LLO in het onderwijs en de rol van HR

Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij het Jaarcongres HRM & het Onderwijs: Toekomstlenig onderwijs: anders organiseren, leren en innoveren. De speech is uitgesproken door Jos de Groen, senior beleidsmedewerker SER.

26 november 2019

Het gesproken woord geldt. 

 

Dames en heren,

Het is mij een groot genoegen om u hier te mogen toe spreken. Ik spreek veel met mensen die werkzaam zijn in het onderwijs. De meeste gesprekken kenmerken zich door grote gepassioneerdheid. Gepassioneerdheid voor de kinderen en studenten, passie voor het vak, passie voor het beroep en passie voor het onderwijs als stelsel. Onderwijs is voor veel mensen niet alleen een beroep, het is soms bijna een roeping. Dat heeft belangrijke pluspunten voor het onderwijs, maar het levert ook knelpunten op.

Met u wil ik vanochtend verkennen wat het effect is van de dynamiek op de arbeidsmarkt voor het onderwijs en de wenselijkheid van een permanente leercultuur. Voor de ontwikkeling van de leercultuur is ook de HR-functionaris van essentieel belang. Onderwijsmensen zullen mee moeten bewegen met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en bij de ontwikkeling van de leercultuur en ondersteuning van HR bij die transitie is onontbeerlijk.

Afstand houden als HR

Zoals gezegd, wij, u hier in de zaal en ik bij de SER hebben ten aanzien van dat onderwijs een beetje vergelijkbare positie: we zijn er zeer mee begaan, maar we zijn zelf niet in het primaire onderwijsproces werkzaam. We staan net op iets grotere afstand. Dat maakt misschien ook dat wij sommige ontwikkelingen net iets anders zien dan de mensen die lesgeven. Ik wil vandaag met u verkennen hoe we onze afstandsblik kunnen benutten om de mensen voor de klas bij hun taak te ondersteunen en hen helpen hun werk nog beter, nog belangrijker en nog leuker te maken.

Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt van het onderwijs

Als HR mens hoef ik u niet te melden dat er van alles aan de hand is op de arbeidsmarkt. Er zijn enorme technologische ontwikkelingen gaande die enorme impact hebben op de werkzaamheden op bijna alle werkvloeren. Er zijn grote verschuivingen van de aard van de arbeidsrelaties van vast naar meer flexibel en nu weer een beweging naar meer vast. Er is een verschuiving van de scheiding tussen werk, privé en zorg. Er is een verschuiving van landelijke sturing naar meer regionale en lokale stimulering. En zo kan ik nog wel even door gaan.

Kenmerk van de veranderingen is dat ze direct betrekking hebben op de werkzaamheden van veel mensen en daarmee op de vaardigheden van mensen in nagenoeg alle bedrijven en organisaties. Wat moet een medewerker over vijf of over vijftien jaar kennen en kunnen om mee te kunnen draaien in het arbeidsproces? Hoe blijven we toekomstlenig?

Meebewegen naar LLO

Kunt u uittekenen wat we moeten doen om iedereen in de oekomst lenig te houden? Ik denk het niet. Wij kunnen het ook niet. Wij hebben er bij ons SER-advies Mens en technologie over opgeschreven dat het van belang is dat mensen kunnen meebewegen en zichzelf kunnen blijven ontwikkelen. Het gaat dan om vaardigheden als kunnen overleggen en communiceren, kunnen analyseren, probleem oplossen, creativiteit, enzovoort. De 21ste-eeuwse vaardigheden blijven ontwikkelen, moet wel worden gestimuleerd, ondersteund en er moet voldoende passend aanbod zijn. Dit geheel van factoren noemen we een blijvende leercultuur.
Overigens, begint die leercultuur en het leven lang ontwikkelen niet pas als het diploma gehaald is? LLO begint al in de kinderopvang. Al op jonge leeftijd is het van belang om te leren en te ervaren dat leren leuk is, dat het tegemoet komt aan je aangeboren nieuwsgierigheid. En: dat je niet per se in een schoolbank hoeft te zitten om te leren.

De SER heeft de verantwoordelijkheid gekregen van de minister van SZW om het leven lang ontwikkelen in Nederland aan te jagen. Nu kunnen we dit natuurlijk niet bij alle werknemers of bij alle (mkb-)bedrijven doen. Dat hoeft gelukkig ook niet, omdat in heel veel regio’s al heel veel gebeurt tussen bedrijven, lokale overheden en onderwijsinstellingen. Bij de SER maken we deze ontwikkelingen zichtbaar en koppelen we goede voorbeelden aan vragende regio’s.

Samen verantwoordelijk samen werken

Het onderwijs heeft de ingewikkelde taak om nieuwe én huidige generaties werknemers voor te bereiden op alle onduidelijke ontwikkelingen. Dat is een maatschappelijke taak. Maar nergens staat dat het onderwijs dat alleen moet doen. In de visie van de SER is de voorbereiding op de arbeidsmarkt een maatschappelijke taak, wat ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid is.

