De vmbo-leerling van de 21ste eeuw

Inleiding van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij de conferentie 'De nieuwe vmbo'.

15 februari 2016
Het gesproken woord geldt.

 

Dames en heren,

Ik voel me vereerd om u hier bij de opening van de nieuwe vmbo-conferentie toe te mogen spreken. U, die betrokken bent bij een van de belangrijkste onderwijssectoren van Nederland. En de onderwijssector waar binnen de mooiste dingen gebeuren maar waar de buitenwereld helaas vaak maar te slecht zicht op krijgt.

In mijn loopbaan ben ik op meerdere momenten intensief betrokken geraakt bij het vmbo. En elke keer werd ik weer aangenaam getroffen door de enorme betrokkenheid van de mensen die in en voor het vmbo aan het werk zijn en het enthousiasme waarmee veel leerlingen en hun ouders het onderwijs beleven.

Mag ik u meenemen langs een paar van die momenten van mijn betrokkenheid bij het vmbo?

Ik ben nu de voorzitter van de SER, de Sociaal-Economische Raad. De SER adviseert de regering en het parlement over het sociaal-economisch beleid. Dat doet de SER niet alleen op wetenschappelijke basis, maar op basis van het overleg tussen werkgevers, werknemers en onafhankelijke kroonleden.
De SER adviseert bijvoorbeeld over vraagstukken als het pensioenstelsel, over de wijze waarop in verschillende levensfasen werken, zorgen,
leren en recreëren naast elkaar voorkomen en hoe de samenleving daarop in zou kunnen spelen. Zo hebben we onlangs een advies uitgebracht over de gewenste toegankelijkheid van kinderopvang.

Maar ook specifiekere vraagstukken als de inrichting van de arbeidsmarkt in de culturele sector, of de organisatie van medezeggenschap en ondernemingsraden.

We kijken ook uitgebreid naar Leren in de Toekomst. In de discussiepaper, die u ter voorbereiding op deze conferentie is toegestuurd, heeft daar kort iets over kunnen lezen.

De SER bekijkt daarvoor de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de wijze waarop het onderwijs daarop kan aansluiten. Ik kom daarop later in mijn verhaal nog op terug.

In het nadenken over de wijze waarop onderwijs en opleiding aan kan sluiten op de arbeidsmarkt neemt het beroepsonderwijs vanzelfsprekend een heel belangrijke plaats in.

Dat geldt zowel voor het hoger beroepsonderwijs, als het middelbaar beroepsonderwijs als het vmbo.

Ook als kamerlid heb ik als onderwijswoordvoerder veel aandacht gehad voor het vmbo.
Ik heb in 2004 een mooi boekje mogen maken voor mijn partij waarin we de belangrijkste ambities voor het vmbo op een rijtje hebben gezet.

Dit hebben we toen niet in de achterkamertjes van de Tweede Kamer bij elkaar gezocht, maar ik ben intensief in gesprek gegaan met allerlei scholen, leraren, ouders en andere betrokkenen op vmbo scholen.

De intentie van mijn ambities voor het vmbo van destijds blijkt wel uit de titel: ‘Lang leve het vmbo’.

Een paar punten die ik uit het boekje wil noemen:

  • Personeel wil meer waardering voor leerlingen
  • Scholen moeten de gelegenheid krijgen om onderwijsvernieuwing zelf vorm te geven.
  • Focus op wat leerlingen wel kunnen,
  • Zorg voor meer flexibiliteit in de leerwegen
  • Grotere maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de verbinding van het vmbo met de samenleving en het bedrijfsleven. Bv door fiscale ondersteuning van stageplaatsen voor vmbo’ers en ondersteunen van de verbinding van de zorgstructuur met de scholen.
  • Versterk de verbinding van het vmbo met het mbo

Ook ben ik nu nog bij het vmbo betrokken als ambassadeur van de organisatie “Beroepenfeest van VMBO On Stage”.

