Presentatie SER-advies Toekomstgericht beroepsonderwijs Deel 2

Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij de algemene ledenvergadering van de MBO Raad in Den Dolder.

28 november 2017
Het gesproken woord geldt.

Voorstellen voor een sterk en innovatief mbo

Met het advies Toekomstgericht beroepsonderwijs Deel 2, Voorstellen voor een sterk en innovatief mbo, beogen we de stereotype beelden over beroepsonderwijs te doorbreken en zelfs te kantelen. Het mbo loopt met zijn praktijkgerichte opleidingen voorop en het is hoog tijd dat andere onderwijssectoren daar wat van leren! In het belang van de student, in het belang van het bedrijfsleven en in het belang van Nederland.

Adviesaanvraag

Het begon in april 2016 toen minister Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de SER om advies over het mbo vroeg. Tegen de achtergrond van de veranderende arbeidsmarkt wilde de minister graag weten: hoe de terugloop in de bbl kan worden gekeerd, en hoe het mbo toekomstgericht kan blijven.

De eerste vraag heeft de SER in oktober 2016 beantwoord in zijn advies Toekomstgericht Beroepsonderwijs Deel 1, Voorstellen ter versterking van de bbl. Om het tij te keren voor de bbl stelt de SER in dat advies voor:

  • Betere voorlichting over de uitstekende arbeidsmarkt-mogelijkheden van de bbl aan studenten, ouders en docenten.
  • Gezamenlijke acties via de SBB om de bbl te versterken en uit te breiden naar andere sectoren, waaronder een BBL Offensief.

Over de tweede vraag – hoe het mbo toekomstgericht kan blijven - heeft de SER zich de afgelopen maanden gebogen. Ik zal - voor ik aan de aanbevelingen begin - eerst een korte schets geven van de ontwikkelingen die grote invloed zullen hebben op het mbo, en op ons allemaal, eigenlijk.

Ontwikkelingen in de omgeving van het mbo

Allereerst de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Wat speelt daar nu? We zijn nu gelukkig echt uit de economische crisis geklommen. Dat zien we onder meer aan een flink aantrekkende arbeidsmarkt. Voor het eerst hebben nu meer dan 8,6 miljoen mensen betaald werk. Dat zijn er meer dan ooit tevoren. Ook de werkloosheid neemt al maanden af en dat zal zich doorzetten, van nu nog 426.000 werklozen naar zo’n 390.000 werklozen. Dat verwacht het CPB.

Tegelijkertijd zal de dynamiek op de arbeidsmarkt de komende jaren enorm gaan toenemen. Dat is de invloed van met name de technologische ontwikkelingen, zoals automatisering, digitalisering en robotisering. Dat betekent bijvoorbeeld dat het tempo waarin zich veranderingen voordoen, gaat toenemen. En dat meer routinematig werk gaat verdwijnen. Bovendien zal de inhoud van het werk in veel beroepen veranderen, bijvoorbeeld doordat taken worden geautomatiseerd.

Maar gelukkig zullen ook veel nieuwe banen ontstaan. Ik hoor wel eens dat maar liefst 65 procent van de huidige studenten in banen zullen gaan werken die nu nog niet eens bestaan!

Ook is er sprake van toenemende onzekerheid door de flexibilisering op de arbeidsmarkt. Mensen hebben steeds minder vaak een vast contract. We werken vaker in tijdelijke verbanden of als zzp-er. Gedurende hun loopbaan wisselen mensen ook veel vaker van baan. De verwachting is zelfs dat de gemiddelde student van nu - voordat hij of zij 38 is - 10 tot 14 banen zal hebben gehad!

Door dit alles wordt een leven lang leren voor ons allemaal ‘keiharde’ noodzaak. Niet alleen voor de hoger opgeleiden – die doen dat vaak toch al wel - maar juist ook voor al die anderen voor wie leren minder vanzelfsprekend is. Bijvoorbeeld door slechte ervaringen, vroeger in de schoolbanken.

