Toelichting SER-advies Voorstellen voor een sterk en innovatief beroepsonderwijs

Presentatie van SER-voorzitter Mariëtte Hamer voor het Platform van Raden van Toezicht van MBO-instellingen.

24 januari 2018
Het gesproken woord geldt.

 

Hartelijk dank voor uw uitnodiging om vandaag het SER advies te mogen toelichten en met u in gesprek te gaan. U heeft er ongetwijfeld al het nodige over gehoord in de media. Het advies zegt luid en duidelijk dat het mbo goud in handen heeft en dat andere onderwijssectoren daar van kunnen leren. De sterke kanten van het mbo, zoals het praktijkgerichte onderwijs en de intensieve samenwerking met het bedrijfsleven zijn een voorbeeld voor andere onderwijssectoren.

Het begon in april 2016 toen de vorige minister van OCW de SER om advies over het mbo vroeg. Tegen de achtergrond van de veranderende arbeidsmarkt wilde de minister graag weten hoe de terugloop in de bbl kan worden gekeerd en hoe het mbo toekomstgericht kan blijven.

De eerste vraag heeft de SER vorig jaar beantwoord in zijn advies Toekomstgericht Beroepsonderwijs Deel 1, Voorstellen ter versterking van de bbl. Om het tij te keren voor de bbl, stelt de SER hierin de volgende zaken voor:

  • Betere voorlichting over de uitstekende arbeidsmarkt-mogelijkheden van de bbl aan studenten, ouders en docenten.
  • En: gezamenlijke acties, via de SBB, om de bbl te versterken en uit te breiden naar andere sectoren, met het zogenoemde BBL Offensief.

Over de tweede vraag – hoe het mbo toekomstgericht kan blijven - heeft de SER zich de afgelopen maanden gebogen. Ik zal - vóór ik aan de aanbevelingen in het advies Toekomstgericht beroepsonderwijs, Deel 2 Voorstellen voor een sterk en innovatief beroepsonderwijs begin - eerst een korte schets geven van de ontwikkelingen die grote invloed zullen hebben op het mbo, en op ons allemaal, eigenlijk. Allereerst ga ik in op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Wat speelt daar nu?

Ons werk verandert

We zijn nu gelukkig echt uit de economische crisis geklommen. Dat zien we onder meer aan een flink aantrekkende arbeidsmarkt. Voor het eerst hebben nu meer dan 8,6 miljoen mensen betaald werk. Dat zijn er meer dan ooit tevoren. Tegelijkertijd zal de dynamiek op de arbeidsmarkt de komende jaren enorm gaan toenemen. Dat is de invloed van met name de technologische ontwikkelingen, zoals automatisering, digitalisering en robotisering. Dat betekent bijvoorbeeld dat het tempo waarin zich veranderingen voordoen, gaat toenemen. En dat werk dat bestaat uit veel routineuze taken gaat verdwijnen.

Maar gelukkig zullen ook veel nieuwe banen ontstaan. Bovendien zal de inhoud van het werk in veel beroepen veranderen, bijvoorbeeld doordat taken worden geautomatiseerd. Ik hoor wel eens dat maar liefst 65 procent van de huidige studenten in banen zullen gaan werken die nu nog niet eens bestaan!

Flexibilisering

Ook is er sprake van toenemende onzekerheid door de flexibilisering op de arbeidsmarkt. Gedurende hun loopbaan wisselen mensen ook veel vaker van baan. De verwachting is zelfs dat de gemiddelde student van nu - voordat hij of zij 38 is - 10 tot 14 banen zal hebben gehad! Door dit alles wordt een leven lang leren voor ons allemaal ‘keiharde’ noodzaak. Niet alleen voor de hoger opgeleiden – die doen dat vaak toch al wel - maar juist ook voor al die anderen voor wie leren minder vanzelfsprekend is. Bijvoorbeeld door slechte ervaringen, vroeger in de schoolbanken.

Vergrijzing

Ik wil ook iets zeggen over demografische ontwikkelingen. Die zijn ook van belang voor de toekomst van het mbo. En daar is echt wel wat aan de hand. In heel Nederland is sprake van een vergrijzende beroepsbevolking, die gepaard gaat met een ontgroening. In sommige provincies – zoals in het noorden, in Zuid-Limburg en Zeeland - krimpt de beroepsbevolking.