Die organisatie die een bijdrage wil leveren aan het opheffen van het soms sombere imago van het vmbo.

VMBO on Stage organiseert feestelijke bijeenkomsten in de regio waarbij leerlingen van het vmbo in contact kunnen komen met beroepsbeoefenaren. De feesten zijn bedoeld om de het zelfvertrouwen van de leerlingen een boost te geven en hen in de gelegenheid te stellen een netwerk op te bouwen wat van belang is voor hun beroepskeuze.

VMBO on stage heeft nu al 19 regio’s waar dergelijke feesten worden georganiseerd en bereiken elk jaar zo’n 12.000 jongeren en 3.000 ondernemers.

Daarnaast is het vmbo natuurlijk van groot belang voor iedereen die zich bezig houdt met de publieke zaak, dus ook voor mij. Het vmbo is ook nog altijd de grootste onderwijssector van het voortgezet onderwijs.

Meer dan 50% van de vo-leerlingen genieten van het onderwijs op het vmbo. Elk jaar volgen er bijna 450.000 leerlingen onderwijs op een afdeling van het vmbo. Bijna een half miljoen jongeren die op het vmbo worden voorbereid om hun toekomst.

En het vmbo doet goede zaken: 64% van alle vmbo gediplomeerden stroomt direct door naar niveau 3 of 4 van het mbo, het mbo niveau waarmee een goede startkwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt verkregen.

Dynamiek op arbeidsmarkt: flexibiliteit

Het verheugt me dus om u hier toe te mogen spreken op de nieuwe vmbo conferentie.

Maar er moet me ook iets van het hart. De tweede alinea van uw programma begint met de zin: “De toekomst van de arbeidsmarkt is troebel”. Ik zou anders naar de toekomst van de arbeidsmarkt willen kijken. “Troebel” heeft teveel een negatieve klank voor de situatie van de arbeidsmarkt, vooral in relatie met de toekomst van het vmbo. Maar ik zou er wel vrede mee kunnen hebben als we de term “troebel” opvatten zoals in de uitdrukking ‘In troebel water is het goed vissen.’ Dat past veel beter op de situatie waarin we hier zitten.

Er is veel talent in het vmbo en er valt veel te halen en veel te bereiken. Niet de leerling verkeert in een troebele omgeving, maar de leerling is de visser die het troebele water gebruikt om er een goede toekomst uit te halen. We weten niet precies waar en hoe dat eruit gaat zien. Maar het wordt in ieder geval goed!

Is er dan niets aan de hand op de arbeidsmarkt?

Ja wel, er is heel veel aan de hand op de arbeidsmarkt.

Ook dat leest u in de discussiepaper voor vandaag:

  • Veel dynamiek, snelle ontwikkelingen van aanstellingen en contracten
  • Mensen hebben veel verschillende banen
  • Er zijn en komen veel nieuwe banen, die nu nog niet bestaan
  • Veel nieuwe technologie die zich snel ontwikkeld.

Een paar cijfers:

  • 65% van uw huidige leerlingen krijgen banen die nu nog niet bestaan.
  • De 10 meest gewilde banen van 2013 in de VS bestonden in 2004 nog niet.
  • Uw huidige leerlingen (en studenten) zullen voordat ze 38 zijn 10 tot 14 banen hebben gehad. Waar we dat vroeger beschreven zouden hebben als 12 ambachten en 13 ongelukken, is de toekomstige loopbaan dus heel divers.
  • De huidige leerlingen gaan technologieën gebruiken die nu nog niet bestaan voor problemen waarvan we nu nog niet weten dat het überhaupt problemen zijn.

De situatie op de arbeidsmarkt is dus in grote mate flexibel. Niet meer één baan voor het leven. Onzekerheid is de nieuwe zekerheid.

En voor die onzekerheid moet u de leerlingen voorbereiden. Ga er maar aan staan! Vooral met het beeld van onzekerheid of een troebele toekomst.

