevers acht de commissie op haar plaats om dubbel werk te voorkomen en lacunes op te sporen. Het platform kan hier het voortouw nemen en in zijn taakstelling specifiek aandacht besteden aan de ontwikkeling van instrumenten en methodieken.
   

Opleiden 
        
Een van de knelpunten van de huidige arbo-opleidingen is dat ze gericht zijn op specifieke deskundigheden en vaardigheden, terwijl de markt (Arbodiensten en bedrijfsleven) ook vraagt om functionarissen die in staat zijn een meer integrale dienstverlening te leveren. Er zou naar het oordeel van de commissie binnen de opleidingen zowel aandacht moeten worden besteed aan het aanleren van de vereiste specifieke deskundigheid en de daarbij behorende operationele vaardigheden van de verschillende categorieën deskundigen, als aan de mogelijkheden om over de grenzen van het eigen vakgebied heen te kijken (4).

Hierdoor is een meer integrale dienstverlening mogelijk en kan worden ingespeeld op de mogelijkheden binnen de arbeidsorganisaties welke gegeven de stand van de techniek aanwezig zijn (5).

De commissie constateert dat op het gebied van het opleiden van arbodeskundigen al een vorm van samenwerking bestaat. Dit 'losse' samenwerkingsverband van arbo-opleidingsinstanties opereert onder de naam: Overleg Arbo Opleidingen (OAO). Het is de bedoeling van het OAO om met elkaar samen te werken, zodat de interdisciplinaire samenwerking tussen de arbodeskundigen wordt bevorderd.

De commissie wijst daarnaast op het belang dat niet alleen specifieke arbodeskundigen worden opgeleid maar dat ook in andere opleidingen en meer in het bijzonder in de sfeer van de beroepsopleidingen aan vraagstukken op het gebied van de arbeidsomstandigheden aandacht wordt besteed. 
        

Overdracht 
        
De overdracht van onder meer wetenschappelijke, beleidsmatige en overheidsinformatie inzake arbeidsomstandigheden acht de commissie essentieel zowel voor de arbodeskundige als voor anderen die beroepsmatig bij dit onderwerp zijn betrokken. Het voorhanden hebben van een documentair informatiesysteem is daarvoor onontbeerlijk. Zo'n documentair informatiesysteem bestaat uit een attenderingssysteem (bijvoorbeeld een knipselkrant), een documentatiesysteem (bijvoorbeeld het snel kunnen vinden van informatie over een bepaald onderwerp), een documentleveringssysteem (het snel ter beschikking krijgen van het gewenste document) en een ondersteuningssysteem (het gebruik maken van een informatiespecialist om de gewenste documenten op te zoeken).

Bestaande informatievoorzieningen zouden naar het oordeel van de commissie meer en beter met elkaar dienen samen te werken zodat kosten kunnen worden bespaard en de effectiviteit kan worden verhoogd. In dat verband is van belang dat ook gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die Internet biedt. Het platform zou volgens de commissie moeten streven naar een verdere stroomlijning van de documentaire informatievoorziening op het terrein van arbeidsomstandigheden. 
        

Informatievoorziening 
       
Internet zou in het kader van de informatievoorziening gebruikt kunnen worden als een gemakkelijk toegankelijke bron van arboinformatie. De overheidsinformatie (wetgeving, toelichting, beleidsregels enzovoort) kan gemakkelijk op Internet worden geplaatst. Tevens zou overwogen kunnen worden de resultaten van met algemene middelen gefinancierd onderzoek op Internet te zetten.

Indien deze informatie vrijelijk beschikbaar en toegankelijk is kan hiervan een grote voorlichtende waarde uitgaan, vooral in de richting van het midden- en kleinbedrijf alsmede in de richting van werknemers en ondernemingsraden. De commissie realiseert zich dat momenteel nog een minderheid van de potentiële gebruikers over Internet-faciliteiten beschikt. Uit het jaarboek van de Europese Telecommunicatie 1996 blijkt echter dat het aantal gebruikers zeer snel groeit. Te verwachten valt dan ook dat binnen een tijdsbestek van enkele jaren een meerderheid toegang heeft tot dit medium. Tot dat moment, maar ook daarna, kunnen organisaties als Arbodiensten en werkgevers- en werknemersorganisaties deze op Internet beschikbaar gestelde informatie eenvoudig, al dan niet bewerkt, omzetten in schriftelijke informatie.
Het leggen van een zwaar accent op de informatieverschaffing via Internet sluit volgens de commissie bovendien goed aan bij de verplichtingen die de Europese lidstaten zijn aangegaan in het kader van de oprichting van het Europese Agentschap voor Veiligheid en Gezondheid op het werk. Tussen het Agentschap en de 'focal points' in de lidstaten zijn afspraken gemaakt om via Internet, gebruikmakend van een uniforme zoekstructuur, informatie beschikbaar te stellen. Omdat het hier om een algemeen toegankelijke voorziening gaat, ligt bij de overheid primair de verantwoordelijkheid deze voorziening uit de algemene middelen te voeden. 
        
