Home | Publicaties | SER-adviezen | 1990 - 1999 | 1997 | Wijziging van de vakantiewetgeving

Wijziging van de vakantiewetgeving

Advies nr. 97/04 - 21 maart 1997

Op 21 mei 1996 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Sociaal-Economische Raad (SER) advies gevraagd over een wijziging van de vakantiewetgeving.

Download:Volledig advies (343 kB)

De adviesaanvraag

De door de minister voorgestelde wijziging is bedoeld om maatwerk in de arbeidsvoorwaarden te bevorderen, de mogelijkheden te vergroten om betaalde arbeid en zorgtaken te combineren en verlofmogelijkheden te verruimen. Zoals uit de adviesaanvraag blijkt, gaat de minister uit van een onderscheid tussen enerzijds door de wet toegekende aanspraken op vakantie en anderzijds daarboven uitgaande, bij CAO, dan wel bij individuele arbeidsovereenkomst overeengekomen vakantieaanspraken. De eerste categorie noemt de minister minimumrechten, de tweede categorie noemt hij bovenwettelijke rechten.


Uitgangspunt van de minister is dat de wet zich slechts zal bezighouden met de minimumrechten. Hij laat het over aan partijen bij de collectieve of individuele arbeidsovereenkomst om afspraken te maken over de bovenwettelijke vakantieaanspraken.
Tot slot vraagt de minister de raad andere suggesties te doen. De raad heeft daartoe aanleiding gezien.

Opvattingen van de raad 

Algemeen

De raad onderkent dat de door de minister voorgestelde 'tweeslag' ­ naar aan te nemen valt ­ de mogelijkheden voor maatwerk zal vergroten. Bij het maken van afspraken over bovenwettelijke vakantiedagen zullen werkgevers en werknemers, respectievelijk hun organisaties zoeken naar een nieuw evenwicht dat rekening kan houden met bedrijfs(tak)omstandigheden en met specifieke wensen van werkgevers en werknemers. Daartegenover onderkent de raad dat de 'tweeslag' consequenties kan hebben voor de rechtspositie en rechtszekerheid voor werknemers en werkgevers. Er zal moeten worden onderhandeld en gecontracteerd over zaken die thans bij wet geregeld zijn. Bij onvoldoende evenwicht tussen partijen of als contracten niet of slechts over gedeelten tot stand komen, kan dit tot rechtsonzekerheid leiden ten nadele van zowel werkgever als werknemer.

De voorstellen van de raad beogen met beide consequenties rekening te houden. De raad stelt voor het mogelijk te maken voor bovenwettelijke vakantiedagen van enkele bepalingen van de vakantiewetgeving af te wijken. Daarbij wil de raad als uitgangspunt nemen dat, als de bovenwettelijke vakantiedagen hun oorsprong vinden in een CAO, ook alleen bij CAO van de wet afwijkende afspraken gemaakt kunnen worden. In andere gevallen kunnen afwijkende afspraken schriftelijk overeengekomen worden tussen werkgever en werknemer. Dit onderscheid wordt hierdoor ingegeven dat, wanneer de bovenwettelijke vakantiedagen het resultaat zijn van CAO-onderhandelingen, het in de rede ligt ook afwijkende afspraken onderdeel van CAO-onderhandelingen te doen zijn.

Afkopen van vakantieaanspraken

In de huidige wet geldt een verbod om tegen geld afstand te doen van vakantierechten. De minister stelt voor dit afkoopverbod te laten vervallen voor bovenwettelijke dagen.

Het verbod had, bij de invoering van de wet, tot doel dat de werknemer ook daadwerkelijk zijn vakantie zou opnemen. De raad is met de minister van mening dat het toekennen van vakantierechten tegenwoordig een bredere betekenis heeft dan in 1966, dat de beschermende functie van het afkoopverbod in mindere mate geldt voor de bovenwettelijke dagen en dat een absoluut verbod niet meer nodig is.

De raad stelt voor de wet zodanig te herzien dat voor bovenwettelijke dagen afkoop wel mogelijk wordt conform het boven gekozen uitgangspunt. Het voorstel kan leiden tot ruimere verlofmogelijkheden als partijen afspreken dat voor de afgekochte vakantiedagen een aanspraak op onbetaald verlof ontstaat.