In het mbo merkt men dat ook. In de eerste plaats is sprake van een afnemende instroom van studenten in de initiële opleidingen. De prognose tot 2030 is dat het totaal aantal mbo-studenten met 12 procent zal afnemen. Regionaal zijn er grote verschillen. In de tweede plaats is sprake van een toenemende uitstroom van docenten en medewerkers. Het mbo krijgt dus te maken met minder jongeren in de opleidingen. Maar: door het belang van een leven lang leren zullen volwassenen, die al een aantal jaren werken, zich steeds vaker melden om zich verder te scholen. Er komt dus, al met al, veel op de sector af!

Sterke uitgangspositie mbo…

In het advies constateert de SER dat het mbo een sterke uitgangspositie heeft om de gevolgen van al die ontwikkelingen het hoofd te kunnen bieden. De werkgelegenheid voor middelbaar opgeleiden in bepaalde branches en beroepen zal meer onder druk komen te staan. Dat komt door de ontwikkelingen die ik genoemd heb. Dat geldt met name voor beroepen op de lagere opleidingsniveaus; beroepen waarin veel routineuze taken worden uitgevoerd.

Daar staat tegenover dat er ook bedrijfstakken zijn waar de behoefte aan middelbaar opgeleiden juist groeit. Neem de gastvrijheidssector, waaronder de horeca, of de groenvoorziening, delen van de zorg, de bouw, en de technische sectoren.

… maar niet voor iedereen

Echte zorgen zijn er vooral over laagopgeleiden. Dat zijn de mensen die geen startkwalificatie hebben. Maar ook de laaggeletterden, die de basisvaardigheden missen om mee te doen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Op de arbeidsmarkt zijn er, onder invloed van de aantrekkende economie, signalen van toenemende mismatches. Er zijn sectoren waar de mensen ‘niet aan te slepen’ zijn, zoals in de bouw, het onderwijs, de installatiebranche, de zorg, en de ICT. En tegelijkertijd zijn er nog steeds grote groepen die moeite hebben om – weer - aan het werk te komen. Zoals ouderen, mensen die langdurig werkloos zijn, of laagopgeleiden. Of mensen met arbeidsbeperkingen of chronische ziektes.

We riskeren een toenemende tweedeling in de samenleving. En daar maak ik me grote zorgen over.

SER: vijf prioriteiten

Om de ontwikkelingen het hoofd te bieden ziet de SER vijf prioriteiten voor een sterk en innovatief mbo.

  • het duurzaam toerusten van studenten voor de arbeidsmarkt en de samenleving.
  • een integrale aanpak voor jongeren in een kwetsbare positie.
  • geef het mbo een grote rol in een leven lang leren en ontwikkelen.
  • versterk de regionale, sectorale en landelijke samenwerking.
  • creëer ruimte voor de school als lerende organisatie.

Studenten duurzaam toerusten

Terug naar die eerste prioriteit. Studenten duurzaam toerusten voor de arbeidsmarkt en de maatschappij is een kerntaak van het mbo. De SER constateert dat er veel in het mbo goed gaat op dit gebied. De meeste studenten vinden snel na diplomering een baan. Er zijn echter ook opleidingen die het minder goed doen. En er zijn soms aanzienlijke verschillen tussen scholen.

De SER beveelt aan om:

  • scherper te sturen op het arbeidsmarktperspectief van opleidingen,
  • om te werken aan bewuste studiekeuzes,
  • om vaardigheden van de toekomst aan te leren,
  • en om meer innovatieve vormen van praktijkleren aan te bieden.

Jongeren zonder startkwalificatie

Een specifieke groep waar ik vervolgens stil bij wil staan, zijn de jongeren in een kwetsbare positie. Het gaat hier om jongeren die moeite hebben met het behalen van een startkwalificatie. Deze groep krijgt het het moeilijkst op de arbeidsmarkt.

Zij moeten zo goed mogelijk worden begeleid naar opleiding, diploma en werk. Scholen, gemeenten, leerwerkbedrijven én het UWV moeten intensiever en beter samenwerken. Én we moeten jongeren, die echt niet in staat zijn om een startkwalificatie te halen, toch helpen. Met vakcertificaten en door het volgen van duale opleidingen kunnen ze toch aan werkgevers laten zien wat ze kunnen.

Leven lang leren

De derde prioriteit is een grote rol voor het mbo in een leven lang leren en ontwikkelen. De dynamiek op de arbeidsmarkt vraagt van mensen dat zij zich blijven ontwikkelen om duurzaam inzetbaar te blijven. We weten allemaal dat leren al lang niet meer stopt bij het behalen van een diploma in het initieel onderwijs. De SER heeft vorig jaar ook geadviseerd over leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan (Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan : een advies over postinitieel leren).

