Gelijk goed van start

Inleiding van SER-voorzitter Mariëtte Hamer op het gelijknamige SER-advies, gehouden bij het openingscongres van de Week van het jonge kind.

8 april 2016
De onderstaande tekst bevat de bouwstenen voor de toespraak van Mariëtte Hamer en is daarom niet bedoeld om letterlijk uit te citeren.

 

Inleiding

Hartelijk dank voor de uitnodiging om te komen spreken op het openingscongres.
Prachtig initiatief om ook in Nederland de Week van het Jonge Kind te vieren. Het doet mij veel plezier dat dit nu al weer voor de vierde keer in Nederland plaatsvindt.

Heel goed dat er veel aandacht is voor kinderen in de leeftijd 0-4 jaar, deze levensfase van kinderen is zo ongelofelijk belangrijk, dat kunnen we niet genoeg benadrukken. Juist dan vinden er belangrijke ontwikkelingen plaats, zowel sociaal-emotioneel als cognitief; die kinderjaren vormen het fundament, waarop wordt voortgebouwd.

Het thema van de week: Celebrating Our Youngest Learners: Samen verschillend naar de toekomst onderstreept dit belang.

Voorop staat inderdaad dat we kijken naar de mogelijkheden van het jonge kind in relatie tot de ontwikkeling van de toekomstige maatschappij. Stimuleren van talenten en het ontwikkelen van vaardigheden: daar draait het om. Of zoals jullie het zelf in de uitnodiging hebben verwoord: Samen met kinderen, hun ouders, familie en andere mensen in hun directe omgeving bouwen we de maatschappij van morgen.

Het SER advies, waar ik u zo meteen meer over zal vertellen, sluit daar heel mooi bij aan, het advies draagt de titel Gelijk goed van start en dat vat de kern van het advies goed samen: investeren in het jonge kind loont en daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen.

Ik zal aan de hand van een aantal slides de belangrijkste punten uit advies samenvatten.

Adviesvraag (Slide 2)

Allereerst: Waarom dit advies?
Aanleiding: was de motie Van Weyenberg c.s., die op 28 oktober 2014 in de Tweede Kamer werd aangenomen. In deze motie wordt de regering verzocht aan de SER te vragen om een vervolgadvies uit te brengen over de inrichting van de voorzieningen voor jonge kinderen en de sociaal-economische effecten in kaart te brengen.

De adviesvraag luidt als volgt: “Ondersteunt het bestaande stelsel van kinderopvangvoorzieningen de doorlopende ontwikkel- en leerlijnen van jonge kinderen?
Welke verbeterpunten ziet de SER voor de inrichting van de voorschoolse voorzieningen om:

  • de deelname van ouders aan het arbeidsproces te ondersteunen en
  • de brede ontwikkeling van jonge kinderen te optimaliseren?

Kan de SER de sociaal-economische effecten hiervan in kaart brengen? In hoeverre zijn werkgevers of werknemers bereid eventuele aanvullende kosten hiervan te dragen?”

Hoofdconclusies (Slide 3)

Een van de belangrijkste conclusies in dit advies is dat het investeren in de voorzieningen voor jonge kinderen loont.
Met de werkgroep kindvoorzieningen die dit advies heeft voorbereid hebben we de conclusie getrokken dat kinderopvang niet alleen een belangrijk arbeidsmarktinstrument is, maar ook bijdraagt aan de ontwikkeling van kinderen, het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen.
Het belang van het investeren in die voorzieningen zal bovendien volgens dit advies in de komende jaren alleen maar toenemen. We zien nog steeds een lagere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, daarnaast zien we de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden groeien.
Kindvoorzieningen kunnen die achterstanden verminderen en ze kunnen een plek bieden waar kinderen samen spelen en van elkaar leren, een omgeving waar een ‘speelse start’ kan worden gemaakt met het leren en ontwikkelen van de 21ste eeuwse vaardigheden.

In het advies maken we een onderscheid tussen de lange termijn (de stip op de horizon), de middellange termijn (komende kabinetsperiode) en de korte termijn (huidige kabinetsperiode). Onze stip op de horizon is een universeel (inclusief) stelsel met extra ondersteuning van kinderen met een achterstand.

Voorstellen voor de middellange termijn (Slide 4)

Voor de middellange termijn hebben we een agenda opgesteld met daarin de volgende actiepunten

intensivering doelgerichte aanpak achterstanden van 10 naar 16 uur per week
Een van de belangrijkste aanbevelingen op de middellange termijn is dat kinderen met een achterstand in aanmerking moeten komen voor extra stimuleringsprogramma’s (VVE). Gekozen is voor een aanbod van minimaal 16 uur per week. (De kosten van dit voorstel zijn geraamd op 169 mln).

integraal aanbod voor alle kinderen van 16 uur per week
In aanvulling daarop dient er voor alle kinderen van 2 tot 4 jaar, ongeacht of hun ouders werken, een aanbod van 16 uur per week te komen, met een eigen bijdrage van ouders. Dat betekent dus dat niet werkende ouders in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. (De kosten van dit voorstel variëren van 176 tot 231 miljoen euro).

verbeteren samenwerking en vereenvoudiging van de financieringsstromen
Deze kindvoorzieningen werken nauw samen met scholen en jeugdwerk in de buurt en nemen daarbij een belangrijke plaats in in het geheel van voorzieningen voor kinderen van 0 tot 12 jaar. Ook de versnippering in de financieringsstromen wordt tegengegaan

verdere verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid van het stelsel
Verbetering van de kwaliteit blijft uiteraard ook nodig. Kwaliteit vormt de sleutel, zowel voor het bevorderen van de ontwikkeling, als voor het verminderen van de achterstanden. En de kosten mogen niet te hoog zijn. Voor alle groepen moet het betaalbaar zijn. Een eigen bijdrage van ouders blijft nodig, maar het systeem moet financieel toegankelijk zijn en werken stimuleren.

stabiliteit en bestendigheid van het stelsel op middellange termijn
Tot slot is het heel belangrijk dat we stoppen met het jojobeleid. De sector heeft behoefte aan financiële stabiliteit en ouders en hun kinderen zijn gebaat bij meer zekerheid en continuïteit.

Een nadere doordenking van de verdeling van kosten
Als de ontwikkelfunctie aan belang wint dan ligt het voor de hand dat de financiële verantwoordelijkheden worden heroverwogen en dat de overheid meer gaat betalen.

Voorstellen voor de korte termijn (Slide 5)

Voor de korte termijn (tot aan de volgende kabinetsperiode) zijn experimenteermogelijkheden voor samenwerking wenselijk.

Het is noodzakelijk dat er een intensieve samenwerking is tussen het kindcentrum en de basisschool waar het kind naar toegaat. Dit in verband met de doorlopende leer- en ontwikkelingslijnen van het jonge kind. Een vloeiende overgang is van belang, leert ook het onderzoek.

In de praktijk is er al een toenemend aantal samenwerkingsverbanden of – afspraken. De inzet van organisaties, onder andere van initiatieven als Kindcentra 2020 en andere lokale en landelijke samenwerkingsverbanden, dragen bij aan de intensivering van de samenwerking.

De SER stelt voor om binnen het bestaande stelsel voor een aantal samenwerkingspartners van kindercentra en basisscholen afspraken te maken over een aantal onderwerpen ten einde te komen tot een gezamenlijke aanpak en ervaringen die daarbij worden opgedaan te volgen (experimenten Kindcentra 2020).

Gemeenten blijven verantwoordelijk voor de coördinatie, de afstemming tussen de voorzieningen en school en het jeugdwerk.

De raad onderschrijft het voorstel van de VNG om voor de korte termijn in een aantal gemeenten, die bereid zijn te investeren samen met bereidwillige lokale partners, proeftuinen kindcentra (verder)te ontwikkelen.

Voorzieningen als instrument om achterstanden te bestrijden – Waarom? (Slide 6)

Waarom juist investeren in de voorschoolse periode? Investeren in jonge kinderen met een achterstand loont omdat het rendement van investeringen in menselijk kapitaal in de vroege kinderjaren groter is dan het rendement op latere leeftijd.

  • Hoe jonger ontwikkelingsachterstanden worden aangepakt, hoe meer de effecten van vroege ontwikkelingsverschillen ongedaan kunnen worden gemaakt en hoe beter de leerprestaties gedurende de schoolcarrière zullen zijn.
  • Internationaal heeft deze gedachte navolging gekregen. Veel landen kennen inmiddels speciale ontwikkelprogramma’s voor jonge kinderen en steeds meer landen investeren in de voorschoolse periode
  • Duitsland heeft sinds 2003 het aantal kindplaatsen fors uitgebreid en vanaf 2013 hebben ouders met kinderen in de leeftijdsgroep van 1-3 jaar recht op een plaats voor minimaal 5 uur per dag.
  • Ook in Engeland was het voornaamste argument om het systeem van opvang en educatie uit te breiden vooral gelegen in het bestrijden van armoede, verminderen van achterstanden en het bevorderen van de sociale mobiliteit. Daar hebben 3- en 4-jarigen recht op gratis opvang en educatie.

Waarom is het investeren nu zo belangrijk?