Ik kom nog een keer terug op de uitdrukking ‘het is goed vissen in troebel water’.

Je kan het beeld hebben dat de leerlingen zwemmen in de troebele vijver en niet weten waar ze zijn en waar ze heen gaan. Je kan ook het perspectief ook omdraaien en de leerling als visser bedenken. De visser heeft baat bij de troebelheid van het water, baat bij de onzekerheid op de arbeidsmarkt. De dynamiek op de arbeidsmarkt biedt juist veel kansen. Veel mogelijkheden om nieuwe paden te bewandelen.

Ook veel flexibiliteit waardoor het ook niet zo erg is als er eens een minder handige carrière stap gemaakt wordt. Maar, zoals gezegd, de leerlingen moeten wel op die situatie, die flexibiliteit van de arbeidsmarkt worden voorbereid.

Vaardigheden en samenwerking

Hoe zou volgens de SER die voorbereiding op de toekomstige arbeidsmarkt eruit moeten zien?

Ik begin dan bij de basis: de basisvaardigheden blijven in de snel ontwikkelende arbeidsmarkt van belang. In het advies aan het platform Onderwijs 2032 heeft de SER dat ook nog eens benadrukt. Taal en rekenen blijven belangrijk. Maar dat zijn niet de enige basisvaardigheden in 2016.

We hebben een tamelijk internationale arbeidsmarkt. Op heel veel werkvloeren lopen meerdere nationaliteiten rond.

Of het nou de bouw is, de horeca, de detailhandel of de gezondheidszorg, er zijn altijd wel meer nationaliteiten in de buurt. Mogelijk dat je vanuit de tamelijk homogene beroepsbevolking van het onderwijs daar een ander beeld van hebt dan als je in Utrecht op een steiger staat of in Rotterdam op de intensive care aan het werk bent. Ook zijn er in veel werkzaamheden contacten met andere landen. In Europa, maar ook daarbuiten.
Je komt er dus niet alleen met Nederlands. Ook ervaring met andere talen is van belang. Dat zal veelal Engels zijn.

Onlangs hadden we bij de SER een dialoogsessie over de ontwikkelingen in de zorg. Daar zijn op dit moment spannende dingen gaande van aan de ene kant verdergaande specialismen en aan de andere kant integralere zorgverleners.
Wat in ieder geval heel duidelijk wordt, is dat alle zorgverleners goed moeten kunnen samenwerken, kunnen overleggen, taken kunnen verdelen, weten wat elkaars verantwoordelijkheden zijn en afspraken kunnen maken. Deze samenwerkingsafspraken horen ook bij de basisvaardigheden en worden wel geschaard onder de 21ste eeuwse vaardigheden, net als digitale vaardigheden en creativiteit en problemen oplossen bijvoorbeeld.
Ik wil hier niet in gaan op wat nu wel en niet precies 21ste eeuwse vaardigheden zijn, maar wel ik een lans breken voor een kritische blik op de vaardigheden die we onze jongeren aanleren. Het wordt daarbij steeds belangrijker om te kijken of en hoe de leerlingen die vaardigheden kunnen gaan gebruiken en welke vaardigheden in de toekomst absoluut nodig zijn.

