Uitbannen kinderarbeid

Presentatie van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij de overhandiging het onderzoeksrapport ‘Beauty and the beast; child labour in India for sparkling cars and cosmetics’, van Terres des Hommes.

19 mei 2016
De onderstaande tekst bevat de bouwstenen voor de toespraak van Mariëtte Hamer en is daarom niet bedoeld om letterlijk uit te citeren.

 

Het belang van kwantitatief en kwalitatief onderzoek

Dank voor de uitnodiging om hier vandaag het onderzoeksrapport ‘Beauty and the beast; Child labour in India for sparkling cars and cosmetics’ in ontvangst te mogen nemen. Het centrale thema is natuurlijk, zoals ook duidelijk uit de titel blijkt: Kinderarbeid.

Dat kan ook bijna niet anders want het doel van de organisatie bij wie ik hier vandaag te gast ben, is het voorkomen dat kinderen in de wereld worden uitgebuit. Terres des Hommes werkt al jaren aan het voorkomen van kinderarbeid door onder andere bewustwording binnen gemeenschappen te vergroten en zetten zich in voor betere implementatie van wetgeving en beleid.

De resultaten van het onderzoek geven dan ook inzicht in een aantal belangrijke onderdelen bij kinderarbeid in Jharkhand/Bihar (India) voor mica-industrie, waaronder de grootte van het probleem, de sociale factoren die een rol spelen bij kinderarbeid en de potentiële rol van verschillende actoren om kinderarbeid te voorkomen.

Voor de SER zijn goede kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeken van groot belang. Ze bieden mede een basis voor zinvolle discussies bij de SER. Ik wil Terres des Hommes dan ook vriendelijk bedanken voor het onderzoek.

Het belang van uitbannen kinderarbeid

Uitgangspunt voor ons allen is dat kinderarbeid wordt uitgebannen en de kinderen naar school gaan. Internationale afspraken zoals het VN-verdrag voor de rechten van het kind en de ILO-verdragen over kinderarbeid vormen daarvoor de universele basis.

De oplossing is echter niet zo simpel. Kinderarbeid is te beschouwen als een gevolg van armoede. Sommige huishoudens met lage inkomens voelen zich gedwongen hun kinderen te laten werken om zo in hun consumptiebehoeften te kunnen voorzien. Kinderarbeid leidt op zijn beurt ook weer tot armoede. Doordat de kinderen geen onderwijs ontvangen, belemmert dit hun ontwikkeling en houdt het de armoede in stand; vele kinderen bevinden zich hierdoor in een vicieuze cirkel.

Uit onderzoek blijkt dat families over het algemeen snel stoppen met het laten werken van kinderen als ze erin slagen hun economische status zodanig te verbeteren dat de hulp van het kind niet meer nodig is. Het verbeteren van de levensstandaard is van nature echter een geleidelijk proces en biedt daarom geen oplossing voor de korte termijn. Maar er zijn meer mogelijkheden om de vicieuze cirkel van kinderarbeid te doorbreken.

In 2008 hadden wij al in ons advies ‘Duurzame globalisering: een wereld te winnen’ een aantal wegen aangegeven waarlangs de vicieuze cirkel van kinderarbeid doorbroken kan worden. Het is belangrijk om druk uit te oefenen op landen, zoals India, om de ILO-verdragen over kinderarbeid te ratificeren en te handhaven, maar daarnaast is de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven ook belangrijk.

De relatie met het werkterrein van en de advisering door de SER

De Nederlandse overheid, vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, consumenten en maatschappelijke organisaties verwachten dat bedrijven zakendoen met respect voor mensenrechten en milieu. Internationaal is dat vastgelegd in de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Bedrijven worden geacht de daadwerkelijke en mogelijke negatieve impact van hun handelen te identificeren, voorkomen en verminderen en verantwoording af te leggen over hoe zij omgaan met de geïdentificeerde risico's. Due diligence genoemd.

In veel bedrijven en bedrijfstakken vinden positieve inspanningen ten aanzien van internationaal MVO en duurzaam ketenbeheer plaats. Desondanks is er wereldwijd regelmatig sprake van schendingen van fundamentele rechten, waaronder bescherming tegen kinderarbeid.

De SER heeft in het SER-advies IMVO-convenanten bepleit dat sectoren en bedrijven het initiatief nemen convenanten over internationaal MVO te sluiten met de overheid en maatschappelijke organisaties. Waar de invloed (leverage) van het bedrijf op het voorkómen en aanpakken van een negatieve impact groot is, heeft het bedrijf zelf mogelijkheden (‘entry points’) om hiervoor te zorgen. Naarmate de problemen complexer en structureler worden en verder in de keten en de maatschappij liggen, is meer samenwerking met andere partijen nodig om problemen aan te pakken.

IMVO-convenanten bieden bedrijven in sectorverband de kans om samen met de overheid en andere partijen complexe problemen, zoals kinderarbeid, gestructureerd en oplossingsgericht aan te pakken en daarmee hun leverage te vergroten.

Onder leiding van de SER is de eerste convenant over internationaal MVO in de textielsector tot stand gekomen. Brancheorganisaties, vakbonden, de rijksoverheid en maatschappelijke organisaties hebben in het convenant o.a. afgesproken om bij de productie van kleding en textiel in landen als Bangladesh, India, Pakistan en Turkije samen te werken aan bescherming tegen kinderarbeid. Door middel van het convenant bundelen deze partijen hun krachten om gezamenlijk te werken aan concrete verbetering en verduurzaming van de internationale kleding- en textielproductieketen. Zo willen zij problemen als kinderarbeid gezamenlijk aanpakken.

Ter afsluiting

Ik hoop oprecht dat kinderuitbuiting niet meer zal voorkomen. Het zal daarvoor belangrijk zijn dat alle actoren (maatschappelijke organisaties, overheid en werkgevers en werknemers) op diverse niveaus en terreinen samenwerken. In gezamenlijkheid is de kans groter om kinderuitbuiting in de toekomst te voorkomen.