Responsiviteit van de hogeschool

Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer op de Bestuurdersconferentie van de Vereniging Hogescholen over responsiviteit van hogescholen, in co-referaat met Leonard Geluk
31 mei 2018
Het gesproken woord geldt.  

Gisteren was ik bij een grote bijeenkomst over leven lang leren. 300 mensen uit allerlei sectoren: onderwijs, zorg, techniek, begeleiding naar werk én twee ministers hebben daar met veel vuur met elkaar gesproken. We hebben afspraken gemaakt over hoe we samen een doorbraak gaan maken naar een maatschappij waarin leren en jezelf ontwikkelen een vanzelfsprekendheid is. Ik ben er nog helemaal enthousiast van. Ik hoop dat ik dat enthousiasme ook op u kan overbrengen vandaag. Want onderwijs heeft een centrale plek in onze samenleving.

Rol van het onderwijs

De positie van het onderwijs staat volop in de aandacht bij alle ontwikkelingen die we technologisch, economisch en sociaal doormaken. Ook in de SER is er enorm veel aandacht voor de rol van het onderwijs in de economie en de relatie van het onderwijs met de arbeidsmarkt. En omgekeerd, wat kan de relatie zijn van de arbeidsmarkt met het onderwijs. Onnodig te zeggen dat het hoger beroepsonderwijs daarin een zeer belangrijke plaats heeft.

Technologie zorgt voor dynamiek

De ontwikkelingen die de SER in de samenleving ziet hebben direct effect op het onderwijs. We zien een enorm snelle en invloedrijke ontwikkeling van technologie. Die ontwikkeling heeft gevolgen voor de arbeidsmarkt van de technische sectoren, maar ook voor alle andere sectoren. Tot voor kort was een ambitie om 4 op de 10 studenten een technische opleiding te laten volgen. Inmiddels wordt de ambitie uitgesproken om 10 op de 10 studenten tijdens de opleiding een technische basis te geven. Logisch, want de technologische ontwikkelingen hebben niet alleen effect op de techniek, maar op alle delen van de arbeidsmarkt, en op veel meer aspecten van het leven. De hele samenleving is al doordesemd met technologie en dat zal alleen nog maar meer worden. Daar krijgen we allemaal mee te maken, ook in het hoger beroepsonderwijs. De technologie heeft invloed op de inhoud van het onderwijs, maar ook op de organisatie en op de manieren waarop we met elkaar omgaan.

De snelle ontwikkelingen van de technologie zien we terug in de dynamiek in de samenleving. Zo is er een grote dynamiek op de arbeidsmarkt. Om een paar voorbeelden te geven:

  • De huidige scholieren (en studenten) zullen voordat ze 38 jaar zijn 10 tot 14 banen hebben gehad.
  • Waar we dat vroeger beschreven zouden hebben als 12 ambachten en 13 ongelukken, is de toekomstige loopbaan dus heel divers.
  • 65% van de huidige studenten krijgen banen die nu nog niet bestaan.
  • De 10 meest gewilde banen van 2013 bestonden in 2004 nog niet.
  • De huidige studenten gaan technologieën gebruiken die nu nog niet bestaan, voor problemen waarvan we nu nog niet weten dat het überhaupt problemen zijn.
  • We zullen met z’n allen langer moeten werken.

Om aantrekkelijk te blijven voor werkgevers, moeten we ons blijven ontwikkelen. Dat betekent bijscholing, ook in de latere fasen van het werkende leven, en misschien ook omscholing voor wie in een andere sector wil gaan werken. En op die dynamiek en die ontwikkeling moet u de studenten voorbereiden. Ga er maar aan staan!

Buitenstaander?

De organisatie heeft mij gevraagd om als betrekkelijke buitenstaander een beeld te geven hoe er van buitenaf naar het hoger beroepsonderwijs wordt gekeken. Nu zou ik mijn positie als “buitenstaander” beschrijven, op zijn zachtst gezegd een understatement noemen. Ik voel grote verwantschap met het onderwijs en het beroepsonderwijs in het bijzonder. In mijn loopbaan ben ik ook intensief bij het hbo betrokken geweest. Ik voel me eigenlijk helemaal geen buitenstaander. Door mijn positie bij de SER kan ik, mede op basis van de meningen van de sociale partners met wie ik samenwerk, wel iets zeggen over het hbo met een blik van buiten.