Tijdens onze loopbaan zullen we allemaal - veel meer dan nu -moeten investeren in leren en ontwikkelen. We moeten allemaal onze kennis en vaardigheden up-to-date houden. Er is ook meer druk om op te scholen, zeker voor de lagere mbo niveaus. En werkenden zullen ook vaker te maken krijgen met omscholing als hun baan verdwijnt. Een leven lang leren zal niet alleen via scholing vorm krijgen, maar juist ook op de werkplek, door informeel leren. Die mogelijkheden zullen we nog veel meer moeten gaan benutten en dat vraagt een sterke leercultuur! De SER heeft hierover dit voorjaar een advies uitgebracht: Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan.

Ik wil ook iets zeggen over demografische ontwikkelingen. Die zijn ook van belang voor de toekomst van het mbo. En daar is echt wel wat aan de hand. In heel Nederland is sprake van een vergrijzende beroepsbevolking, die gepaard gaat met een ontgroening. In sommige provincies – zoals in het noorden, in Zuid-Limburg en Zeeland - krimpt de beroepsbevolking.

In het MBO merkt men dat ook. In de eerste plaats is sprake van een afnemende instroom van studenten in de initiële opleidingen. De prognose tot 2030 is dat het totaal aantal mbo-studenten met 12 procent zal afnemen. Regionaal zijn er grote verschillen. In krimpgebieden kan de afname oplopen tot wel 20 procent. In de regio Amsterdam zal een kleine groei te zien zijn.

In de tweede plaats is sprake van een toenemende uitstroom van docenten en medewerkers. De sector telt relatief veel oudere medewerkers die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Het mbo krijgt dus te maken met minder jongeren in de opleidingen.

Maar door het toenemend belang van een leven lang leren zullen volwassenen, die al een aantal jaren werken, zich steeds vaker melden om zich verder te scholen. Er komt dus veel op de sector af!

Gevolgen voor het mbo

Het mbo is een cruciale sector voor Nederland. Bijna 40 procent van de beroepsbevolking heeft een mbo-opleiding gedaan. Het beroepsonderwijs is heel belangrijk om studenten goed voor te bereiden. Niet alleen op hun entree op de arbeidsmarkt, maar ook op hun maatschappelijke deelname of op een vervolgopleiding.

Internationaal staat het mbo goed aangeschreven, met zijn grote nadruk op praktijkgericht opleiden en de nauwe samenwerking tussen opleidingen en bedrijfsleven. Veel afgestudeerden komen snel aan het werk. Het mbo vervult daarbij een scharnierfunctie. Tussen verschillende typen beroepsonderwijs, tussen opleidingen en (leer)bedrijven én tussen de beroepsuitoefening en de scholing van werkenden.

De werkgelegenheid voor middelbaar opgeleiden in bepaalde branches en beroepen zal meer onder druk komen te staan. Dat komt door de ontwikkelingen die ik genoemd heb. Dat geldt met name voor beroepen op de lagere opleidingsniveaus die zich kenmerken door veel routineuze taken. Daar staat tegenover dat er ook bedrijfstakken zijn waar de behoefte aan middelbaar opgeleiden juist groeit.

Echte zorgen zijn er vooral over laagopgeleiden. De mensen die geen startkwalificatie hebben. De laaggeletterden die de basisvaardigheden missen om mee te doen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Zo ontstaan er mismatches.

Er zijn sectoren waar de mensen niet aan te slepen zijn. En tegelijkertijd zijn er nog steeds grote groepen die moeite hebben om (weer) aan het werk te komen. We riskeren een toenemende tweedeling in de samenleving.

Vijf prioriteiten voor een sterk en innovatief beroepsonderwijs

De SER ziet vijf prioriteiten voor een sterk en innovatief mbo.

  1. het duurzaam toerusten voor de arbeidsmarkt en samenleving;
  2. een integrale aanpak voor jongeren in een kwetsbare positie;
  3. geef het mbo een grote rol in een leven lang leren en ontwikkelen;
  4. versterk de regionale, sectorale en landelijke samenwerking;
  5. creëer ruimte voor de school als lerende organisatie.

Duurzaam toerusten voor arbeidsmarkt en samenleving

Studenten duurzaam toerusten voor de arbeidsmarkt en de maatschappij is een kerntaak van het mbo. De SER constateert dat er veel in het mbo goed gaat op dit gebied. De meeste studenten vinden snel na diplomering een baan.

Er zijn echter ook opleidingen die het minder goed doen. En er zijn soms aanzienlijke verschillen tussen scholen.