Hoe weet je als leerkracht of schoolleider of stagebegeleider nu of je je leerlingen juist voorbereid? En ook hoe en of ze al die vaardigheden kunnen leren? Hoe zorg je ervoor dat de inhoud van wat je de leerlingen leert aansluit bij de toekomst, bij de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt en in de beroepspraktijk?
Daar zien we maar één manier voor, en dat is ervoor zorg dragen dat je als vmbo een hechte relatie hebt met de beroepspraktijk.
Dat de docenten weten wat er in de praktijk gebeurt. Als SER pleiten we ervoor dat het onderwijs intensief samenwerkt met de maatschappelijke partners, maar ook andersom: maatschappelijke partners die de samenwerking zoeken met het onderwijs.
Onder maatschappelijke partners scharen we alle relevante partijen in de omgeving van de school: bedrijven, lokale overheden, zorginstellingen,
dienstverlenende en buurt- en wijkorganisaties, verenigingen etc.
Ook maatschappelijke partners hebben een verantwoordelijkheid voor de adequate opleiding van de grootste groep jongeren en het grootste deel van de toekomstige arbeidsmarkt. De SER heeft het hoger onderwijs geadviseerd om de maatschappelijke partners, het bedrijfsleven en het afnemend veld, intensief te betrekken bij de inhoud en de organisatie van het onderwijs.
Dit gaat verder dan alleen een stageplaats of een werkbezoek. Dit betekent inhoudelijke afstemming, een gezamenlijke toekomst strategie en een intensief inhoudelijk contact, ook over wat de inhoud van het onderwijs zou moeten zijn.
Dit vraagt van beide kanten van de samenwerking een open instelling. De ontwikkelingen van het vmbo lijken hierbij goed aan te sluiten.

Leven lang leren: informeel leren

Leerlingen moeten op de snelle ontwikkelingen van de arbeidsmarkt en van de technologie worden voorbereid door hun flexibiliteit mee te geven.

Hoe bereid je leerlingen voor en geef je hen flexibiliteit mee?
De flexibiliteit vraagt dat mensen zich aan kunnen passen aan nieuwe omgevingen, nieuwe banen, nieuwe collega’s en nieuwe technologieën.
Om dat te kunnen doen moet iedereen dus het hele leven blijven leren.

Daarvoor is het nú belangrijk dat leerlingen ‘leren leren’. Dat leerlingen weten hoe ze zich straks voor een nieuwe situatie kunnen voorbereiden. Er moet een leercultuur worden opgebouwd: leven lang leren, of leven lang ontwikkelen, of permanente educatie, of hoe je het ook wil noemen.
Leren is net zo vanzelfsprekend als eten. Leren houdt niet op na het behalen van een diploma. Ook niet voor vmbo- of mbo-leerlingen.

Van oudsher het beeld dat vmbo-leerlingen niet zo graag willen leren. Maar is dit wel zo? En is dat altijd zo?

We zijn bij SER heel actief op het thema leven lang leren. Doorleren nadat je een diploma hebt gehaald. Wat blijkt?
Deelname aan formeel leren, aan opleidingen op onderwijsinstellingen, aan cursussen in een leslokaal, aan leren uit boeken, aan leren voor een diploma, aan dat formele leren doen niet zo heel veel mensen mee. Maar er is ook nog een andere manier van leren. Dat wordt informeel leren genoemd. Informeel leren gebeurt op de werkvloer. Informeel leren doe je werkende weg.

Zowel in het werk van collega’s of bij een nieuwe machine of een nieuw softwarepakket maar ook bij de sportvereniging of op andere plaatsen in je vrije tijd. Informeel leren gebeurt heel veel in Nederland. Meer dan 96% van de ondervraagde werkenden geven aan dat ze de afgelopen periode tijdens hun werk hebben geleerd.

Ik geloof in de intrinsieke nieuwsgierigheid van mensen. De nieuwsgierigheid is de basis van al het leren, van alle ontwikkeling, van zuigeling tot de ouderdom, nieuwsgierig van de wieg tot het graf en dus leren gedurende het hele leven. Het aanleggen van een leercultuur is dus meer het aanwakkeren of het in stand houden van de aangeboren nieuwsgierigheid, dan dat we alle leerlingen in “stuudjes” moeten veranderen. Juist met de verschillende manieren van leren.
En door de erkenning van vaardigheden die mensen in hun werk, of op een andere plek, als sportvrijwilliger hebben opgedaan. Leren gebeurt niet alleen op school. Leren gebeurt overal.
Op dit moment zijn we bij de SER ook bezig om te bekijken hoe al die werkende weg geleerde vaardigheden omgezet kunnen worden in een diploma of hoe de toekenning van ervaringscertificaten verloopt en hoe daar in de formele baan gebruik van gemaakt kan worden.