Tijd voor een akkoord

De tijd is méér dan rijp om in actie te komen! Daarom roepen wij in dit advies opnieuw op om tot een akkoord te komen. Met alle landelijke, sectorale en regionale betrokkenen. Een akkoord over skills tegen de achtergrond van het toenemend belang van technologie en digitalisering. Met afspraken om tot een positieve leercultuur te komen, ten behoeve van een inclusieve én een productieve samenleving. De kansen van technologische ontwikkelingen en digitalisering moeten we op een manier benutten dat onze economie sterk en innovatief blijft én iedereen naar vermogen meedoet in de maatschappij en op de arbeidsmarkt.

Het mbo heeft een heel belangrijke rol te vervullen in het leven lang leren en ontwikkelen van de beroepsbevolking. Daarom moet het mbo met spoed een flexibel opleidingsaanbod tot stand brengen. Een aanbod dat aansluit op de behoeften van werkenden en werkzoekenden. Belemmerende regelgeving moet daarvoor worden aangepast. Certificaattrajecten met korte, zelfstandig te volgen modules – mét civiel effect - horen bij zo’n flexibel aanbod.

En: bekostigde en niet-bekostigde onderwijsinstellingen moeten meer samenwerken en elkaars sterke punten benutten. In het advies noemen we enkele goede voorbeelden, vooral uit de technische hoek, waarin ROC’s samenwerken met particuliere opleiders en zo elkaar versterken.

Samenwerking op alle fronten

Dat brengt mij meteen bij de vierde prioriteit uit het SER advies en dat is het versterken van de samenwerking. Samenwerking op alle fronten! Om ons mbo sterk en innovatief te houden, dienen alle partijen veel meer en intensiever samen te werken dan nu het geval is. Allereerst zijn dat het onderwijs en de beroepspraktijk. Om de snelle ontwikkelingen op de arbeidsmarkt bij te houden en te vertalen in up-to-date en innovatief onderwijs dat aansluit bij regionale en sectorale behoeften, zullen contacten tussen scholen en bedrijven intensief moeten zijn. De SER heeft veel goede voorbeelden gezien, waar onderwijs en de beroepspraktijk echt heel nauw met elkaar samenwerken in de regio en tot innovatieve hybride leervormen komen. Ook spelen gemeenten en provincies steeds meer een rol in deze samenwerking, mede door de decentralisaties op de terreinen arbeidsmarkt en jeugdzorg.

Maar er is zeker nog ruimte voor versterking van de samenwerking en het leren van goede voorbeelden door kenniscirculatie en netwerkvorming. Docenten en praktijkopleiders zeggen dat zij weinig tijd en ruimte hebben om bij elkaar te kijken. En om studenten de begeleiding te geven die zij graag zouden willen geven. Ik geloof dat hier een wereld te winnen is. Daarom doet de SER voorstellen om de samenwerking tussen scholen, werkgevers en –lokale en provinciale - overheid te versterken.

Betere samenwerking is ook nodig tussen de onderwijssectoren en tussen mbo-instellingen. Hier ligt een relatie met wat ik eerder signaleerde: de krimpende beroepsbevolking gaat in een aantal regio’s tot forse dalingen van studenten in de initiële opleidingen leiden. Om toch een volwaardig aanbod van opleidingen in stand te kunnen houden, zullen onderwijsinstellingen creatief en innovatief moeten zijn en samenwerking tussen instellingen is een absolute noodzaak. Hier ligt een belangrijke uitdaging voor veel onderwijsinstellingen de komende periode.

HR-beleid op orde

Tot slot wil ik erop wijzen dat het mbo alleen kan floreren als de onderwijssector zijn HR-beleid op orde heeft. De kwaliteit van het onderwijs wordt bepaald door de professionals die daar werken: de docenten. Mbo-docenten ervaren nu een hoge werkdruk en weinig mogelijkheden om zich als professional te ontwikkelen en bij te leren. Hier moet verandering in komen.

En daar is een grote rol weggelegd voor de bestuurders van de instellingen. Het is hoog tijd voor de verdere ontwikkeling van de school als lerende organisatie, met goede mogelijkheden voor professionals om zich te blijven ontwikkelen en bij te blijven in hun vakgebied. Dat kan alleen als er voldoende gelegenheid is voor uitwisseling en contact met de beroepspraktijk. Alleen dan kunnen opleidingen tijdig up-to-date worden gemaakt. Zodat ons mbo ook in de toekomst tot de top blijft horen!

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Scholing en ontwikkeling.