Het verrekenen van vakantierechten bij verandering van werkgever

In de huidige regeling heeft een werkgever de verplichting zijn nieuwe werknemer onbetaald verlof te verlenen voor bij de vorige werkgever opgebouwde maar nog niet genoten vakantierechten. De minister stelt voor deze regeling te beperken tot de mininumvakantie.

De raad doet een ander voorstel. Hij stelt voor de regeling aldus te wijzigen dat het voor werkgever en werknemer mogelijk wordt ten aanzien van de bovenwettelijke vakantiedagen bij schriftelijke overeenkomst af te wijken van hetgeen in het desbetreffende wetsartikel is bepaald.

De verjaring van vakantierechten

De verjaringstermijn voor vakantierechten bedraagt twee jaar. De minister stelt voor deze regel alleen te laten gelden voor de minimumvakantie. Voor de bovenwettelijke vakantieaanspraken zou dan de verjaringstermijn van vijf jaren uit het algemene vermogensrecht gelden.

Een deel van de raad (1)
bepleit voor wettelijke en bovenwettelijke vakantierechten één verjaringstermijn te hanteren en deze, met het oog op het streven om voor werknemers de mogelijkheden te verruimen betaalde arbeid te combineren met onder meer scholing en zorgtaken, te stellen op vijf  jaar.

Een ander deel van de raad (2)
geeft de voorkeur aan handhaving van de ver-jaringstermijn van twee jaar voor alle vakantiedagen. Dit deel meent dat deze termijn voldoende ruimte geeft om verlof te sparen én partijen de ruimte laat een langere termijn overeen te komen en dan afspraken te maken die recht doen aan de recuperatiefunctie van de vakantie en aan organisatorische problemen voor kleinere ondernemingen.

Vaststellen van de vakantie

De wens verlofsparen beter mogelijk te maken vraagt naar de mening van de raad ook om een aangepaste regeling voor het vaststellen en opnemen van vakantie. Daarbij is van belang dat de werknemer voldoende vrijheid heeft vakantie op te nemen of te sparen en de werkgever voldoende mogelijkheid behoudt de vakantie vast te stellen. De raad meent dat deze belangen verenigd kunnen worden in een regeling langs de volgende lijnen:

  1. De werkgever stelt ­ voorzover in de vaststelling niet is voorzien bij schriftelijke overeenkomst, bij reglement dan wel bij of krachtens CAO of de wet ­ de vakantie na overleg met de werknemer vast.
  2. De werknemer wordt elk jaar ten minste in de gelegenheid gesteld om de minimumvakantie als bedoeld in artikel 634 te genieten, en wel zodanig dat hij, voorzover zijn aanspraak op vakantie daarvoor toereikend is, desverlangd gedurende twee opeenvolgende weken of gedurende twee maal een week geen arbeid behoeft te verrichten.
  3. De werkgever is verplicht bij de vaststelling van de vakantiedagen gevolg te geven aan de wensen van de werknemer, tenzij de werkgever zich kan beroepen op zodanige bedrijfsbelangen dat de wensen van de werknemer daarvoor redelijkerwijs moeten wijken.
  4. De werkgever stelt de vakantie zo tijdig vast dat de werknemer gelegenheid heeft tot het treffen van voorbereidingen voor de vakantie.
  5. Aan punt 4 wordt een hulpregel toegevoegd met de strekking dat, indien de werkgever niet binnen een redelijke termijn nadat de werknemer hem schriftelijk kennis heeft gegeven van zijn vakantiewensen, schriftelijk bezwaren heeft gemaakt als bedoeld in punt 3, de werknemer ervan mag uitgaan dat de vakantie overeenkomstig zijn wensen is vastgesteld.
  6. De werkgever kan, indien daartoe gewichtige redenen aanwezig zijn, na overleg met de werknemer het vastgestelde tijdvak van de vakantie wijzigen. De schade die de werknemer lijdt als gevolg van de wijziging van het tijdvak wordt door de werkgever vergoed.
  7. Van het bepaalde in de punten 3 en 5 kan, ten aanzien van de bovenwettelijke vakantierechten worden afgeweken bij CAO of schriftelijke overeenkomst, al naar gelang die rechten hun grond vinden in de CAO, onderscheidenlijk de individuele arbeidsovereenkomst.
De voorgestelde regeling brengt geen verandering in de mogelijkheid voor de ondernemer om te komen tot een voor het gehele personeel of groepen daarvan geldende vakantieregeling (bijvoorbeeld collectieve vakantie).