Het onderwijs pakt een deel van die verantwoordelijkheid op, maar hoeft het niet alleen te doen. Ook maatschappelijke partners, bedrijven, overheden, ouders en publieke organisaties, zouden een bijdrage moeten leveren en moeten kunnen leveren. Het onderwijs heeft daarbij volgens ons wel de professionele verantwoordelijkheid om dat ontwikkelproces te organiseren en regisseren. Scholen hebben expertise op gebied van didactiek en pedagogiek en voor de organisatie van een effectief leerproces. Dat kan heel goed gecombineerd worden met inbreng van de praktijk van het bedrijfsleven. Dit betekent dat het onderwijs intensief in contact zou moeten staan met de partners en nadrukkelijk moet samenwerken en afstemmen. Samenwerken is goed voor de lerenden, jong en oud, voor de bedrijven, voor de scholen en daarmee voor de hele samenleving.

Het wordt steeds duidelijker dat de scheiding van particuliere bedrijven en publieke onderwijsinstellingen niet effectief is om nieuwe generaties goed voor te bereiden voor de dynamische toekomst. Veel meer samenwerken en gebruik maken van elkaars sterke punten.

LLO voor samenwerken

Een belangrijke impuls voor betere samenwerking tussen onderwijs en maatschappelijke partners kan voortkomen uit meer aandacht van het onderwijs voor leven lang ontwikkelen. De ontwikkelingen die ik eerder schetste, zijn immers geen ontwikkelingen waarmee alleen jongeren te maken hebben. Alle mensen krijgen in hun werkzaamheden te maken met de technologische ontwikkelingen. Om ons eigen werk te kunnen blijven doen, zullen we ons allemaal moeten blijven ontwikkelen.

Daarvoor kunnen scholen, vanaf het voortgezet onderwijs, maar vooral het beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs een rol spelen bij het aanbod voor ontwikkeltrajecten voor mensen die aan het werk zijn. Een aanbod voor post-initiele ontwikkeling. Het mooie van dat aanbod kan zijn dat het onderwijspersoneel zo in heel intensief contact kan komen met de maatschappelijke partners waar de lerenden aan het werk zijn. Het onderwijs wordt dan direct verbonden met de beroepspraktijk. Dat kan het onderwijs alleen maar ten goede komen.

Meer maatwerk in samenwerking

Laten we niet te somber zijn voor de toekomst. Veel scholen spelen al goed in op de veranderingen in de maatschappij. Kenmerk van die scholen is dat ze zich intensief afvragen wat toekomstbestendige leerinhouden en vaardigheden zijn, en hoe die competenties kunnen worden verworven. De intensieve discussie in het Nederlandse onderwijs over 21ste-eeuwse vaardigheden is een goede discussie.
Volgens mij is een kenmerk van de toekomst dat het onderwijs minder strak in een keurslijf zit. Niet overal in Nederland hetzelfde programma, niet voor alle leerlingen hetzelfde tempo. Meer maatwerk, meer inspelen op mogelijkheden van de regio en interesses van kinderen en andere betrokkenen.

En natuurlijk het thema waarmee we begonnen zijn, meer samenwerken met de partijen in de omgeving. Het is voor onderwijsinstellingen een grote uitdaging om te bepalen hoe kinderen kunnen worden voorbereid voor een arbeidsmarkt die zo’n 10-15 jaar in de toekomst ligt. De beste kans op een realistisch onderwijsprogramma en relevante onderwijsdoelen lukt waarschijnlijk alleen in een hechte samenwerking van onderwijs en maatschappelijke partners.
Dit betekent samenwerking van onderwijsgevenden met maatschappelijke partners. Dat lesgevenden naar buiten treden en met anderen over de inhoud en organisatie van het ontwikkelproces van de studenten in gesprek gaan.

En daar komt u, HR-mensen, in beeld.

HR en onderwijs

Verbinding van onderwijs en maatschappij kan via de lijn van HR versterkt worden. Het zou mooi zijn als onderwijsmensen de mogelijkheid hebben om van tijd tot tijd in de praktijk aan het werk te gaan. En andersom, mensen uit de praktijk in het onderwijs aan de gang. Niet alleen als zijinstromer, maar ook als ‘hybride’ docent. Dat wordt best een hoop geregel waar mensen tegenop kunnen zien. Dast lijkt me een uitdaging voor HR-medewerkers om dat voor scholen en bedrijven goed te regelen. Zeker in een tijd van krapte op de arbeidsmarkt.

Daarnaast vraag je van onderwijsmensen ook een ander profiel. Niet alleen met de blik naar de klas of naar de leerstof, ook een duidelijke openheid naar de samenleving en de arbeidsmarkt. Dit zijn vaardigheden waarover niet alle onderwijsmensen beschikken, maar dat hoef ik u niet te vertellen. Ook hierbij heeft HR in het onderwijs in mijn optiek een meer dan faciliterende rol. Hierbij moeten we onze blik van afstand, waarmee ik begon, inzetten om deze ontwikkelambitie bij onderwijsmensen te activeren. Actief beleid maken om mensen in het onderwijs meer naar buiten te richten. Dat zal een investering vergen, maar voor de lange termijn zal hechtere samenwerking en uitwisseling alleen maar bijdragen aan weerbaarheid van de arbeidsmarkt en beroepsbevolking en actueel en relevant onderwijs.

U heeft vandaag een heleboel programmaonderdelen. Veel van de deelsessies zullen u in uw werk inspireren. Ik wil u daarbij uitnodigen om ook voor u zelf bij al die sessies na te gaan: wat doe ik hiermee binnen mijn organisatie en hoe kan ik daar de wereld van buiten bij betrekken?

Ik wens u een inspirerende conferentie.

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels