Investeren in kindvoorzieningen loont

Speech van Mariëtte Hamer over het SER-advies ‘Gelijk goed van start’, op de bijeenkomst Brancheorganisatie Kinderopvang op 5 oktober 2016.

5 oktober 2016
De onderstaande tekst bevat de bouwstenen voor de toespraak van Mariëtte Hamer en is daarom niet bedoeld om letterlijk uit te citeren.

Download presentatie

Hoofdpunten/ Aanbevelingen Gelijk goed van start:

  • Hoofdconclusie: Het investeren in kindvoorzieningen loont.
  • Met de werkgroep Kindvoorzieningen die dit advies heeft voorbereid, hebben we de conclusie getrokken dat kinderopvang niet alleen een belangrijk arbeidsmarktinstrument is, maar ook bijdraagt aan de ontwikkeling van kinderen, het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen.
  • Het belang van het investeren in die voorzieningen zal bovendien volgens dit advies in de komende jaren alleen maar toenemen. We zien nog steeds een lagere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, daarnaast zien we de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden groeien. Waar iemands wieg staat lijkt nog steeds te bepalen wat iemands levenskansen zijn.
  • Kindvoorzieningen kunnen die achterstanden verminderen.
  • En ze kunnen een plek bieden waar kinderen samen spelen en van elkaar leren, een omgeving waar een ‘speelse start’ kan worden gemaakt met het leren en ontwikkelen van de 21ste eeuwse vaardigheden.

Aanbevelingen lange termijn

  • In het advies maken we een onderscheid tussen de lange termijn (de stip op de horizon), de middellange termijn (komende kabinetsperiode) en de korte termijn (huidige kabinetsperiode).
  • Onze stip op de horizon is een universeel (inclusief) stelsel met extra ondersteuning van kinderen met een achterstand.
  • In de visie van de raad zouden op termijn alle kinderen van 0 tot 4 jaar, ongeacht achtergrond of afkomst en ongeacht of ouders werken, in de gelegenheid moeten zijn om in voldoende mate aan kindvoorzieningen deel te nemen.
  • In deze leeftijdsfase speelt het spelend leren een belangrijke rol; de nadruk ligt op het informele leren, het op speelse wijze de eigen ontwikkelingslijnen kunnen volgen en dus minder op formeel leren en educatie.

Aanbevelingen middellange termijn

Voor de middellange termijn hebben we een agenda opgesteld met daarin de volgende actiepunten:

Intensivering doelgerichte aanpak achterstanden van 10 naar 16 uur per week
Een van de belangrijkste aanbevelingen op de middellange termijn is dat kinderen met een achterstand in aanmerking moeten komen voor extra stimuleringsprogramma’s (VVE). Gekozen is voor een aanbod van minimaal 16 uur per week. (De kosten van dit voorstel zijn geraamd op 169 mln).

Integraal aanbod voor alle kinderen van 16 uur per week
In aanvulling daarop dient er voor alle kinderen van 2 tot 4 jaar, ongeacht of hun ouders werken, een aanbod van 16 uur per week te komen, met een eigen bijdrage van ouders. Dat betekent dus dat niet werkende ouders in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. (De kosten van dit voorstel variëren van 176 tot 231 miljoen euro).

Verbeteren samenwerking en vereenvoudiging van de financieringsstromen
Deze kindvoorzieningen werken nauw samen met scholen en jeugdwerk in de buurt en nemen daarbij een belangrijke plaats in in het geheel van voorzieningen voor kinderen van 0 tot 12 jaar. Ook de versnippering in de finacieringsstromen wordt tegengegaan.

Verdere verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid van het stelsel
Verbetering van de kwaliteit blijft uiteraard ook nodig. Kwaliteit vormt de sleutel, zowel voor het bevorderen van de ontwikkeling, als voor het verminderen van de achterstanden.
De kosten mogen niet te hoog zijn. Voor alle groepen moet het betaalbaar zijn. Een eigen bijdrage van ouders blijft nodig, maar het systeem moet financieel toegankelijk zijn en werken stimuleren.

Stabiliteit en bestendigheid van het stelsel op middellange termijn
Het is heel belangrijk dat we stoppen met het jojobeleid. De sector heeft behoefte aan financiële stabiliteit en ouders en hun kinderen zijn gebaat bij meer zekerheid en continuïteit.

Een nadere doordenking van de verdeling van kosten
Als de ontwikkelfunctie aan belang wint, dan ligt het voor de hand dat de financiele verantwoordelijkheden worden heroverwogen en dat de overheid meer gaat betalen.

Aanbevelingen korte termijn

  • Voor de korte termijn (tot aan de volgende kabinetsperiode) zijn experimenteermogelijkheden voor samenwerking wenselijk.
  • Het is noodzakelijk dat er een intensieve samenwerking is tussen het kindcentrum en de basisschool waar het kind naar toegaat. Dit in verband met de doorlopende leer- en ontwikkelingslijnen van het jonge kind. Een vloeiende overgang is van belang, leert ook het onderzoek.
  • In de praktijk is er al een toenemend aantal samenwerkingsverbanden of –afspraken. De inzet van organisaties, onder andere van initiatieven als Kindcentra 2020 en andere lokale en landelijke samenwerkingsverbanden, dragen bij aan de intensivering van de samenwerking.
  • De SER stelt voor om binnen het bestaande stelsel voor een aantal samenwerkingspartners van kindercentra en basisscholen afspraken te maken over een aantal onderwerpen ten einde te komen tot een gezamenlijke aanpak en ervaringen die daarbij worden opgedaan te volgen (experimenten Kindcentra 2020).
  • Gemeenten blijven verantwoordelijk voor de coördinatie, de afstemming tussen de voorzieningen en school en het jeugdwerk.
  • De raad onderschrijft het voorstel van de VNG om voor de korte termijn in een aantal gemeenten, die bereid zijn te investeren samen met bereidwillige lokale partners, proeftuinen kindcentra (verder)te ontwikkelen. Voor die proeftuinen is vrije regelruimte nodig. Dat betekent dat vrijstelling komt van knellende regelgeving.

Specifieke punten

Integraal of niet integraal

  • Bij de vormgeving van voorzieningen zou aandacht moeten zijn voor de brede ontwikkelingskansen van kinderen met extra aandacht voor kinderen die dat nodig hebben.
  • In een dergelijk systeem worden de verschillende voorzieningen niet meer als gescheiden circuits behandeld en gaan kinderen met verschillende sociaal-economische achtergronden naar dezelfde voorzieningen.
  • Er wordt vervolgens maatwerk geboden in één instelling; kinderen met een achterstand komen in aanmerking voor extra stimuleringsprogramma’s (voor- en vroegschoolse educatie), kinderen van wie de ouders werken kunnen in aanmerking komen voor extra dagdelen, als zij daarvoor kiezen.
  • Integraal wordt dus duidelijk benaderd vanuit de ontwikkeling van het kind en niet vanuit het systeem.
  • We zeggen in het advies dan ook dat een meer samenhangende aanpak pluriformiteit in de uitvoering niet behoeft uit te sluiten en organisaties kunnen ook hun eigen profilering hebben bij de manier waarop ze kinderopvang vorm willen geven.
  • Kortom: Laten we kinderen de ruimte geven om spelend te leren!

Publiek versus privaat

  • Op langere termijn kan worden overwogen of de verdeling in de financiering aanpassing behoeft. Naarmate kindvoorzieningen meer en meer dienen als een ontwikkelingsinstrument, ligt een relatief hogere bijdrage van de overheid in de rede.
  • We gaan richting een publiek stelsel, maar dat betekent niet gratis; inkomensbijdragen blijven volgens de SER nodig.

Samenwerking

  • Tijdens AO vorige week hebben de PvdA en Groen Links geconstateerd dat er maar weinig schot in de uitvoering van de motie Yücel over samenhang tussen onderwijs en opvang. Deze partijen drongen aan op voorbereidend werk van het huidige kabinet, zodat een nieuw kabinet snel stappen kan zetten.
  • De SER heeft ook deze aanbeveling voor een verbetering van de samenwerking op de korte termijn gedaan; Centraal zou een goede ontwikkeling van kinderen moeten staan. Voor welke vorm ook gekozen wordt, alle kinderen hebben belang bij een goede relatie/afstemming tussen kinderopvang en basisonderwijs. Er moet een einde worden gemaakt aan de versnippering van het stelsel.

 

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Werk en privé. Moeder aan het werk aan de keukentafel. Dochtertje is aan het kleuren.