Actuele trends rond pensioenen in Nederland

Presentatie van Mariëtte Hamer bij het bezoek van de Europese Commissie aan het Huis van Europa.

4 oktober 2016
De onderstaande tekst bevat de bouwstenen voor de toespraak van Mariëtte Hamer en is daarom niet bedoeld om letterlijk uit te citeren.

Download presentatie

Inleiding (slide 2)

  • Allereerste de sterke en zwakken punten van ons huidige tweede pijler. Het lijkt me goed om nog eens stil te staan bij de vraag waarom we het stelsel willen hervormen.
  • Daarna wil ik ingaan op de door ons verkende variant persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling.
  • Tot slot sta ik stil bij de belangrijkste uitdagingen voor een nieuw kabinet. 

SER-advies: Analyse van de tweede pijler (slide 3)

  • Uit ons advies over de Toekomst van het pensioenstelsel uit 2015 komen als sterke punten naar voren: de toereikendheid, de deling van risico’s, en de lage uitvoeringskosten.
  • Nederlanders kunnen hun levensstandaard na pensioneren relatief goed voortzetten zoals zij dat gewend waren. Armoede onder ouderen komt dankzij de AOW in Nederland in vergelijking met andere landen niet veel voor. Daar bovenop bouwen bijna alle werknemers (ongeveer 90 procent) een werknemerspensioen op. Dit hoge deelname percentage is vooral een gevolg van de verplichte deelname in pensioenregelingen.
  • Als gevolg hiervan kunnen de financiële schokken en het risico op onvoorziene veranderingen in de gemiddelde levensverwachting worden gedeeld tussen huidige en toekomstige generaties. Dat levert welvaartwinst op.
  • Tot slot kennen de Nederlandse pensioenfondsen lage uitvoeringskosten. Dit draagt bij aan een hoger ouderdomspensioen.

Trends: risico’s bij deelnemer (slide 4)

  • Het Nederlandse stelsel mag dan wel nog steeds bewonderd worden in het buitenland, in eigen land heeft het stelsel te maken met een dalend vertrouwen door kortingen en uitblijvende indexering. Het is aan deelnemers lastig uit te leggen waarom er ondanks het enorme pensioenvermogen soms gekort moet worden of waarom de pensioenuitkeringen achter moeten blijven bij de ontwikkeling van de lonen en prijzen.
  • Sinds 2008 is financiële kwetsbaarheid duidelijk geworden. De opbrengst van beleggingen is onder druk komen te staan. Maar vooral heeft de lage rente geleid tot hogere verplichtingen. In 2009 hadden pensioenfondsen circa 600 miljard aan pensioenverplichtingen ten opzichte van hun deelnemers. In 2016 is dit meer dan verdubbeld. De premie kan niet worden ingezet om dit gat te dichten en zodoende zekerheid te blijven bieden.
  • De risico’s zijn bij deelnemers terecht gekomen. Daardoor kan zekerheid niet meer worden geboden. Maar mensen verwachten het wel. Er is sprake van een verwachtingskloof en het vertrouwen in het stelsel heeft een forse deuk opgelopen.

Trends: roep om transparantie en maatwerk (slide 5)

  • Daarnaast ervaren veel deelnemers de pensioenregeling momenteel als intransparant. Voor hen is het onduidelijk hoeveel pensioen zij hebben opgebouwd en hoe de beslissingen over beleggingen en pensioenopbouw worden genomen. Sterker nog: veel deelnemers vrezen dat er wellicht geen pensioenvermogen meer voor hen in kas is. Dit is niet het geval, maar het toont wel het belang aan van meer transparantie.
  • Voor deelnemers is vaak niet goed te begrijpen hoe mee- en tegenvallers worden verdeeld, wat al snel tot onvrede tussen generaties kan leiden. Dit wordt versterkt doordat in het huidige stelsel een ondoorzichtige en soms moeilijk te rechtvaardigen herverdeling plaatsvindt tussen groepen deelnemers. Deze herverdeling vloeit voort uit de zogeheten doorsneesystematiek.

Trends: arbeidsmarkt (slide 6)

  • Een ander aandachtspunt is de aansluiting tussen de pensioenopbouw en de arbeidsmarkt. Tweedepijlerpensioenen zijn primair een arbeidsvoorwaarde. Werknemers nemen daarbij verplicht deel aan de pensioenregeling die hun werkgever aanbiedt. In een statische arbeidsmarkt waarbij werknemers zelden van bedrijf of sector wisselen is dit erg goed passend, maar in een dynamische arbeidsmarkt waarbij werknemers steeds vaker van baan en van sector wisselen en de bestaanshorizon van bedrijven en sectoren steeds korter worden kan dit tot problemen leiden.
  • Dat geldt eens te meer voor werknemers die zelfstandig ondernemer worden en vice versa. In zo’n dynamische arbeidsmarkt is het van belang dat werknemers eenvoudig hun opgebouwde pensioenvermogen kunnen meenemen naar een andere pensioenuitvoerder.

SER-advies: varianten in kaart (slide 7)

  • Om een antwoord te bieden op deze uitdagingen, heeft de SER in 2015 een advies uitgebracht waarbij vier varianten zijn verkend om het Nederlandse pensioenstelsel te versterken:
    • Huidige regeling zonder doorsnee.
    • Nationaal pensioenfonds/regeling
    • Individuele pensioenpotten
    • Persoonlijk pensioen met collectieve risicodeling.
  • Deze varianten zijn vervolgens beoordeeld op criteria als: pensioenresultaat, betaalbaarheid, aansluiting op maatschappelijke trends, macro-economische effecten en effecten van een transitie.
  • Uit deze vergelijking kwam baar voren dat de variant IV interessant is, maar onbekend. Het is interessant omdat het sterke punten van het huidige stelsel zoals collectiviteit behoud en een aantal zwakke plekken zoals gebrek aan transparantie en aansluiting op de arbeidsmarkt adreseert.
  • Maar lastige transitie: andere regeling, verdeling van de collectieve pot en afschaffen van de doorsneesystematiek.

Persoonlijk pensioenvermogen… (slide 8)

  • Hoe werkt een regeling met persoonlijk pensioenvermogen?
  • Elke deelnemer heeft een persoonlijk pensioenvermogen
  • binnen het grotere collectief. Op ieder moment kan de deelnemer de hoogte van zijn of haar pensioenvermogen zien. De hoogte van het persoonlijke pensioenvermogen wordt bepaald door:
    • de betaalde premie tot het moment van pensionering
    • de beleggingsrendementen
    • de uitvoeringskosten van de regeling
    • bij- en afschrijvingen vanwege gedeelde risico’s
  • Het persoonlijke pensioenvermogen moet worden gebruikt voor een jaarlijkse pensioenuitkering. Na pensionering berekent de pensioenuitvoerder jaarlijks de hoogte van de pensioenuitkering. Deze is afhankelijk van:

…met collectieve risicodeling (slide 9)

Uit de SER-verkenning blijkt dat een buffer – een soort gezamenlijke reservepot van oud en jong – de meest effectieve manier is om het risico van beleggingsrendementen te delen. In goede tijden wordt de buffer gevuld: een deel van de (hoge) opbrengsten van beleggingen gaat dan niet naar de persoonlijke pensioenpotten, maar naar de buffer. Andersom: als de beleggingsrendementen laag zijn, kan het persoonlijk pensioenvermogen juist worden aangevuld vanuit de buffer.
Belangrijk is dat de buffer niet negatief mag zijn. Dat betekent dat er geen tekorten kunnen worden doorgeschoven naar volgende generaties.

Pensioencontracten in beeld (slide 10)

Wij denken dat een regeling met persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling de potentie heeft om het goede van het huidige stelsel zoals de verplichte deelname, het samen delen van risico’s en de collectiviteit te behouden en de zwakke plekken zoals de schijnzekerheid van het huidige stelsel, het gebrek aan transparantie en de betere aansluiting op de arbeidsmarkt te adressen.
Bij overstap naar individuele potten laat je de goede punten van het huidige stelsel los.

Variant is bekend. En nu? (slide 11)

Onze verkenning is input geweest voor de Perspectief nota van staatssecretaris Jetta Kleinsma die in juli is uitgekomen.
Wij gaan nu verder met dialogen zoals deze. Het verleden leert dat draagvlak bij veranderingen op het gebied van pensioenen essentieel is. We willen weten wat mensen van de door ons verkende variant vinden, wat heb je eraan? Waarom doen we het?
Uiteindelijk is de keuze voor een pensioenregeling zoals ook de perspectiefnota uitdrukkelijk stelt, aan de sociale partners.
We zijn binnen de SER ook bezig met een verdere verkenning van de pensioensituatie van zzp’ers.
Ons streven is de de bevindingen van de pensioendialoog te laten neerslaan in een brief.

Uitdagingen volgend kabinet (slide 12)

De perspectiefnota herhaalt de ambitie om in 2020 een nieuw stelsel mogelijk te maken en vanaf dat moment de doorsneesystematiek geleidelijk af te schaffen.
Het werkt samen met het veld binnen de pensioenfederatie om de varianten met een collectief en persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling verder uit te werken. We zien het als een testrit voor de prototypen die we hebben ontwikkeld.
Grootste uitdaging blijft het uitzetten van een evenwichtige en zorgvuldige transitie. Wat is een passend juridisch en fiscale kader hiervoor dat pech- en gelukgeneraties voorkomt en leidt tot een evenwichtige belangenbehartiging? Welke lengte van de transitieperiode past hierbij. Perspectiefnota spreekt van 25 jaar: kan dit korter? Wat zijn de mogelijkheden om oude en nieuwe rechten bij elkaar te houden? Hoe kun je eventueel de collectieve pot verdelen naar persoonlijk pensioenvermogen? En natuurlijk hoe bereiken we overeenstemming over de verdeling van de transitiekosten tussen sociale partners en de overheid.

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Wandelen over de boulevard van Scheveningen