Allereerst vanwege het feit dat opleiding in toenemende mate een scheidslijn in onze samenleving wordt. Waar iemands wieg staat, bepaalt in belangrijke mate wat iemands levenskansen zijn. Vroege verschillen worden later niet of onvoldoende ongedaan gemaakt. Voorkomen blijkt hier niet alleen beter te zijn dan genezen, maar ook goedkoper.
Ook de aard van het leren verandert. De lerende economie vraagt om 21ste -eeuwse vaardigheden zoals creativiteit en samenwerken. Voorschoolse voorzieningen bieden een omgeving waar deze vaardigheden kunnen worden geleerd en ontwikkeld. Het belang daarvan neemt ook toe omdat de wereld waarin kinderen van nu opgroeien, verandert. Gezinnen zijn kleiner geworden en gevarieerder van samenstelling. Het ontmoeten van andere kinderen en het samen leren en samen spelen zijn niet zo vanzelfsprekend meer. Kindvoorzieningen kunnen die ontmoetingsplek en ondersteuning bieden.

 

Voorzieningen als instrument om achterstanden te bestrijden – Hoe? (Slide 7)

Ik heb het al even kort gestipt maar het is van belang de intensiteit en de kwaliteit van de Vve te verbeteren.

Vooral voor kinderen met een achterstand schiet de kwaliteit van de voorzieningen tekort. Op tweejarige leeftijd zijn achterstanden op het gebied van taal of algemene leerfuncties al aanwezig. Het bereik van de doelgroep is onvoldoende, de intensiteit van de programma’s is te beperkt en de specifieke kwaliteit van de professional om de achterstanden aan te pakken is in veel gevallen ontoereikend.

Bovendien verkleint de segregatie in het stelsel (waarbij hoge inkomens vooral gebruikmaken van kinderopvang en lage inkomens van de peuterspeelzaal of niet deelnemen) de kansen voor kinderen met een achterstand. Jonge kinderen groeien vanwege hun achtergrond of afkomst niet samen op, waardoor zij in mindere mate van elkaar kunnen leren.

De kansen zijn zo al op zeer jonge leeftijd ongelijk verdeeld, waardoor een gelijke start meer droom dan werkelijkheid is.

SER Voorstellen verminderen van achterstanden (Slide 8)

Samengevat stellen wij voor het bereik (door een eenduidige definitie) te verbeteren, de kwaliteit door continue professionalisering te verhogen en de programma’s te intensiveren (van 10 uur naar 16 uur per week).
Ook de integratie van verschillende groepen kinderen moet worden bevorderd. Door samen te spelen leren kinderen van elkaar.
Vooral kinderen met een achterstand hebben daar baat bij.

SER Voorstellen verbeteren kwaliteit (Slide 9)

Kwaliteit is de sleutel. Onderzoek laat zien dat de kwaliteit van kindvoorzieningen een essentiële factor is voor de bijdrage aan de ontwikkeling van jonge kinderen. Ook laten de studies zien dat de baten van voorschoolse educatie en opvang hoger zijn indien de kwaliteit hoger is.
Volgens de SER moet er een aanbod komen voor alle kinderen van 2 tot 4 jaar, ongeacht of hun ouders wel of niet werken, voor 16 uur per week. Uiteraard kunnen werkende ouders meer uren afnemen.
Verbetering van de samenwerking tussen de voorzieningen is van belang met het oog op de doorlopende ontwikkelings- en leerlijnen.
Pedagogische medewerkers bepalen vooral de kwaliteit van het stelsel. Nu de focus meer komt te liggen op de ontwikkelfunctie van de voorzieningen, is het denk ik van belang ook te kijken naar de eisen die aan opleidingen, bijscholing en functieverbreding worden gesteld. Sommige pedagogische medewerkers zullen meer een coachende rol vervullen, anderen zullen een rol spelen bij onder andere de VVE of worden ingezet als mentor. Er dient een goede mix te zijn van mbo en hbo opgeleiden.

SER Voorstellen verbeteren toegankelijkheid (Slide 10)

Naast de kwaliteit is ook de financiële toegankelijkheid van belang. Het stelsel dient voor alle groepen toegankelijk te zijn.

En tot slot is het denk ik van groot belang dat er na de al die jaren van onzekerheid er nu rust en zekerheid komt. Daar hebben ouders en de sector behoefte aan. Er moet een einde komen aan het jojobeleid van de afgelopen jaren.

Wij hopen dat we met dit advies daaraan een bijdrage hebben kunnen leveren.


Ik dank u hartelijk voor uw aandacht en wens u vooral ook veel plezier tijdens de Week van het Jonge Kind.

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Werk en privé. Moeder aan het werk aan de keukentafel. Dochtertje is aan het kleuren.