Vraaggesprek met Curriculum.nu, de ontwikkelteams voor een nieuw curriculum voor het funderend onderwijs

3 oktober 2018

Wat doet de SER en wat is de link met Curriculum.nu?

De SER is de belangrijkste adviseur van de regering voor sociaal economische vraagstukken. De SER wordt gevormd door drie geledingen: de werkgevers van Nederland, de werknemers en onafhankelijke kroonleden. De SER adviseert over alle denkbare sociaal economische onderwerpen. We adviseren bijvoorbeeld over pensioenen, kinderopvang, stimulering van vrouwen in topposities, omgaan met gevaarlijke stoffen, hoe om te gaan met vluchtelingen en hoe de arbeidsmarkt kan bijdragen aan de economische groei. We hebben afgelopen jaren een aantal adviezen uitgebracht over onderwijs en ontwikkelen, zoals over leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan, de versteviging van het middelbaar beroepsonderwijs, en een reactie op de ideeën voor het hoger onderwijs. Een van de adviezen was gericht aan de commissie Schnabel met onze aandachtspunten voor het toekomstig programma van het funderend onderwijs. Dit was onderdeel van de eerste fase van Onderwijs 2032. De SER kiest voor zijn adviezen de sociaal economische ontwikkeling van Nederland als uitgangspunt. Zo kijken we dus ook naar het onderwijs. Ik realiseer me terdege dat er ook andere manieren mogelijk zijn om naar het onderwijs te kijken, maar ook vanuit het perspectief van de arbeidsmarkt en de economische ontwikkeling van Nederland bent u met een heel belangrijk proces aan het werk.

Wat zijn de belangrijkste trends die je nu ziet in de samenleving?

We zien grofweg 4 trends. Er zijn technologische ontwikkelingen die grote invloed hebben op ons werk en op de manier waarop we ons leven inrichten. Daarnaast zien we verschuivingen in de samenleving die ook veel impact hebben: we worden vitaler oud, werken langer door, de bevolking vergrijst en mede daardoor wordt er meer gevraagd aan mantelzorg. Globalisering is natuurlijk ook een belangrijke ontwikkeling die veel effect heeft op onze welvaart en ons welzijn. De laatste trend is verduurzaming. Meer aandacht voor milieu en gezondheid en aandacht voor de langere termijn effecten van onze activiteiten van dit moment. Werkzaamheden veranderen, de omgang met andere mensen verandert, levensfasen krijgen een ander karakter, arbeidsverhoudingen worden anders en ga zo maar door. Waar we over 5 jaar staan is moeilijk te bepalen. Laat staan hoe de wereld eruit ziet als de kinderen die in augustus aan groep 3 begonnen zijn in 2030 of 2032 op de arbeidsmarkt komen.

Een voorbeeld: een mooie baan in de wereld van het aardgas was een paar jaar geleden nog een grote zekerheid. Nu weten we dat dat er anders uit ziet. We zitten volop in de energie transitie. Gas- en kolenmensen zijn straks minder nodig. Tegelijkertijd zien we de enorme vraag naar installateurs van zonnepanelen, oplaadpalen en windmolens. Dit soort wijzigingen hebben we door de geschiedenis heen veel gezien. Er zijn grote wijzigingen waar we in deze tijd mee te maken krijgen. Het idee dat je één keer een opleiding doet en daarna tot je pensioen bij één baas aan het werk gaat was nog niet zo lang geleden het gangbare model. Mensen wisselen mensen tegenwoordig veel meer van baan. De huidige studenten zullen tegen de tijd dat ze 40 zijn, zo’n 14 banen hebben gehad. Het dringt steeds meer door dat je je hele leven moet blijven ontwikkelen. Niet alleen om zo nodig carrière te maken, maar ook al om het werk te blijven doen wat je doet. Het stimuleren van leven lang ontwikkelen voor volwassenen daar zijn we bij de SER volop mee bezig. Maar het leven lang ontwikkelen begint al in het funderend onderwijs. Eigenlijk ook al daarvoor, in de kinderopvang. Het is belangrijk dat “leren” niet als een straf wordt ervaren, maar dat de kinderen plezier beleven aan het ontdekken en bekwamen.

En dan is het natuurlijk ook van belang dat de inhoud van wat men leert aansluit bij de snelle ontwikkelingen. Dat betekent ruim aandacht voor basisvaardigheden als lezen, schrijven en computer gebruik, maar ook vaardigheden als samenwerken, analyseren en communiceren, de zogenaamde 21e eeuwse vaardigheden. En dat uiteraard in relevante samenhang.

De laatste opmerking die ik hierover wil maken geeft misschien ook weer wat lucht. Ik merk in toenemende mate een grote bereidheid van bedrijven en maatschappelijke partners om zich met onderwijs bezig te houden en in onderwijs te investeren. Niet alleen om in een vroeg stadium personeel te werven, maar omdat men erkent dat opleiden een maatschappelijke taak is. Opleiden is niet alleen een zorg van het onderwijs, maar een verantwoordelijkheid van de hele samenleving. We zien daarom steeds meer regionale samenwerkingsverbanden van bedrijven, maatschappelijke organisaties, scholen en overheden. Veelal in het beroepsonderwijs, maar ook steeds meer in het funderend onderwijs.

Wat vind je van dit curriculum.nu proces?

Het is een groot goed dat we de leerinhouden fundamenteel tegen het licht houden. Dat mag duidelijk zijn na mijn vorige antwoord over alle ontwikkelingen. De SER heeft dat ook in het advies aan de commissie Schnabel onderstreept. Ook goed dat er in dit proces veelvuldig gebruik wordt gemaakt van input van externe partijen zoals de sessie met NL2025.
De samenwerking met maatschappelijke partners nu, maar vooral ook straks, als het curriculum in uitvoering wordt genomen, is volgens de SER een belangrijke voorwaarde voor relevant onderwijs. U legt daarvoor een stevig fundament. Het is belangrijk dat u, de professionals van het onderwijs, hierin zo’n duidelijke positie in neemt. Dat is een mooie ontwikkeling waarbij er een grote verantwoordelijkheid op uw schouders rust, maar waarvoor ook een grote mate van vertrouwen is dat het u gaat lukken. Maar bovenal is het een majeure klus. Veel respect voor u, de mensen die de klus aangepakt hebben. Respect voor u, dat u niet gaat zitten mopperen, maar dat u de handen uit de mouwen steekt en er werk van maakt. Alleen daarom al is dit proces geslaagd. Op basis van de energie in dit gezelschap en de opbouw van het proces heb ik er groot vertrouwen in dat het een mooi product gaat worden.

Je bent ook Tweede Kamerlid geweest. Stel dat jij weet dat je straks de producten van deze leraren en schoolleiders moet beoordelen, waar zou je dan op letten?

De Kamerleden gaan uw werk natuurlijk niet overdoen. Een enkeling misschien daargelaten zullen de Kamerleden zich niet op de inhoud richten.
Ik zou wel kijken naar de zorgvuldigheid van het proces. Hoe bent u tot het nieuwe programma gekomen. Wie zijn daarbij betrokken? Ouders, leraren, schoolleiders, maatschappelijke partners, wetenschappers? Ik zou ook een oordeel proberen te vormen over de mate waarin het nieuwe curriculum voorbereid op de toekomst. Hoe actueel is het programma en hoeveel ruimte biedt het om met bewegingen mee te gaan? Niet voor de eeuwigheid, maar wel voor de komende jaren. Tenslotte ook een oordeel over de realiseerbaarheid. Kan het curriculum uitgevoerd worden met de huidige leraren populatie en in het huidige stelsel. Wat is het verschil tussen wat u oplevert en hoe het onderwijs nu is?

Welke tip wil je de Ontwikkelteam-leden meegeven?

Houd een open blik voor de ontwikkelingen en de positie die het onderwijs daarin inneemt. Onderwijs is een doorgaans vrij gesloten systeem, een eigen wereld. Houd de ogen open voor de wereld buiten het onderwijs.
U hoeft het niet allemaal alleen te doen, er staat een dorp om u heen om een kind te helpen opvoeden en opleiden. Maatschappelijke partners staan te trappelen. Het is wel zaak dat de twee werelden elkaar willen begrijpen en respecteren. Daarnaast, het leren van de inhoud is ook niet eenmalig. Iedereen zal zich moeten blijven ontwikkelen. Wat wel een belangrijke eerste slag is, is het ontwikkelplezier. Als kinderen eenmaal een antipathie tegen leren hebben ontwikkeld, is dat later een stuk moeilijker weer recht te breien. En tenslotte, benut uw energie en uw nieuwsgierigheid. U heeft een unieke kans om het onderwijsprogramma een mooie wending te geven. Als we alles bij hetzelfde zouden willen laten, was dit hele feest niet nodig geweest. U steekt uw nek uit, blijf dat vooral doen!




Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels