200 jaar Maatschappij van Weldadigheid

Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij het 200-jarig bestaan van de Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord.

20 april 2018
Het gesproken woord geldt.

Duurzame economische groei, sociale vooruitgang en een goede leefomgeving. Wist u dat deze drie thema’s de drie pijlers zijn van de SER, de Sociaal-Economische Raad? Ze laten zien hoezeer de principes van de SER in de buurt liggen bij die van de Maatschappij van Weldadigheid. Ik ben daarom zeer blij om hier vandaag aanwezig te zijn en met u samen dit feest te vieren.

Geschiedenis verbindt

200 jaar is een heugelijk feit en een lange tijd geleden. Het sociale en economische landschap zag er toen heel anders uit dan nu. Mag ik u daar even mee naar toe terug nemen, 200 jaar geleden?

  • De armoede is groot en door massale werkloosheid duidelijk voelbaar. Traditionele armeninstellingen zijn nauwelijks in staat een toereikend antwoord te formuleren op de groeiende armoede en bestaanszekerheid.
  • Tegen die achtergrond neemt de aandacht toe om gezamenlijk armoede te bestrijden en kansen te bieden aan arme gezinnen. Niet alleen door geld of onderdak te bieden, maar door gezinnen bestaanszekerheid te bieden.
  • Er ontstaan initiatieven om de bestaanszekerheid te realiseren. Onderwijs wordt verbeterd, gezondheidszorg wordt voor iedereen beschikbaar gesteld en de woonomstandigheden van de arbeidersklasse worden verbeteren. Geen grote stappen, maar het heeft wel de aandacht van de burgerij.
  • Het gebrek aan werk wordt als een van de hoofdoorzaken van armoede gezien. Er ontstaan verschillende initiatieven om die werkgelegenheid aan te pakken en - zoals u allen weet - lanceerde Generaal Majoor Johannes van den Bosch het denkbeeld een maatschappij op te richten die de armoede met arbeid ging aanpakken.
  • Op 1 april 1818 richt hij de Maatschappij van Weldadigheid op.
  • En vandaag, 200 jaar (en een paar dagen) later zijn we bijeen om deze 200-jarige verjaardag te vieren.

Wat was het doel van Johannes van den Bosch? Armoede bestrijden door arme gezinnen een nieuwe kans te geven, met het bieden van huisvesting, arbeid, scholing en zorg. Niet als losse onderdelen, maar als integraal pakket. Een zorgzame samenleving. Met de Maatschappij van Weldadigheid werd de basis gelegd voor onze verzorgingsstaat.

En laat ik met dat gegeven nog even terugkomen op de drie doelen die zijn vastgelegd bij de oprichting van de SER zo’n 67 jaar geleden: duurzame economische groei, zo hoog mogelijke arbeidsparticipatie en zo evenwichtig mogelijke inkomensverdeling. Voelt u ook hoezeer de Maatschappij van Weldadigheid en de SER als organisaties met elkaar verbonden zijn? Deze doelen liggen heel erg in elkaars verlengde. Voelt u ook welke urgentie wij beiden voelen voor sociaal-economische thema’s?

Geschiedenis SER

De SER bestaat nog lang geen 200 jaar. In 1950 is de wet tot stand gekomen waarmee de SER werd gevormd. Aan de wet was lang gewerkt. In de periode na de oorlog groeide de overtuiging dat de samenwerking tussen werkgevers en werknemers die de wederopbouw zo succesvol maakte, een vervolg verdiende in de SER.

Werkgevers en werknemers zouden hun particuliere belangen overstijgen, hierbij geholpen door de kroonleden. Economische groei en werkgelegenheid zouden worden bevorderd door samen te zoeken naar effectieve oplossingen voor lastige sociaal-economische problemen. Niet door conflict en strijd, maar door dialoog, consensus en samenwerking.

In 1950 is de SER opgericht als adviesorgaan voor de regering. In de SER ontmoeten ondernemers en werknemers elkaar, maar ook onafhankelijke deskundigen, de kroonleden. De SER streeft naar vergroting van de welvaart in de brede zin van het woord: zowel welstand als productiegroei, zowel sociale als economische welvaart. Binnen de SER wordt er hard gewerkt om een juist evenwicht te borgen.

Een ander streven is ook sociale vooruitgang waarvoor zowel welzijn als sociale cohesie belangrijke elementen zijn. En een ambitie die de SER ook al decennia heeft: een goede kwaliteit van de leefomgeving.
Dus de kernwaarden zijn: sociaal economisch én duurzaam.

Doelstellingen

Van de ‘duurzame’ economische groei hebben we enkele jaren geleden dat ‘duurzaam’ nog een aanvullende betekenis gegeven dat ook een duurzame arbeidsmarkt nodig is. In het kader van alle technologische veranderingen streven we naar een inclusieve arbeidsmarkt en een inclusieve samenleving.

De drie doelstellingen worden door de drie geledingen van de SER volledig onderschreven. In beginsel zullen de verschillende geledingen een verschillende invulling geven aan het gewenste evenwicht. Werkgevers en werknemers leggen logischer wijze soms andere accenten. Maar de partijen doen serieuze moeite om naar elkaar te luisteren. De partijen willen elkaar begrijpen en elkaar tegemoet komen op zo’n manier dat de lange termijn belangen van het land het best zijn gediend.

Er is een grote bereidheid om met elkaar voor de langere termijn tot overeenstemming te komen. Soms lijkt het er weleens op dat partijen niet tot elkaar willen komen, maar we blijven wel met elkaar het inhoudelijke gesprek voeren. Overigens, voor de buitenwereld ziet dat er weleens anders uit dan wat er in het gebouw van de SER gebeurt.

Dat in gesprek zijn met elkaar, dat doen heel veel buitenlanden ons niet na. Ik krijg dan ook bijna elke maand wel een internationale delegatie op bezoek die van de Nederlandse SER komt afkijken hoe je dat toch doet, dat tot elkaar komen van partijen met in beginsel grote tegenstellingen.

Basishouding: gemeenschappelijk belang = eigen belang

Die bereidheid om tot elkaar te komen en met elkaar afspraken te maken over wat de goede middenweg is zodat alle partijen er baat bij hebben, dat hebben we niet in de SER uitgevonden sinds 1950. Die bereidheid om met elkaar zaken te realiseren die goed zijn voor alle partijen in onze samenleving én voor de samenleving an sich, dat zien we al terug in de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid.

Onze Nederlandse vanzelfsprekendheid dat je eigen belang het meest gediend is met het waarborgen van het belang van anderen in de samenleving, is lang niet vanzelfsprekend in andere landen. Het dienen van je eigen belang door solidair te zijn met anderen, is voor sommige culturen een onoverkomelijke tegenstrijdigheid.

Er zijn theorieën dat die basis gelegd is in onze strijd tegen het water. Een strijd die we alleen samen, met elkaar, konden winnen. We werken daar als gemeenschap in samen. En dat dat in onze genen is gaan zitten dat we niets anders kunnen dan polderen. Bijna tegen wil en dank. Niet dat we in de polder allemaal dezelfde rol hebben of dezelfde positie in nemen. Maar we hebben elkaar wel nodig, niet alleen voor het gemak, maar voor een heel fundamenteel beginsel van welbevinden: zekerheid van droge voeten. Dat collectieve belang pakken we collectief op.

Solidariteit

Ik wil daarmee niet zeggen dat wij Nederlanders een beter soort mensen zijn dan mensen in culturen waarvan de samenleving minder gebouwd is op solidariteit. Ik wil hiermee wel zeggen dat wij in Nederland een andere invulling geven van het begrip eigen belang dan in andere landen. Ik voel me er daarbij heel erg in thuis dat we het eigen belang dienen door solidair te zijn met andere mensen, met het dienen van het belang van de anderen in onze samenleving. Dat we kiezen voor een inclusieve samenleving waarin voor iedereen een plekje is. Dat we ervoor kiezen om zoveel mogelijk mensen aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Niet alleen omdat we alle handjes nodig hebben, maar ook omdat werken ervoor zorgt dat mensen zich gezien en gewaardeerd weten.

Solidariteit verandert

Maar deze rode draad in de Nederlandse geschiedenis heeft niet altijd dezelfde dikte. Soms lijkt de sociale samenhang en de onderlinge solidariteit aan een zijden draadje te hangen. Dan zien we onverdraagzaamheid, horen we te vaak ‘grenzen dicht’, is er minder geld voor mensen met beperkingen en zien we soms een publieke veroordeling van mensen die opkomen voor anderen. Voor de buitenwereld zien we er dan niet altijd uit als een sociale samenleving.

Ook in de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid gaat de invulling van solidariteit en zorgen voor de minder bedeelden met horten en stoten. 200 jaar geleden is Johannes van den Bosch er zeer overtuigend aan begonnen, daarbij gesteund door Koning Willem I, en door andere notabelen die het welzijn van mede stedelingen aan het hart ging en niet geloofde in repressie en opsluiting.

Na een voortvarende start is de invulling van de ondersteuning van de Maatschappij van Weldadigheid onder druk komen te staan. Het solidariteitsmodel van de Maatschappij van Weldadigheid bleek na vele jaren toch gevoelig voor veranderende ideeën over betrokkenheid van weldoeners. Ook bleek de praktijk van de samenleving weerbarstiger dan de theorie.

Sinds de oprichting van de Maatschappij van weldadigheid is het idee gewijzigd over hoe zwakkeren in de samenleving ondersteund moeten worden. Het zou niet meer passen in de huidige tijd om probleemgezinnen in de grote steden naar het Noorden van Nederland te verhuizen. De ideeën veranderen maar de Maatschappij is nooit opgehouden te bestaan. Het belang van weldadigheid is altijd gebleven. De zorg voor de zwakkeren in de samenleving is er altijd geweest. Dat maakt dat we nu het 200-jarig bestaan vieren van de Maatschappij van Weldadigheid.

Solidariteit bij de overheid

Het nieuwe elan van de Maatschappij van Weldadigheid wat vandaag zo groot wordt gepresenteerd, past goed binnen de ontwikkelingen van de zorgstructuur in onze samenleving. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw was de zorg steeds meer geïnstitutionaliseerd en ook steeds meer de verantwoordelijkheid gemaakt van de overheid. We hebben sociale diensten gecreëerd en gezorgd voor het UWV, zorgkantoren, sociale werkplaatsen, instellingen op de Veluwe en andere landelijke gebieden, et cetera. Cynici zeggen soms dat we het zorgen voor elkaar in instituties hebben ondergebracht en de solidariteit met belastingen en zorgpremies afgekocht.

Maar ik ben niet cynisch. De geïnstitutionaliseerde solidariteit heeft er toe geleid dat ondersteuning onafhankelijk en objectief is geworden. Niet afhankelijk van in welke stad of provincie je woont, niet afhankelijk van je huidskleur en niet afhankelijk van je religie. Het heeft geleid tot wetenschappelijk onderzoek naar effectieve ondersteuning; tot continuïteit van de begeleiding en van aansluiting van verschillende instrumenten op elkaar. We zijn dat echt beter gaan doen, hoewel ik ook moet zeggen dat het voor een te grote groep nog niet goed genoeg gaat. In ons advies Opgroeien zonder armoede, over armoede onder kinderen, hebben we dat als SER ook met veel instemming gemeld. En juist daarom vind ik dat advies ook zo wezenlijk voor onze samenleving.

Solidariteit anno 2018

En ik zie dat solidariteit ook nu weer aan het veranderen is. Ik zie een ontwikkeling dat solidariteit ook weer persoonlijker en herkenbaar wordt. Ik zie juist steeds meer lokale en kleinschalige initiatieven dichtbij de mensen en gebaseerd op intrinsieke solidariteit. Steeds meer bedrijven die steeds meer mensen een kans willen geven. Lokale gemeenschappen die activiteiten toegankelijk maken voor alle buurtbewoners. Herwaardering voor diversiteit in onze samenleving, herwaardering voor zichtbare diversiteit in de straten en winkels. Voorbeelden daarvan zijn de horecagelegenheden die werk bieden aan mensen met een beperking; aandacht voor de paralympics op televisie en de bedrijvigheid rond de inburgering en opvang van asielzoekers.

Ik zie die trend ook terug in de plannen van de Maatschappij van Weldadigheid. Plannen die bruisen van activiteiten en vol ambities en nieuwe arrangementen. Verbindingen die gemaakt worden om mensen een rijker leven te geven, van welke kant je dat ook bekijkt. Ik vind het mooi dat er zoveel lokale organisaties aansluiting vinden. Ook verheugt het mij dat zoveel lokale ondernemers zich geroepen voelen om vanuit hun ondernemerschap betrokken te willen zijn bij de activiteiten van de Maatschappij van Weldadigheid. Dat lokale en regionale overheden op deze wijze mee werken, lijkt misschien vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Het feit dat ook de overheden hun verantwoordelijkheid nemen die verder gaat dan geld doorsluizen, stemt mij gelukkig.

Afsluiting

We zijn sinds 200 jaar geleden een eind gekomen. De Maatschappij van Weldadigheid heeft daaraan al die tijd bijgedragen. En ook morgen en volgende week zal de Maatschappij daar aan blijven bijdragen. En wij allemaal, want in een eerlijke, welvarende en inclusieve samenleving leven we allemaal het liefste.

Vandaag is de 200 jaar een grote felicitatie waard aan de Maatschappij van Weldadigheid en iedereen die in de 200 jaar hebben bijgedragen aan de passie van Johannes van den Bosch: een goed leven in een mooie wereld voor iedereen.

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels