Preventie en maatwerk bij aanpak gezondheidsverschillen

Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij de studiedag GezondIn van Pharos.

3 december 2020

Het gesproken woord geldt. 


Het is een eer voor mij om hier te mogen spreken vandaag. Het werkterrein van Pharos ligt me na aan het hart. Het terugdringen van sociaal-economische en etnische gezondheidsverschillen is ook voor de SER een zeer belangrijk vraagstuk.
Daarom ben ik ook erg blij om hier vandaag te mogen spreken, als voorzitter van de SER maar ook sinds 1 september van dit jaar als voorzitter van de Raad van Toezicht van Pharos. Pharos heeft me vier vragen voorgelegd als leidraad voor mijn bijdrage vandaag.
Die vier vragen ga ik allemaal behandelen.

Terugdringen gezondheidsverschillen

De eerste vraag gaat over mijn drijfveer als het gaat om het terugdringen van sociaal-economische gezondheidsverschillen.
Ik vind het schrijnend dat inkomens- en opleidingsverschillen in een land als Nederland ook leiden tot verschillen in gezondheid en levensduur. Het verkleinen van die verschillen is van groot maatschappelijk belang. Daarom ondersteun ik het werk van Pharos van harte. Ik lever graag mijn bijdrage aan deze organisatie, die zich al jaren enorm hard inzet om het in Nederland voor iedereen een stukje beter te maken.

Het thema van sociaal-economische gezondheidsverschillen gaat voor mij over gelijke kansen in de samenleving. Dat begint bij kansengelijkheid in het onderwijs. Mijn visie is dat elk kind gelijke kansen verdient, ongeacht je komaf. We kennen allemaal de uitdrukking van vroeger: “Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje”. Helaas is dit thema anno 2020 nog steeds actueel.

Het inkomen of opleidingsniveau van ouders is bepalend voor het schoolsucces van kinderen. Onderzoek bevestigt dit beeld keer op keer. Het gezin waarin een kind opgroeit bepaalt de kansen in het onderwijs en die bepalen de verdere toekomst van het kind. Het blijkt niet eenvoudig dit te veranderen.

Het gaat om de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat het kind van de stratenmaker bij gelijke intelligentie evenveel kans heeft op een hoog schooladvies als het kind van de dokter. Er is dus kansenongelijkheid in het onderwijs. Er blijven daardoor ook ongelijke kansen op een goede baan met een fatsoenlijk salaris bestaan. En opleiding en inkomen hangen weer samen met gezondheid.

Er zijn grote verschillen in gezondheid en levensverwachting tussen mensen met een lage opleiding en mensen met een hoge opleiding. Kansen zijn dus niet gelijk verdeeld in onze samenleving. Daarmee doen we mensen tekort. Ik vind dat iedereen een gelijke kans verdient. We hebben als maatschappelijke opdracht om iedereen in onze samenleving gelijke kansen te bieden. Ongeacht in welke stad of wijk je geboren wordt, ongeacht het inkomen van je ouders, ongeacht naar welke school je bent gegaan.

Ik vind overigens dat niet alleen de overheid hierin een verantwoordelijkheid heeft. Als het over het aanpakken van maatschappelijke problemen gaat, wordt vaak als eerste naar de overheid gekeken. Dat is deels terecht, maar zeker niet het hele verhaal. Ik denk dat het belangrijk is om dit breed te trekken, samen met burgers, maatschappelijke organisaties en ook het bedrijfsleven. Ik geloof erin dat we samen meer kunnen bereiken. Want beleid dat effect het op veel mensen in de samenleving kan niet van boven af worden opgelegd. Het moet worden ingevuld in samenspraak met degenen die het aangaat, en in samenspraak met alle mensen die bezig zijn om dat beleid uit te voeren.

Ú dus.

Kansengelijkheid

De tweede vraag voor mij was wat mijn visie is op de huidige aanpak van sociaal-economische gezondheidsverschillen en kansengelijkheid.
Om daar antwoord op te geven wil ik het hebben over preventie. Er is de laatste jaren veel aandacht voor preventie en het bevorderen van een gezonde leefstijl. Samen met de Federatie voor Gezondheid en GGD GHOR en vele andere organisaties hebben we vier jaar geleden aangegeven dat preventie een belangrijke plek verdient in het regeerakkoord. Dat hebben we voor mekaar gekregen.