Vernieuwing vmbo

Bij de belangrijkste argumenten van werkenden om niet deel te nemen aan opleidingen, horen de negatieve ervaringen in de initiële opleiding. Onderzoekers die werkenden vragen waarom ze niet deelnemen aan (na)scholing krijgen vaak een stortvloed aan frustraties te horen die zijn opgedaan in de jonge schoolloopbaan.

Saaie vakken, moeilijke examens, veel hoofwerk en weinig met je handen doen, veel binnen zitten, etc. Tijdens mijn intensieve contacten met u en uw collega’s, met mensen die in het vmbo werken, heb ik gezien hoe hard er door u wordt gewerkt om de leerlingen juist een positieve ervaring mee te geven. En dat valt lang niet altijd mee. Ook al door de kaders en voorschriften die aan het vmbo worden opgelegd.
Het is ook niet makkelijk om 24 pubers met elkaar in een lokaal zetten en daar dingen te laten doen die ze niet vanzelf interessant vinden.
De leerlingen, ook die op het vmbo, werden in het systeem, in een keurslijf gedwongen van een paar spannende beroepsvoorbereidende vakken, maar ook nog een heel aantal algemeen vormende vakken. Vakken waar de meeste leerlingen die met hun handen willen werken niet zoveel affiniteit mee hebben.

Ik hoop dat dat keurslijf minder gaat knellen. Met de vernieuwingen van het vmbo die aanstaande augustus in gaan, krijgt u meer de ruimte om een deel van de opleiding zelf in te vullen. Worden de kaders minder knellend. U kunt de onderwijsinhoud en de organisatie, in ieder geval van de beroepsgerichte keuzevakken, aan laten sluiten bij de belangstelling van de leerlingen en bij de vraag van de arbeidsmarkt. En de opzet van het beroepsgerichte profielvak is om echt aan te sluiten bij de praktijk. Ook dat moet bij leerlingen tot nog meer betrokkenheid leiden.

Nog even terug naar de vissende leerling in het troebele water. Ook daarvoor biedt de vernieuwing van het vmbo ondersteuning in de vorm van Loopbaan Oriëntatie en Begeleiding. U was daar vast ook al mee bezig, voor de vernieuweng van het vmbo.
Maar het feit dat LOB een meer nadrukkelijke plaats krijgt in het vmbo, doet mij deugt. Handig als de visser weet wat er op te vissen is en hoe je dat het beste kunt doen. Eind vorig jaar heeft de SER daarover ook een ‘signalering’ uitgebracht waarin het belang van studiebegeleiding en loopbaanoriëntatie werd benadrukt. Dat is belangrijk voor alle jongeren en in het bijzonder voor jongeren die niet als vanzelfsprekend thuis zijn in de wereld van opleidingen en studies, zoals bijvoorbeeld migranten jongeren.

De ruimte die de vernieuwing van het vmbo biedt, geeft u ook een grote verantwoordelijkheid om de mogelijkheid te benutten. Het is dus niet vrijblijvend. Dat is goed te zien bij de pilotscholen die daar afgelopen jaren hard aan gewerkt hebben.
De pilotscholen werken hard aan de invulling van de eigen verantwoordelijkheid voor de vakinhouden en vakorganisatie en ze ontwikkelen mooie praktijken. Het is straks, op 1 augustus, aan u allemaal om die mogelijkheden goed in te vullen.