Gedifferentieerd beeld

Het hbo heeft in de buitenwereld meerdere gezichten. Eén ervan is een heel gedreven en empathische sector met gepassioneerd personeel en grote menselijke ambities. Tegelijkertijd is er ook het beeld van een sector met de blik naar binnen, met een eigen jargon, een eigen jaarritme, een eigen sectorakkoord, een eigen logica en een sector die weinig zakelijk is. Mensen die intensiever met het hbo te maken hebben nuanceren die extremen: ja, beide beelden zijn te vinden in het hbo, maar niet overal in dezelfde mate. Er zijn verschillen binnen één instituut en tussen vakgebieden. Er zijn verschillen tussen de instellingen. En er zijn verschillen in de regio’s.

Kortom, alle generalisaties over het beeld van het hbo gaan mank. Met die constatering vooraf wil ik toch een aantal generieke aanbevelingen doen gericht op de positie van het hbo in de samenleving.

Ramen en deuren open

Mijn belangrijkste aanbeveling: zet de ramen en deuren wijd open! De eerder genoemde dynamiek op de arbeidsmarkt en de snelle ontwikkeling van de technologie heeft enorme impact op de opleiding van studenten. De opleiding van de nieuwe generaties is een maatschappelijke opgave. Onderwijsinstellingen hebben daarin een vooraanstaande rol, maar ze staan daar niet alleen in. Ze zouden daarbij een veel groter beroep kunnen en moeten doen op hun maatschappelijke partners. Ook samenwerking met andere onderwijssectoren, zowel vo als mbo als universiteiten, kan die taak ondersteunen.

De samenwerking met de maatschappelijke partners in de regio, dat zijn ook de afspraken die u in het sectorakkoord met de minister van OCW heeft staan. Maar om eerlijk te zijn: de zeer beperkte betrokkenheid van maatschappelijke partners en andere onderwijssectoren in het akkoord is volgens mij een gemiste kans.

Samenwerken moet je doen…

Externe partners worden in het sectorakkoord rond de kwaliteitsafspraken marginaal genoemd. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat instellingen zelf niet veel verder zouden kunnen gaan in het betrekken van maatschappelijke partners en andere onderwijssectoren bij hun onderwijs en bij de kwaliteitsafspraken. Dat u wel zicht heeft op de meerwaarde van het open zetten van ramen en deuren klinkt uit de paragrafen in het akkoord over leven lang leren en de Centers of Expertise. Ik vind het jammer dat die benadering niet meer terug te vinden is in de initiële fase, waar het gaat over de kwaliteitsafspraken. Maatschappelijke partners die ik in de SER tref, zijn graag bereid om mee te denken en mee te doen. Ze willen daarbij graag een bijdrage leveren aan de opleiding van toekomstige generaties. Natuurlijk willen ze iets terugzien van hun bijdrage en investeringen, maar in toenemende mate zie ik dat maatschappelijke partners daarbij én langere termijn doelstellingen hebben én dat ze boven sectoraal denken. Met andere woorden, niet elke stagiaire hoeft meteen in dienst te komen en betrokkenheid bij het hbo (en ook bij mbo of vmbo) is geen verkapte vorm van een bedrijfsschool. Bedrijven zijn best bereid om een maatschappelijke verantwoordelijkheid te dragen.

…. En nu ook wederkerig!

De SER heeft in de reactie op de strategische agenda hoger onderwijs geadviseerd om de samenwerking wederkerig te laten zijn. Onderwijsinstellingen moeten een beroep kunnen doen op de maatschappelijke partners, en omgekeerd. Het onderwijs naar buiten brengen en de buitenwereld in het onderwijs halen. Onderwijs en praktijk veel sterker verbinden. Samenwerking is niet alleen een stageplaats en gastcollege. Samenwerken is intensief met elkaar zorgdragen voor een relevante en toekomstbestendige opleiding voor de toekomst van Nederland én de toekomst van de studenten én van de regio. Ik ben blij dat een heel aantal hbo opleidingen daarin nu al veel verder gaan dan in uw sectorakkoord is afgesproken.

Mbo-hbo-wo

De samenwerking met andere onderwijssectoren noemde ik zojuist al. Over die samenwerking wil ik nog iets meer kwijt. Goede samenwerking van de onderwijssectoren is niet alleen van groot belang voor de relatie met maatschappelijke partners en voor zoiets abstracts als “de maatschappelijke opdracht van het onderwijs”. Samenwerking tussen de verschillende sectoren is ook van groot belang voor de studenten. Ik vertel u niets nieuws als ik u erop wijs dat in Nederland studenten op jonge leeftijd al een keuze moeten maken voor hun studieloopbaan. De OECD hamert er in elke publicatie weer op, dat dat een risico zou kunnen zijn voor het opleidingsniveau van Nederland. De OECD onderkent dan ook weer dat het onderwijsstelsel in Nederland wel weer heel veel overstap- en stapelmogelijkheden biedt. Dat is de redding van ons stelsel en de redding van studenten die later tot inzicht komen dat een opleiding nog steeds heel veel waarde heeft.

Hbo heeft een scharnierpositie

Maar dan moeten we er natuurlijk wel voor zorgen dat de toegankelijkheid van doorstroming overeind blijft. De doorstroming van mbo naar hbo en van hbo naar wo, is een cruciale voorwaarde voor het in stand houden of verbeteren van het Nederlandse opleidingsniveau. Het hbo heeft daarin een heel belangrijke scharnierpositie. Het zit op het knooppunt van praktisch beroepsonderwijs en theoretisch wetenschappelijk onderwijs. Het is aan de hbo-instellingen om daar het goede evenwicht te vinden en er de effectieve mix van te maken. En de doorstroming gaat nu niet goed. Cijfers van het CBS van begin dit jaar laten zien dat de doorstroom van mbo-4 gediplomeerden naar hbo de afgelopen decennia stelselmatig is afgenomen. Doorstroming van mbo-4 naar hbo is afgenomen van 42 procent in 2005 naar 35 procent in 2016. Ook de succescijfers van de doorstromende mbo studenten vormen een uitdaging. Van de mbo-doorstromers met een Nederlandse achtergrond heeft net iets meer dan de helft, 52 procent, na 5 jaar een hbo-diploma. Van de studenten met een niet westerse achtergrond is dat nog géén derde, 29 procent. Dat zijn zorgelijke cijfers die u zich ongetwijfeld zult aantrekken. Ik zou daar nog wel meer over kunnen zeggen, maar laat ik mij houden bij het thema responsiviteit.

Wees niet bang om autonomie te verliezen

Mijn tweede aanbeveling voor het thema responsiviteit is: wees niet bang voor het verliezen van de autonomie. Onderwijsinstellingen leveren een bijdrage aan de maatschappelijke taak door de inzet van hun pedagogische, didactische en organisatorische expertise. Daarmee borgt de hbo-instelling zijn autonomie en positie in het regionale netwerk. De positie van het onderwijs kan veel minder afhankelijke worden gemaakt van de inhoud van het onderwijs. Voor de inhoud van het onderwijs kan de instelling best leunen op zijn maatschappelijke partners. Deze vorm van samenwerking zie ik ook op verschillende plaatsen tot ontwikkeling komen. Er zijn prachtige voorbeelden, die u ongetwijfeld ook kent.

Ik denk daarbij aan de Centers of Expertise die actief werken aan een nieuw evenwicht van innovatie, opleiding en regionale samenwerking. Ook hier geldt dat de voorbeelden niet hele instellingen beslaan; vaak is het een specifieke vakgroep die samenwerkt met een specifiek deel van de regio. Ik pleit er niet voor dat die voorbeelden allemaal worden “opgeschaald” of “breed worden uitgerold”. Ik pleit er wel voor dat er van die voorbeelden wordt geleerd. Dat de ervaringen van de goede voorbeelden worden benut voor de ontwikkeling van andere samenwerkingsrelaties.

Voorop lopen!

Een derde aanbeveling is dat de hbo-instellingen niet te bescheiden moeten zijn in hun innovatieambities. Of misschien beter, niet te bescheiden kunnen zijn in hun innovatieambities. Studenten moeten worden voorbereid op de toekomst, niet op de praktijk van vandaag en zeker niet op de praktijk van gisteren. Dat is nogal wat, in een tijd van snelle technologische ontwikkelingen, veel dynamiek op de arbeidsmarkt en grote transities in de samenleving. Hoe kan je dat als onderwijsinstelling geregeld krijgen? Vooral als je je realiseert dat het ook lang niet duidelijk is hoe de toekomst er uit gaat zien? Het hoger beroepsonderwijs moet zich misschien minder de vraag stellen hoe zij “responsief” kan zijn. Het hoger beroepsonderwijs -en ook de andere onderwijssectoren- wacht de uitdaging hoe zij innovatief kan zijn en het initiatief kan nemen. Niet volgen of reageren, maar voorop lopen! Ook dat is een onmogelijke opgave voor het onderwijs alleen, dat besef ik terdege. Maar het is wel een opgave die samen met de juiste maatschappelijke partners kan worden opgepakt. Samenwerken aan innovaties, samendoen met machines en technologieën, samen vraagstukken aanpakken en oplossingen vinden voor nieuwe problemen met nieuwe technologieën en op nieuwe werkwijzen. Daarvoor zijn samenwerkingsrelaties met onderwijsinstellingen bij uitstek interessant voor de maatschappelijke partners. Benut die positie! Het is ook een opgave die een scherpe doordenking vraagt van welke kennis en vaardigheden duurzaam zijn. Ook deze vraag kan alleen maar beantwoord worden in samenhang van wetenschap en praktijk.