Uitzonderingen op de hoofdregel inzake opbouw

De wet bevat een aantal uitzonderingen op de hoofdregel dat voor de opbouw van vakantieaanspraken de aanspraak op loon bepalend is (onder meer ziekte, zwangerschapsverlof). Het voorstel van de minister voor bovenwettelijke vakantierechten niet de wettelijke regeling te doen gelden, impliceert dat de opbouw van bovenwettelijke vakantierechten in bedoelde situaties niet langer is gewaarborgd. De raad heeft dit aspect in het advies betrokken. Ontwikkelingen in de arbeidsverhoudingen kunnen aanleiding geven tot andersluidende afspraken over (sommige van) deze uitzonderingen. De raad stelt daarom voor de wet zodanig te herzien dat het mogelijk wordt, conform het eerder genoemde uitgangspunt, afwijkende afspraken te maken over de opbouw van bovenwettelijke dagen.

Flexibele arbeid

Vakantieaanspraken worden berekend aan de hand van 'de overeengekomen arbeidsduur'. In flexibele arbeidsrelaties is soms geen sprake van een overeengekomen arbeidsduur of is deze niet maatgevend voor de werkelijk verrichte arbeid en dus niet geschikt om de vakantieaanspraken te berekenen. In deze situaties zou de opbouw van vakantieaanspraken gerelateerd moeten zijn aan de feitelijke ontwikkeling van het arbeidspatroon. De raad bepleit dit in de wet tot uitdrukking te brengen.

Deugdelijke administratie

De vakantiewetgeving bevat geen expliciete bepaling over de administratie van opgebouwde en opgenomen vakantierechten. De Hoge Raad heeft echter (in 1991) uitgesproken dat de werkgever ten aanzien van de vakantierechten een deugdelijke administratie moet voeren. Gelet op die recente jurisprudentie en op de bestaande praktijk binnen ondernemingen, ziet de raad geen aanleiding op dit specifieke punt een expliciete bepaling in de wet te bepleiten.

Ziektedagen tijdens vakantie

De bepaling in de vakantiewetgeving dat ziektedagen die zich voordoen tijdens een vastgestelde vakantie niet gelden als vakantiedagen is bij een wetswijziging in 1992 (onbedoeld) vervallen. De raad neigt naar de conclusie dat een dergelijke regel weer in de wet dient te worden opgenomen. Bij de redactie van een nieuw op te nemen regel zal rekening moeten worden gehouden met opgetreden wijzigingen in de wetgeving. In het bestek van dit advies gaat de raad hierop echter niet verder in.

Vakantie en faillissement

De raad constateert dat verruiming van de mogelijkheid tot sparen van vakantiedagen een groter risico voor de werknemer kan inhouden: de werknemer is in staat een groter aantal dagen te sparen dan thans, maar dat betekent ook dat, indien verworven vakantierechten uiteindelijk niet kunnen worden geldend gemaakt, bijvoorbeeld als gevolg van faillissement van de onderneming/werkgever, het dan kan gaan om een groter aantal dagen. De raad vraagt de aandacht van de minister voor deze problematiek. Daarnaast noemt hij mogelijkheden om het risico voor de werknemer te verkleinen.

1. Bestaande uit de werknemersleden, de ondernemersleden benoemd door VNO-NCW en de kroonleden mevrouw Asscher-Vonk, Bakker, Don, mevrouw Groenman, Kolnaar, Linschoten, Rood, Rosenthal en De Vries.
2. Bestaande uit de ondernemersleden benoemd door MKB-Nederland en het kroonlid mevrouw Lodders-Elfferich.