House of Skills - naar een regionale arbeidsmarktaanpak

Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij het diner pensant met ministeries, regionaal bedrijfsleven, onderwijs, sociale partners, lokale en regionale overheden, en arbeidsmarkttoeleiders, te Amsterdam.

13 februari 2018
Het gesproken woord geldt.

Hartelijk dank dat u mij hier vanavond heeft uitgenodigd. Ik vind het om twee redenen fijn om hier in uw midden te zijn.

In de eerste plaats vanwege House of Skills. Volgens mij heeft men hier heel goed gezien dat het arbeidsmarkthuis van de toekomst over de grenzen kijkt van een gemeente, of van een sector. Op de arbeidsmarkt van de toekomst is iedereen nodig en moet iedereen kunnen meedoen. Met iedereen bedoel ik allereerst alle leerlingen, uitvallers, en werkenden, ongeacht hun opleidingsniveau, achtergrond en het contract dat ze hebben. Maar ik bedoel ook u hier in de zaal.

Puzzelen voor een skillsakkoord

Want u bent de tweede reden waarom ik blij ben hier te zijn: zodat ik een appel kan doen op u om bij te dragen aan de ambitie. Allemaal hebt u een stukje van de puzzel in handen om het arbeidsmarkthuis van de toekomst verder vorm te geven. Een huis waar ontwikkeling en mobiliteit vanzelfsprekend tot stand komen. Laten we vanavond proberen die puzzel in elkaar te zetten. Een regionaal skills akkoord zou ik van harte toejuichen.

Het bij elkaar brengen van de regionale en de sectorale wereld is een kernvraag bij een skillsakkoord. Als dat gesprek op een andere plek tot stand komt dan hier, prima. Als het maar op gang komt!

Op landelijk niveau denkt de SER er hard over na hoe we alle goede regionale én sectorale initiatieven kunnen verbinden in een landelijk skillsakkoord. Op veel andere plekken, zowel landelijk als regionaal, wordt zo’n oproep ook gedaan.

Om straks de discussies aan de tafels goed te kunnen voeren, wil ik u graag schetsen waar het idee van een skillsakkoord vandaan komt en hoe de SER daar naar kijkt. Ik doe dat in drie stappen.

  1. de urgentie: Wat is de uitdaging waarvoor we staan en hoe kunnen afspraken tussen belanghebbenden daarbij helpen? 
  2. de inhoud: Wat zou je in een skillsakkoord willen regelen? 
  3. het proces: Wat is er nodig van alle partijen om tot die afspraken te komen? 

Voor welke uitdagingen staan we?

Laat ik beginnen met de urgentie. Wat is de uitdaging waarvoor we staan? Als SER zien wij we dat een stapeling van ingrijpende transities, zoals technologisering, energie en globalisering, steeds meer invloed krijgen op ons leven en werk. Die veranderingen bieden ons onmiskenbaar allerlei kansen om morgen de dingen slimmer te doen dan vandaag: snelle dienstverlening, betere zorg, een duurzame energievoorziening, en goede mobiliteit. Die ontwikkelingen bieden burgers meer kansen om regie te nemen op hun ontwikkeling.

Tegelijkertijd zien we dat transities gepaard gaan met onzekerheid voor mensen en bedrijven. Het tempo waarin banen verdwijnen en ontstaan neemt nog steeds toe. Vaak ontstaan banen in andere sectoren dan waar er banen verdwijnen. We zien dat mensen steeds vaker moeten veranderen van baan, en vaak ook van sector. En we zien ook dat de inhoud van een baan niet hetzelfde blijft. De dubbele uitdaging voor morgen is om de kansen te pakken die al deze veranderingen ons bieden. Maar dan wel te zorgen dat we daarbij iedereen betrekken. Ik zei het al: in de samenleving van de toekomst is immers iedereen nodig en moet iedereen kunnen meedoen.