Het regeerakkoord van 2017 stelde dat er een preventieakkoord moest komen. En dat is er gekomen. Het akkoord gaat over drie belangrijke bronnen van zorguitgaven: roken, overgewicht en alcohol. Zo’n zeventig partijen uit de samenleving zijn aan de slag met acties en maatregelen. Dat levert veel energie en mooie initiatieven op.

Die zeventig partijen hebben zich gecommitteerd aan stevige doelstellingen voor het jaar 2040. Zij zijn aan de slag gegaan met de uitvoering van alle afspraken. Ze zijn goed op streek en er is een brede maatschappelijke beweging op gang gekomen. Dat is op zich een grote stap vooruit. De doorrekeningen van het RIVM geven echter wel aan dat we er met het huidige pakket aan afspraken nog niet zijn. Nog lang niet alle doelstellingen zijn binnen bereik. Er is meer nodig.

Er is de afgelopen decennia ook veel beleid gevoerd gericht op vermindering van sociaal-economische gezondheidsverschillen en het bevorderen van kansengelijkheid. Helaas moeten we constateren dat het ons nog niet is gelukt om de sociaal-economische gezondheidsverschillen te verkleinen. Die zijn hardnekkig. De verschillen zijn niet of nauwelijks afgenomen. Zorgwekkend vind ik dat in de prognoses de gezondheidsverschillen in de toekomst toenemen. Dus ook daar is nog veel werk aan de winkel.

En met alles wat ik hiervoor heb gezegd zal het u duidelijk zijn dat ik denk dat het ook geen gemakkelijke klus zal worden. Maar we moeten ergens beginnen. Hoe kunnen we dit aanpakken? Graag wijs ik op de verkenning Zorg voor de toekomst die de SER dit voorjaar heeft uitgebracht. Een belangrijke les uit ons SER-rapport was dat preventie vraagt om een langetermijnvisie, met een consistente en meerjarige inzet van het kabinet. Niet één kabinetsperiode, niet twéé, maar beleid over meerdere kabinetsperioden. Wel tien of twintig jaar. Ervaringen in Finland laten zien dat dan spectaculaire effecten haalbaar zijn.

Het gaat om een systematische en langdurige inzet van preventie in lokale gemeenschappen.
Belangrijk is ook dat het integrale preventie is, dat gaat over de samenhang tussen werk, huisvesting, veiligheid en schulden. Daarvoor is betere samenwerking en een gerichte inzet nodig. Het vraagt ook om structurele financiering van preventie, met een substantieel budget op centraal niveau en op decentraal niveau. Niet om tijdelijke programma’s die na een paar jaar weer verdwijnen.

Het thema van de gezondheidsverschillen en de integrale preventie komen nu samen. Het gaat om het creëren van gelijke kansen in de samenleving. De meeste winst in termen van meer gezondheid en minder gezondheidsverschillen is te halen bij beleid dat gericht is op het bieden van bestaanszekerheid, een groene en veilige leefomgeving, goede huisvesting en gelijke kansen in het onderwijs.

In deze lijn gaan we ook verder met het vervolg van het preventieakkoord. We hebben afgesproken dat we rond de verkiezingen van 2021 weer een brief aan de informateur gaan sturen. Daarvoor hebben we een visie uitgewerkt en er zijn op drie thema-werkgroepen aan de slag om te komen met concrete voorstellen en maatregelen.

De visie gaat uit van een brede en integrale benadering van preventie. Met als basis: van nazorg naar voorzorg. Er is verbreding én verdieping nodig. Verbreding naar andere thema’s als mentale gezondheid en preventie via werk. En is verdieping nodig met minder vrijblijvendheid voor alle betrokkenen.

Voor drie terreinen gaan we onze visie uitwerken:

  1. Denken vanuit de burger. De burger moet in staat zijn om gezond te leven en moet daarbij ondersteund worden.
  2. Financiering en organisatie van preventie in ons stelsel. Hoe kunnen we meer geld voor preventie vrijmaken en alle perverse prikkels in het huidige stelsel die dat tegenhouden, aanpakken?
  3. Digitalisering. Dat biedt kansen om de omslag van nazorg naar voorzorg te ondersteunen.