Leven lang ontwikkelen

Mijn laatste aanbeveling richt zich op de verantwoordelijkheid van het hbo voor de grote groep mensen die geen student meer zijn. Mensen die inmiddels een diploma hebben en aan het werk zijn. Ik hoef u niet te vertellen dat deze mensen niet uitgeleerd zijn, maar dat het adagium is: een leven lang ontwikkelen. Ook hier zie ik grote verschillen in de rol die hbo-instellingen spelen. Sommige instellingen zijn heel actief op het terrein van post-initiële ontwikkeling, andere instellingen begeven zich voorzichtig en met terughoudendheid op deze markt. In het sectorakkoord bent u hiervoor ronkende doelstellingen aangegaan, die heel mooi aansluiten bij de recente adviezen van de SER. Vooral het gedeelte waarin u zich verbindt aan de omslag naar een lerende cultuur, maakt mij heel gelukkig. Wij zijn als SER door het kabinet gevraagd om daarvoor de aanjaagfunctie te vervullen. We hebben daarvoor gisteren een grote inspirerende startbijeenkomst gehad, waarover ik in het begin al sprak. Er zijn gisteren een groot aantal goede voorbeelden de revue gepasseerd, waarin uiteraard ook voorbeelden waarin hbo-instellingen de lead hebben. Maar ik kan u vertellen dat er op gebied van leven lang ontwikkelen nog veel meer mooie regionale voorbeelden zijn waar u zich bij aan kunt sluiten en waarmee samenwerking echte toegevoegde waarde zal hebben. De werkenden zijn een grote doelgroep voor opleidingen. Maar het aanbod van leven lang ontwikkelen kan ook een belangrijk instrument zijn voor de versteviging van de relatie met de maatschappelijke partners en andere onderwijssectoren. In het sectorakkoord spreekt u uit dat u vanuit uw stevige maatschappelijke verankering in uw werkgebied samenwerking aangaat op employability, innovatie en praktijkgericht onderzoek. Vanuit de SER wordt deze ambitie van harte ondersteund. Op de eerste plaats natuurlijk omdat uw maatschappelijke partners (en hun personeel) zichzelf ook moeten blijven ontwikkelen.

Bij-effecten

En ik zie nog twee andere belangrijke effecten van de relatie met de maatschappelijke partners gericht op leven lang leren. Het eerste “bij-effect” is dat een intensief contact met het werkveld voor het post-initiële programma een mogelijkheid is voor uw eigen personeel om zich ook te blijven ontwikkelen en op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen in het werkveld. Daarin zijn verschillende arrangementen mogelijk, zoals docentstages en de benutting van zij-instromers en baancombineerders. De samenwerking tussen opleidingen en werkveld is ook een mooie plek om ervaringen op te doen met sociale innovaties rond vak experts en docenten. Een ander “bij-effect” is dat de persoonlijke relatie met het werkveld een belangrijke impuls blijkt voor de ontwikkeling van de opleiding. We zien in de internationale wetenschap dat er steeds meer waarde wordt toegekend aan alumnibeleid en de persoonlijke relatie tussen opleiding en werkveld. Ik zie daaruit een organische samenwerking ontstaan waarvan we ons over een paar jaar afvragen hoe we dat ooit zonder hebben gedaan.

Hart onder de riem

Ik kom tot een afsluiting. Daarin wil ik u een hart onder de riem steken. Het Nederlands onderwijs staat nationaal én internationaal in hoog aanzien. Een hbo diploma vormt een méér dan uitstekende entree tot de arbeidsmarkt. Het hbo heeft een vaste plaats in ons onderwijsstelsel, een onomstreden plaats. Dat is een groot goed. Ik heb er daarom alle vertrouwen in dat het hbo ook in toekomst alle kansen heeft én die kansen zal benutten. Ik wens u daarbij veel succes.

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Scholing en ontwikkeling.