De SER beveelt aan om:

  • scherper te sturen op het arbeidsmarktperspectief van opleidingen;
  • om te werken aan bewuste studiekeuzes;
  • om vaardigheden van de toekomst aan te leren;
  • en om meer innovatieve vormen van praktijkleren aan te bieden.

Aanpak voor jongeren in kwetsbare positie

Een specifieke groep waar ik stil bij wil staan, zijn de jongeren in een kwetsbare positie. Het gaat hier om jongeren die moeite hebben met het behalen van een startkwalificatie. Deze groep krijgt het het moeilijkst op de arbeidsmarkt. Deze jongeren moeten zo goed mogelijk worden begeleid naar opleiding, diploma en werk. Scholen, gemeenten, leerwerkbedrijven, én het UWV moeten intensiever en beter samenwerken. Én we moeten jongeren, die echt niet in staat zijn om een startkwalificatie te halen, toch helpen om aan werkgevers te laten zien wat ze kunnen.

Vakcertificaten en duale opleidingsmogelijkheden kunnen oplossingen zijn. Een uitstekend voorbeeld is de BORIS-aanpak. In speciale BORIS-leerbedrijven kunnen deze jongeren leren en werken tegelijk. Ze hebben daarnaast intensieve coaching en mentoring nodig.

Grote rol in leven lang leren en ontwikkelen

De dynamiek op de arbeidsmarkt vraagt van mensen dat zij zich blijven ontwikkelen om duurzaam inzetbaar te blijven. Leren stopt al lang niet meer bij het behalen van een diploma in het initieel onderwijs. De SER heeft kort geleden geadviseerd over leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan. De tijd is meer dan rijp om in actie te komen!

Daarom roepen wij in dit advies opnieuw op om tot een akkoord te komen. Met alle landelijke, sectorale en regionale betrokkenen. Een akkoord over skills en technologie. Met afspraken om tot een positieve leercultuur te komen, ten behoeve van een inclusieve en productieve samenleving.

Het mbo heeft een heel belangrijke rol te vervullen in het leven lang leren en ontwikkelen. Daarom moet het mbo met spoed een flexibel opleidingsaanbod tot stand brengen. Belemmerende regelgeving moet daarom worden aangepast. Een aanbod dat aansluit op de behoeften van werkenden. Bekostigde en niet-bekostigde onderwijsinstellingen moeten meer samenwerken en elkaars sterke punten benutten. Ook adviseert de SER, net als de regeringspartijen, dat de cascadebekostiging in het mbo wordt afgeschaft.

Versterken samenwerking

Om het mbo sterk en innovatief te houden, dienen partijen veel meer en intensiever samen te werken dan nu het geval is. Allereerst zijn dat het onderwijs en de beroepspraktijk. De SER heeft veel goede voorbeelden gezien, waar onderwijs en de beroepspraktijk echt heel nauw met elkaar samenwerken.

Maar het kan nog beter. Docenten en praktijkopleiders zeggen dat zij weinig tijd en ruimte hebben om bij elkaar te kijken. En om studenten de begeleiding te geven die zij graag zouden willen. Ik geloof dat hier een wereld te winnen is. Daarom doet de Raad voorstellen om de samenwerking tussen scholen, werkgevers en overheid te versterken. Betere samenwerking is ook nodig tussen de onderwijssectoren en tussen mbo instellingen.

De school als lerende organisatie

Tot slot wil ik benadrukken dat het mbo alleen kan floreren als de onderwijssector zijn HR-beleid op orde heeft. De kwaliteit van het onderwijs wordt bepaald door de professionals die daar werken: de docenten. Op dit moment ervaren mbo-docenten hoge werkdruk en weinig mogelijkheden om zich als professional te ontwikkelen en bij te leren. Hier moet verandering in komen. En daar is een grote rol weggelegd voor u als bestuurders van de instellingen.

Het is hoog tijd voor de verdere ontwikkeling van de school als lerende organisatie, met goede mogelijkheden voor professionals om zich te blijven ontwikkelen en bij te blijven in hun vakgebied. Dat kan alleen als er voldoende gelegenheid is voor uitwisseling en contact met de beroepspraktijk. Alleen dan kunnen opleidingen tijdig up-to-date worden gemaakt. Zodat ons mbo ook in de toekomst tot de top blijft horen!

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Scholing en ontwikkeling.