Gemeenten

De derde vraag die mij is gesteld is de vraag hoe je vanuit de gemeente de meeste impact kunt hebben.
Sociaal-economische gezondheidsverschillen zijn een complex onderwerp. Problemen met gezondheid gaan vaak samen met problemen op andere vlakken in het leven van mensen. Belangrijk daarom is gezondheidsproblemen niet geïsoleerd te benaderen, maar als onderdeel van het leven van mensen. Daarnaast is het belangrijk om het niet alleen als een individueel probleem te benaderen. Het gaat dan over onderwijs, wonen, werk en inkomen, sociale contacten, veilige en groene woonomgeving, et cetera.

Als dat op orde is, ontstaat, ik zou haast zeggen vanzelf, ook meer gezondheid. Immers, we weten dat veel gezondheidsproblemen hun oorzaak hebben in sociale problematiek, al dan niet via chronische stress en een ongezonde leefstijl. Werk en inkomen, welzijn, participatie, huisvesting zijn bij uitstek het terrein van gemeenten. Gemeenten hebben de mensen en hopelijk ook de financiële middelen om hier verbeteringen te realiseren.

Maar we moeten geen wonderen verwachten. Want, zoals gezegd, de materie is complex en het is niet gemakkelijk. De gemeente kan voor verbetering zorgen, maar we moeten ook niet denken dat gemeenten alles in de hand hebben. De wereld is nu eenmaal niet zo maakbaar als we soms graag zouden willen. En gezondheidsverschillen blijken zeer hardnekkig te zijn.

Ik zou gemeenten ten eerste willen oproepen om samen te werken met burgers, zorgverzekeraars, maatschappelijke organisaties en met het bedrijfsleven. Samen bekijken wat er op lokaal niveau nodig is. Er is geen toverformule die op elke gemeente kan worden toegepast. Elke gemeente is anders en vraagt om een andere aanpak.

Ten tweede is het ook belangrijk om goede voorbeelden te delen. Het is belangrijk om inzicht te krijgen in wat waarom werkt en wat niet.

En dan heb ik nog deze oproep aan het rijk: zorg dat gemeenten voldoende middelen hebben om goede voorzieningen te treffen. Geld alleen is niet voldoende, maar zonder middelen lukt het zeker niet. En tot slot moet werken over domeingrenzen heen veel beter mogelijk worden. Dat verdient ondersteuning en ruimte voor experimenten om recht te doen aan lokale verschillen.

Corona

Dan nog iets over corona. Hoe kijk ik aan tegen de aanpak van gezondheidsverschillen in het licht van corona? Ik heb al vaker gezegd dat corona de maatschappelijke problematiek vergroot en beter zichtbaar maakt. De mensen die al kampen met problemen, lopen het risico extra hard geraakt te worden door corona. Ten eerste lopen mensen met overgewicht meer risico om ernstig ziek te worden als zij besmet zijn met corona. Ten tweede zie je ook dat mensen die geen vast contract hebben, zzp’er of flexwerker zijn, economisch zwaarder worden getroffen door de coronamaatregelen. Ik vind het daarom extra belangrijk om aandacht te hebben voor mensen die het minder goed hebben qua werk en gezondheid. Zij hebben goede ondersteuning nodig. Omdat de kans bestaat dat meer mensen afglijden in armoede is het extra belangrijk om te blijven werken aan kansengelijkheid. Vooral in economisch slechtere omstandigheden.

De SER vindt dat het juist in tijden van corona van belang om aandacht te blijven hebben voor een leven lang ontwikkelen. Goed onderwijs draagt bij aan gelijke kansen en is een belangrijke pijler van het economisch groeivermogen van de samenleving. Dit is niet alleen belangrijk voor kinderen en jongeren, maar voor mensen van álle leeftijden. Een leven lang ontwikkelen maakt mensen sociaal en economisch weerbaar.

In de huidige crisis is die weerbaarheid harder nodig dan ooit. In sommige sectoren verdwijnen banen, andere sectoren hebben juist meer mensen nodig. Daarnaast ontwikkelt digitalisering zich in sneltreinvaart, onder meer door het vele thuiswerken. Maar vooral is het belangrijk om sociaal-economische verschillen zo vroeg mogelijk en bij de bron aan te pakken. Bij onze kinderen, op school, in de opvang, bij de sportclub, in de wijk. Want het is beter om kansen voor iedereen te schappen dan achteraf verschillen te bestrijden.

Speech Mariëtte Hamer bij haar installatie als voorzitter van de SER. © Dirk Hol
Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij de studiedag GezondIn van Pharos