School en armoede

Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer voor het Seminar School en armoede te Amsterdam, georganiseerd door ABN-AMRO Foundation, het Jeugdeducatiefonds en Stichting Kinderpostzegels.

14 maart 2018
De onderstaande tekst bevat de bouwstenen voor de toespraak van Mariëtte Hamer en is daarom niet bedoeld om letterlijk uit te citeren.

 

  • Dank voor de uitnodiging en wat mooi dat de ABN-AMRO Foundation, het Jeugdeducatiefonds en Stichting Kinderpostzegels samen de handschoen hebben opgepakt om een seminar te organiseren over hoe scholen meer en beter invulling kunnen geven aan hun rol in het bestrijden van armoede onder kinderen.
     
  • Dat is een thema waarvoor de SER in zijn advies Opgroeien zonder armoede ook nadrukkelijk aandacht heeft gevraagd.
     
  • In 2016 heeft de SER de vraag vanuit kabinet gekregen wat gedaan kan worden om het structureel grote aantal kinderen in armoede te verlagen. De vraag speelde toen al een tijdje waarom de ingezette maatregelen (en middelen) niet het gewenst effect hebben gehad (verlaging aantallen).
     
  • We zagen en zien dat het aantal kinderen in armoede over de jaren structureel op een hoog niveau blijft steken. Het maakt daarbij niet uit welke definitie je gebruikt. De trend is onmiskenbaar en het is een hardnekkig probleem.
     
  • Wat bovendien opvalt, is dat het aandeel kinderen in langdurige armoede toeneemt.
     
  • Het aantal kinderen die het betreft zal per regio en gemeente verschillen. In bepaalde wijken van grote steden zijn het er aanzienlijk meer, maar ook in welvarende kleine gemeenten komt dit voor! 
     
  • De gevolgen van armoede zijn groot; er zijn negatieve effecten op de cognitieve ontwikkeling en de leerprestaties, en op langere termijn een hogere kans op armoede als volwassene. 
     
  • Binnen het bestuur van de SER was het in eerste instantie de vraag of dit wel een geschikt onderwerp voor de SER was. Maar we waren het er snel over eens dat structurele oorzaken van armoede het hart van het werk van de SER raken. 
     
  • Het gaat dan immers over werk, inkomen en inkomensondersteuning, maar ook over gelijke kansen voor kinderen. De SER vindt dat het er niet toe zou mogen doen waar iemands wieg heeft gestaan voor het ontplooien van de talenten die die persoon heeft. We hebben daar al de nodige adviezen over gemaakt, zoals het advies over kindvoorzieningen Gelijk goed van start. Het SER-advies Opgroeien zonder armoede sluit daar heel mooi op aan net als trouwens het advies van de Kinderombudsvrouw. 
     
  • Ik ga in mijn bijdrage eerst kort in op de hoofdlijnen van ons advies en zal daarna inzoomen op scholen en armoede

Wij hebben drie structurele oorzaken geduid

Ten eerste werk en inkomen.

  • Er is een verband tussen armoede en laagbetaald en onzeker werk. Armoede hangt ook samen met een laag besteedbaar inkomen en hoge vaste lasten zoals met name woonlasten.
     
  • Daarnaast is de re-integratiepraktijk niet optimaal, waardoor uitstroom uit de uitkering niet altijd de oplossing is tegen armoede. Mensen werken wel, maar komen niet duurzaam uit de armoede. Ook blijkt dat werken niet altijd voldoende loont. 
     
  • Ons viel ook op dat er grote groepen huishoudens zijn die een redelijk inkomen hebben (middeninkomen) maar door hoge kosten en inhoudingen netto weinig geld overhouden voor bijvoorbeeld sociale participatie van hun kinderen.

Ten tweede de wijze waarop we inkomensondersteuning in Nederland hebben geregeld

  • Mensen krijgen ondersteuning via toeslagen, dat is een erg complex systeem waarin belasting wordt geheven en weer wordt teruggegeven. De huidige systematiek leidt tot veel herstelacties en daarmee tot schulden. Dat behoeft geen toelichting, denk ik. 
     
  • Er zijn ook veel lokale inkomensondersteuningsregelingen. Veel mensen weten echter niet waar ze recht op hebben, of weten de weg ernaartoe niet te vinden. 
     
  • Daarbij viel ons met name op dat met name werkende minima weinig profiteren van inkomensondersteunende maatregelen. Er worden strikte inkomensgrenzen gesteld, daardoor is het een alles-of-niets-systeem.

Een derde hoofdoorzaak zijn de schulden

  • Veel huishoudens, en niet alleen de minima, hebben schulden en krijgen (of zoeken) te laat hulp. 
     
  • Dit is een groot maatschappelijk probleem met grote kosten. Er zijn allerlei voorzieningen om mensen te helpen, maar er is een wereld te winnen met preventie en effectieve dienstverlening.

Vervolgens hebben we ons de vraag gesteld, wat te doen?

  • De SER vindt dat we ervoor moeten zorgen dat kinderen geen nadeel ondervinden van de armoede van ouders. We moeten gelijke kansen voor kinderen creëren 
     
  • Dat vraagt om preventie van armoede en het wegnemen van structurele oorzaken. Voorkomen is beter dan genezen. 
     
  • En daarnaast moeten we de kinderen in armoede helpen. Daar speelde het kabinet op in met 100 miljoen voor armoede onder kinderen. 
     
  • We zien dat de fondsen hier samen met gemeenten werk van maken. En er zijn al mooie resultaten te zien, zo is het aantal kinderen dat door Leergeld is gesteund, in een jaar tijd met 27 procent gestegen 
     

Wij vinden dat er een meerjarige en structurele aanpak nodig is waardoor je in een kabinetsperiode het aantal kinderen in armoede een paar procentpunt omlaag brengt

  • Ook op lokaal niveau kun je werken met toetsbare doelstellingen. Iets wat we helaas nog weinig zien in de praktijk 
     
  • Het bereik en gebruik van bestaande instrumenten kan worden verbeterd. We willen dat de inkomensondersteuning bij de juiste doelgroep terechtkomt. 
     
  • Daarvoor moeten bestaande regelingen en systematieken zoals toeslagen eenvoudiger worden gemaakt. 
     
  • We vinden ook dat breder het inkomensplaatje van huishoudens tegen het licht moet worden gehouden, denk aan de hoogte van uitkeringen, de kosten van de vaste lasten, het bruto-netto traject bij werk. 
     
  • Werken moet lonen, hoort hier ook bij. Dat zijn fundamentele operaties, maar ze moeten wel onderdeel zijn van het totale pakket maatregelen. 
     
  • Verder, het beleid moet vooral meer inspelen op de groep kinderen van werkende minima. Deze zijn nog onvoldoende in beeld. Soms worden ook strenge inkomenscriteria gehanteerd waardoor ze noodzakelijke steun missen.
      
  • De effectiviteit van beleid en instrumenten kan worden verbeterd. Er zijn bijvoorbeeld interessante nieuwe inzichten vanuit gedragswetenschap. Mensen zijn echt niet altijd in staat alle voorzieningen te benutten, maar moeten misschien ook minder snel gestraft worden als ze een foutje maken. De zelfredzaamheid van mensen moet wel realistisch worden benaderd. Regelingen moeten toegankelijker worden gemaakt.
     
  • Eerder noemde ik al het belang van preventie, maar voorkom ook terugval, laat mensen niet los zodra ze weer werk hebben, of zodra ze zonder schulden zijn.

Tot slot wil ik ingaan op de uitdagingen voor scholen

  • In het advies is ingegaan op rollen en verantwoordelijkheden van Rijk, ouders, gemeenten, middenveld, onderwijs. 
     
  • Het onderwijs is wat ons betreft niet verantwoordelijk voor bestrijden armoede maar moet zich wel bewust zijn van zijn eigen rol. 
     
  • De SER vindt dat scholen deelgenoot worden van wat armoede voor het kind betekent en wat het met het kind doet. 
     
  • Ook is het goed als scholen, en de mensen die in het onderwijs werken, inzicht hebben in waarom mensen bijvoorbeeld hun schoolbijdrage niet betalen. Er is veel onmacht bij de ouders die het betreft. 
     
  • De resultaten van het onderzoek dat door ABN AMRO is gedaan, zijn daarbij heel bruikbaar om inzicht te krijgen in de vraagstukken waar docenten en management tegenaan lopen in de praktijk van de klas. 
     
  • Wij hebben gesteld dat scholen een belangrijke signalerende, informerende en doorverwijzende rol hebben, die concreter uitgewerkt kan worden. 
     
  • Uit onderzoek blijkt dat scholen en gemeenten lang niet in alle gemeenten samenwerken voor het terugdringen van armoede. In 65 procent van de gemeenten is er sprake van samenwerking. Die contacten blijken veelal incidenteel te zijn. Daar is nog een flinke slag te maken. 
     
  • Dit is ook een van de redenen waarom de SER pleit voor een armoederegisseur bij de gemeente. 
     
  • Er is behoefte aan goede coördinatie op lokaal niveau met een aanspreekpunt voor scholen (en overigens ook de maatschappelijke fondsen, kerken en anderen). En binnen de gemeenten moet men meer integraal gaan werken. Dat vraagt regie en afstemming. 
     
  • Scholen en het onderwijspersoneel moeten handzame informatie krijgen over wat zij zelf kunnen doen en hoe signalen kunnen worden opgevangen en hoe doorverwijzing kan plaatsvinden. 
     
  • Het is zaak dat dit breed gedragen wordt binnen de school, nu zien we nog dat individuele docenten op eigen initiatief kinderen helpen. Het zou goed zijn als minister en PO en VO-raad daar aandacht aan besteden. 
     
  • Wij hebben daarnaast gewezen op het beheersbaar houden van schoolkosten. Dat is een verantwoordelijkheid van scholen en ouders samen. 
     
  • In het advies hebben we gesteld dat je kritisch moet nadenken over wat je als school van ouders (en kinderen) vraagt.
     
  • Wij hebben hierover veel gehoord van ouders en het dan ook goed dat hier nu een kritisch debat wordt gevoerd. Het is goed dat minister Slob van Onderwijs vorige week meldde dat leerlingen niet de dupe mogen worden van de vrijwillige ouderbijdrage. Leerlingen mogen niet worden buitengesloten als hun ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet betalen. 
     
  • De school moet zich steeds afvragen of ieder gezin de gevraagde bijdrage kan opbrengen. Ook moet actief worden verwezen naar ondersteunende voorzieningen. 
     
  • Maar er speelt meer. De digitalisering van het onderwijs is een grote uitdaging. Digitale leermiddelen zijn haast niet meer weg te denken uit het onderwijs. We moeten daarom fundamenteel de vraag stellen wat nog tot gebruikelijke kosten van schooldeelname kan worden gerekend. 
     
  • Het basisonderwijs is dan wel kosteloos, evenals het schoolmateriaal. Maar overige kosten zoals de vrijwillige ouderbijdrage, overblijfgeld, excursies, extra schoolapparatuur, niet. 
     
  • Zonder goede ICT-voorzieningen kun je als kind steeds moeilijker in de klas meedoen. 
     
  • Met name kinderen in het voortgezet onderwijs volgen op hun telefoon de lesroosters en magister, ze wisselen onderling vragen over huiswerk uit via WhatsApp, delen werkstukken per mail. Docenten doen leuke digitale quizzen tijdens de les. 
     
  • Daarvoor zijn goed werkende smartphones, laptops en tablets nodig. Is het aan gemeenten en fondsen om daarin te voorzien? 
     
  • Allereerst moet een school zich afvragen of zo’n middel altijd nodig is, maar laten we fundamentelere oplossingen verkennen om dergelijke schoolkosten (met name als gevolg van digitalisering) te beperken. Wij richten ons hiervoor tot de minister van Onderwijs. Scholen kunnen dit niet alleen oplossen. 
     
  • Tot slot vraag ik aandacht voor de rol van scholen om kinderen te leren verantwoord met geld om te gaan. Kan dit (weer) onderdeel worden van lespakketten? Het voordeel hiervan is dat er geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen arme en niet-arme kinderen.

Ik rond af

  • Zowel werkgevers als werknemers en onze kroonleden omarmen dit onderwerp en willen dat er verbeteringen worden doorgevoerd. 
     
  • De Tweede en Eerste Kamer hebben er al veel debatten over gevoerd en moties over ingediend. 
     
  • Er gebeurt momenteel al heel veel op lokaal niveau. Gemeenten en fondsen hebben de aanbevelingen van de SER al goed in de praktijk gebracht. 
     
  • Wij realiseren ons dat het aanpakken van structurele oorzaken een lange adem vraagt. Alleen door nu in te zetten op een structurele verlaging, kunnen we ervoor zorgen dat de komende generaties kinderen niet meer te maken krijgen met armoede.
     
  • Dat is misschien idealistisch, maar ik wil ervoor gaan en ik wens dat het kabinet dat ook doet. Ik roep het onderwijs op met ons mee te doen.
Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Bouwerken in de stad.