Om dat te bereiken is het nodig dat alle groepen in de samenleving over de juiste vaardigheden beschikken - wij gebruiken vaak de wat bredere term skills - om mee te doen in een snel veranderende wereld. En om vervolgens die skills, veel meer dan nu, bij te houden en verder te ontwikkelen. Dat vraagt een enorme omslag bij mensen, werkenden en bedrijven, namelijk naar een leercultuur waarin het vanzelfsprekend is dat iedereen zich ontwikkelt. Die uitdaging is beschreven in het Diagnostic Report voor Nederland dat de OESO vorig jaar uitbracht en waar het kabinet en de SER nauw bij betrokken zijn geweest.

Een belangrijke constatering in dat rapport is dat geen enkele partij in zijn eentje die omslag realiseren kan, maar dat een grote, gezamenlijke inspanning nodig is. Het OESO-rapport leidde daarom tot een oproep tot een nationaal skillsakkoord. Een oproep die we in twee van onze recente onderwijsadviezen, over het mbo en over leren en werken tijdens de loopbaan, nog eens herhaald hebben. We zijn ook blij met de oproep in het Regeerakkoord aan sociale partners om met anderen afspraken te maken over een leven lang leren.

De insteek van zo’n akkoord is overigens niet, dat zeg ik meteen maar, om een nieuwe wereld te ontwerpen, maar juist ook om te benutten, te versterken en te borgen wat er allemaal al is. En om belemmeringen daarin weg te nemen. Dat partijen over hun eigen grenzen heen kijken, elkaar opzoeken en samen aan de slag gaan met de ontwikkeling van alle groepen. Dát willen we graag faciliteren. Dat past dus heel goed bij de oproep tot een akkoord vanuit de negen Topsectoren en een andere oproep vanuit vier regionale SER’en. Ik denk dat het ook prachtig past bij het regionale skillsakkoord waarvoor jullie vanavond een aantal bouwstenen leggen.

Het gaat om een prikkelende leercultuur

Dan kom ik bij de inhoud. De ambitie van het akkoord zou moeten zijn te komen tot een vanzelfsprekende, prikkelende leercultuur voor werkenden en bedrijven. Waarbij werken, leren én innoveren bij elkaar horen. En waarbij we het lerend vermogen gebruiken om maatschappelijke en economische doelen te bereiken.

Nu we de urgentie en de ambitie geschetst hebben waar we met zijn allen voor staan, is de vraag: Wat zou je in zo’n akkoord precies willen regelen? Vooropgesteld: dat is uiteraard aan u. Toch wil ik u graag een beetje op weg helpen door wat eerdere gedachten hierover samen te vatten.

Drie rode draden

De SER heeft een aantal zaken geadviseerd, met name in het advies Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan. Dat zijn dus voorstellen die door de werkgevers en werknemers samen gedragen worden. Maar ook allerlei andere belanghebbenden hebben bij de presentatie van het OESO-rapport aan dertien tafels die vraag al eens verkend. Als we alle bijeenkomsten, adviezen, rapporten en de vele gesprekken bij elkaar zetten, zien wij als SER drie rode draden in de ambities.

Iedereen heeft toegang tot een infrastructuur voor een leven lang ontwikkelen, met zo min mogelijk drempels en schotten. Daarmee bedoel ik dat alle groepen de mogelijkheid hebben om zich te ontwikkelen. Ook intersectoraal, ook informeel, ook voor laaggeletterden. En dat zij verder aangemoedigd en geholpen worden om regie te nemen over de eigen ontwikkeling en participatie.

Leren, werken en innoveren raken meer op elkaar afgestemd en waar mogelijk geïntegreerd. Dat betekent iets voor opleiders, namelijk dat hun leer- en ontwikkelaanbod naar vorm en inhoud beter aansluit op de behoeften van de lerenden en de bedrijven. Maar het betekent nog iets voor bedrijven, namelijk dat leren een veel meer vanzelfsprekend onderdeel wordt van het werk.

Het leren zelf is mooi en betekenisvol, maar heeft nog meer waarde als we het lerend vermogen actiever aanwenden om de economische en maatschappelijke kansen te benutten: betere zorg, duurzame energie, economische groei, werkgelegenheid, zelfredzaamheid en participatie. Niet alleen het leren kunnen we samen stimuleren, maar ook het gebruik van dat lerend vermogen.

Dat is nog altijd abstract. Ons advies Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan biedt al wat inkleuring. Bij die infrastructuur zonder schotten zou je kunnen denken aan laagdrempelig loopbaanadvies en een leerrekening, maar ook aan algemene en intersectorale scholing door O&O-fondsen. Bij het integreren van leren en werken hebben we aanbevelingen gedaan over een flexibel en praktijkrelevant aanbod, en over valideren van informeel leren. En bij het benutten van kansen zou je kunnen denken aan het aanjagen van slimme samenwerking in de regio tussen ondernemers, onderwijs, overheid en sectoren.

In het advies Agenda Stad, dat de SER in 2015 publiceerde, staat dat de samenwerking in de regio cruciaal is voor sterke, toekomstgerichte steden. Veel uitdagingen voor de steden, denk aan werkgelegenheid maar ook aan huisvesting, infrastructuur en recreatie, vragen inspanningen op veel niveaus en van veel spelers: rijk, gemeente, onderwijs, sociale partners. Het gaat dus om publieke én publiek-private samenwerking.

Een akkoord voor leren, werken en innoveren

Ik heb nu iets verteld over de urgentie van een akkoord en over de inhoud ervan. Maar daarmee ligt een cruciale vraag nog open, namelijk: wat is ervoor nodig? Heel veel, voor een echte doorbraak rond leren, werken en innoveren is immers iedereen nodig. Gelukkig kun je die vraag ook omdraaien: wat is er al? Ook daarop is het antwoord: heel veel.

Regio’s en sectoren zijn namelijk ongelofelijk actief. Ze pakken de voortrekkersrol, voor de eigen regio en sector, én zijn de verbindende schakel met de omgeving en andere sectoren. De SER heeft daarom aanbevolen om de arbeidsmarktregio’s verder te ontwikkelen, om bij voorbeeld regionale economische agenda’s te verbinden met regionaal arbeidsmarktbeleid. Tegelijk is de beweging niet overal, ook niet altijd structureel, en werken initiatieven soms langs elkaar heen. Bovendien lopen die initiatieven soms tegen knelpunten aan die ze niet zelf kunnen oplossen.

Het Energieakkoord heeft ons geleerd hoe moeilijk het is om die wisselwerking te organiseren, om de energie te stroomlijnen in gezamenlijke, door alle partijen gedragen ambities voor de lange en korte termijn. Maar het heeft ons ook geleerd dat het kán. Het is mooi om te zien dat allerlei verschillende partijen met zeer uiteenlopende belangen uiteindelijk over hun eigen schaduw heen stappen en overeenstemming vinden over een gezamenlijke koers. Het energieakkoord is ondertekend door 47 partijen die zichzelf committeerden aan 175 afspraken. Aan de uitvoering en bijsturing wordt continu gewerkt, terwijl de opvolger, het Klimaatakkoord, er al aankomt.

Zo’n gezamenlijke doorbraak zou ik het leren van de toekomst ook gunnen. Investeren in kennis is om allerlei redenen hard nodig. Om werkenden en bedrijven wendbaar te houden. Om de innovaties te realiseren die de banen en de groei van morgen opleveren. Om de zorg en de leefomgeving toekomstbestendig te maken. Én om burgers te blijven betrekken bij een samenleving die steeds complexer wordt.

Dat zijn flinke ambities. Niemand kan dat alleen, dat hoeft ook niet. Ik heb u nu geschetst hoe de puzzel eruit kan zien als die af is. Als u zo weer met uw buurman spreekt, denkt u dan even aan welk puzzelstukje u in handen heeft, en of dat misschien mooi past op dat van uw buurman.

Als we er vanavond in slagen om samen een kleine stap te zetten naar de arbeidsmarkt van morgen, dan ben ik heel blij. Áls we met zijn allen die stap maar zetten. Ik heb daar alle vertrouwen in.

 

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Arbeidsmarkt. Onderweg naar het werk.