Polarisering

Was het vmbo voor de aanstaande vernieuwing dan niet goed genoeg? Nee, dat beeld moet u absoluut niet hebben want we weten uit onderzoek dat:

  • Meer dan 60% van de oude leerlingen is tevreden over de gevolgde opleiding. Waarbij de leerlingen van de gemengde leerweg het meest tevreden zijn en daarna de ll van de theoretische leerweg.
  • En 87% van de vmbo gediplomeerden in 2012 zou weer dezelfde opleiding kiezen.
  • Nog geen 5% van de gediplomeerden geeft aan dat de opleiding te moeilijk was en dat is over alle leerwegen zo’n beetje gelijk.
  • Maar zo’n 17% van de gediplomeerden geeft aan dat ze de opleiding te eenvoudig of veel te eenvoudig vonden. Hierbij scoren de verschillende routes ook vergelijkbaar met een iets hogere score van de theoretische leerweg.
  • Bijna 50% van de gediplomeerden vinden dat ze voldoende worden bevraagd op inzicht.
  • Nog geen 1 op de 3 leerlingen vond de examens pittig en vond zich voldoende uitgedaagd.

Kortom, u was al op de goede weg, maar we kunnen ook nog wel iets meer vragen van onze leerlingen.

En dat komt goed uit bij de vraag van de arbeidsmarkt. We zien namelijk nog een andere trend in de arbeidsmarkt: de polarisering van de arbeidsmarkt. Technologische ontwikkelen zorgen dat er werk blijft voor hoger opgeleiden en lager opgeleiden (denk aan schoonmakers en grondwerkers).
De werkzaamheden van een grote groep medewerkers met een middelbare opleiding kunnen eerder worden geautomatiseerd.
Dit heeft ernstige gevolgen voor de werkgelegenheid van die groep. In de discussiepaper wordt dat benoemd als daling van de vraag naar middenbanen. Er hoeft niet altijd sprake te zijn van directe automatisering van de werkzaamheden. Een automonteur leest de computer van een problemen gevende auto uit en vervangt de complete module van de motor die de storing veroorzaakt. “Plug and play”.

Waar die monteur vroeger een paar uur aan het sleutelen was, is het nu binnen 20 minuten geregeld, inclusief het opmaken van de rekening.
Het is de vraag wat er met de grote middengroep gaat gebeuren. Gaan we ze hoger opleiden omdat de behoefte aan hoger opgeleiden wel blijft groeien? Lukt dat ook altijd? Of gaat de middengroep de groep lager opgeleide mensen verdringen? Daar kijken we nu bij de SER goed naar in het project Robotisering.
De behoefte aan hoger opgeleide mensen op de arbeidsmarkt groeit ook nog steeds door en de verwachting is dat dat ook nog wel even door zal gaan. Uw leerlingen zitten wat dat betreft in een gevoelig gedeelte van de bevolking en daar zullen we dus zorg voor moeten dragen.

Afsluiting

Er staat de hele samenleving heel wat te wachten, ik denk dat ik dat in mijn verhaal wel heb kunnen schetsen.
Voor het vmbo komt daar nog meer bij. Het vmbo staat ook nog eens aan de vooravond van belangrijke veranderingen in de eigen organisatie.
Met de dynamiek van de arbeidsmarkt, de nodige flexibiliteit van de beroepsbevolking, de nieuwe vaardigheden, de maatwerk behoefte van scholing en de noodzakelijke aansluiting van onderwijs en praktijk sluiten helemaal aan bij de veranderingen die u doormaakt.
Deze conferentie biedt een schat aan informatie en een heel afwisselend programma waarmee u zich inhoudelijk kan verrijken, en waarmee u inspiratie op kunt doen voor uw situatie in uw regio en uw onderwijsaanbod aan uw leerlingen.
U wacht een moeilijke, uitdagende taak, maar ook een taak die voor uw leerlingen nog heel lang van groot belang zal zijn.
Uw leerlingen zullen u zeer lang dankbaar zijn als u ze leert vissen in het troebele water. Ik wens uw leerlingen goede vangst en ik wens u enorm veel succes bij uw spannende taak.

 

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Scholing en ontwikkeling.