Monitoring
   
Niet alleen de overheid heeft belang bij een goed ontwikkeld monitorsysteem, maar ook sociale partners en bijvoorbeeld verzekeraars of uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen. Het is voor deze partijen noodzakelijk om over kwantitatieve en kwalitatieve gegevens te beschikken, zowel ter beoordeling van het gevoerde als ten behoeve van het ontwikkelen van nieuw beleid.
Het is de commissie bekend dat op dit moment met name door de Arbeidsinspectie monitorinspanningen worden verricht. Hoewel dit als eerste aanzet kan worden gewaardeerd, acht de commissie het beschikbaar hebben van basisgegevens over de stand der arbeidsomstandigheden in Nederland van zodanig belang, dat een grotere inzet gerechtvaardigd is.
Het monitoringsyteem zoals de commissie dat gewenst acht, dient structureel met een tweejaarlijkse frequentie de meest voorkomende risico's in kaart te brengen die herleidbaar zijn naar branches en beroepen. Dergelijke gegevens zijn cruciaal om de effectiviteit van inspanningen van overheid en andere partijen te toetsen en om nieuwe risico's te identificeren of om tijdig in te kunnen spelen op zich manifesterende beroepsziekten. Bovendien zijn dergelijke gegevens nodig in verband met de taak van het Europese Agentschap in Bilbao. Bij de monitoring moet ook aandacht besteed worden aan het stellen van doelen en het controleren of de doelen ook bereikt worden alsmede of de onderscheiden actoren hun verantwoordelijkheid nemen in de uitvoering van hun taken.
Voor de financiering van zo'n monitoringsysteem dient de overheid zorg te dragen. 
      

Afsluitend
     
Zoals eerder gesteld acht de commissie de producten en diensten van de tweedelijn voor het instandhouden en het verder bevorderen van het niveau van arbozorg in Nederland van grote betekenis. Het voorkomen en het beperken van uitval van werknemers door ziekte of arbeidsongeschiktheid, is daarbij zowel voor het bedrijfsleven als voor de overheid een belangrijke beleidsdoelstelling. In het kader van de heroriëntatie arbobeleid en Arbowet streeft het kabinet naar een herschikking van verantwoordelijkheden. De SER heeft daarover in zijn advies van 21 februari 1997 zijn zienswijze gegeven. De raad achtte het verstandig te zoeken naar een weg die in grote mate stoelt op de sterke elementen uit het huidige stelsel en de zwakke kanten daarvan zoveel mogelijk vermijdt en waarbij zowel werkgevers en werknemers als de overheid een nadrukkelijke verantwoordelijkheid behouden. Naar het oordeel van de commissie mag een mogelijk veranderende verantwoordelijkheidsverdeling er niet toe leiden dat de overheid minder gaat financieren en afziet van coördinatie en sturing op het gebied van de tweedelijns onderzoeks- en adviesinfrastructuur. Een initiërende en actieve rol van de overheid blijft noodzakelijk daar waar de markt(werking) niet of onvoldoende inspeelt op de behoefte aan onderzoek, ontwikkeling, voorlichting en informatieoverdracht.

Een adequate en structurele financiering van de tweedelijns infrastructuur is van groot belang, niet in het minst om de zelfwerkzaamheid van werkgevers en van werknemers optimaal te ondersteunen. De daarvoor nodige investeringen uit de algemene middelen zijn daarmee te rechtvaardigen. Bovendien mag worden verwacht dat, uitgaande van een goede aansturing van activiteiten in de tweedelijn, een positieve bijdrage wordt geleverd aan het terugdringen van inactiviteit op de arbeidsmarkt, aan de bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen alsmede aan het stimuleren van reïntegratie en de employability van werknemers.

Binnen de aldus ontstane constellatie is het wenselijk dat partijen (financiers/gebruikers en de organisaties in de tweedelijn) met elkaar kunnen overleggen en afstemmen. Een daartoe in te stellen platform moet zich in elk geval richten op de zes taken van de tweedelijn en op de relatie tussen de eerste- en tweedelijn. Het platform zou niet zwaar opgetuigd moeten worden.

Den Haag,
3 juli 1997

H. Franken
voorzitter

E.V. Knopper
secretaris



  1. Zie: Programmeringsstudie Arbo-risicobeheersing en sociaal-medische begeleiding . Uitgevoerd in opdracht van de Raad voor Gezondheidsonderzoek, 1996.
  2. Zie met name hoofdstuk 3 'Trends in arborisico's'. Trends in arbeid en gezondheid 1996 ; Amsterdam, NIA TNO, 1997.
  3. The identification and assessment of occupational health and safety strategies in Europe: vol.1 The national situations / D. Walters. Luxemburg: office for Official Publications of the European Communities; 1996.
  4. Het overzicht van bijlage 5 is afkomstig uit het rapport: Vergelijking onderwijsstructuur en onderwijsprogramma's van de arbodeskundigen in de arbodienst . Het rapport is opgesteld door het NIA in opdracht van het Ministerie van SZW en de BOA.
  5. In andere woorden: A.R. Hale en W. Storm in Tijdschrift voor toegepaste Arbowetenschap (1996), nr. 4, p. 55-61.