Samen aan de slag voor een open en flexibele arbeidsmarkt

Keynote speech door SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij het Jaarcongres van EP-Nuffic 'Samen aan de slag'.

22 maart 2016
Het gesproken woord geldt.

Het is mij een eer om u hier toe te mogen spreken op het jaarcongres van EP Nuffic. Het motto van het congres, “Samen aan de slag”, spreekt me bijzonder aan. Helaas is het in de praktijk nog niet zo vanzelfsprekend. Dus ben ik blij dat ik met het motto van vandaag aan de slag kan, en mag ik u uitleggen waarom het motto mij zo aanspreekt.

Het zijn de twee elementen van het motto die mij aanspreken: “samen” en “aan de slag”.

Samen

Als voorzitter van de Sociaal Economische Raad hoef ik u waarschijnlijk niet uit te leggen hoezeer ik begaan ben met “Samen”.

De SER heeft drie geledingen: werknemers, werkgevers en onafhankelijke kroonleden. Het bestaansrecht van de SER bestaat eruit dat deze geledingen samen tot afspraken komen en gezamenlijk over de eigen schaduw heen stappen. De SER adviseert de regering en het parlement over het sociaal economisch beleid. Dat doet de SER niet alleen op wetenschappelijke basis, maar op basis van het overleg tussen werkgevers, werknemers en onafhankelijke kroonleden.
De SER adviseert bijvoorbeeld over vraagstukken als het pensioenstelsel, over de wijze waarop in verschillende levensfasen werken, zorgen, leren en recreëren naast elkaar voorkomen en hoe de samenleving daarop in zou kunnen spelen. Zo hebben we onlangs een advies uitgebracht over de gewenste toegankelijkheid van kinderopvang en de arbeidsvoorwaarden in de culturele sector, maar ook over de strategische agenda Hoger Onderwijs en hebben we het Platform Onderwijs 2032 van Paul Schnabel vanuit het SER perspectief geadviseerd over de inhoud van het curriculum van het funderend onderwijs.
Maar ook specifiekere vraagstukken als de organisatie van medezeggenschap en ondernemingsraden en de voor- en nadelen van het combineren van verschillende banen.

We kijken uitgebreid naar het thema Leren in de Toekomst. De SER bekijkt daarvoor de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de wijze waarop het onderwijs daarop kan aansluiten. Dat geldt zowel voor het hoger onderwijs, als het beroepsonderwijs en het voortgezet en basisonderwijs. Dat geldt voor het initieel onderwijs, maar ook voor onderwijs en opleiding in een later stadium van de loopbaan. Ik kom daarop later in mijn verhaal nog op terug.

Aan de slag

Het tweede deel van het motto van vandaag, “aan de slag”, spreekt mij aan omdat we het vooral niet alleen bij praten moeten laten. We doen dat in de SER ook niet. We praten veel, maar we maken ook heel harde afspraken over heel ingewikkelde vraagstukken. En de betrokken partijen werken er keihard aan om de afspraken ook uit te voeren.
En dat is hard nodig ook. Want er gebeurt zoveel in de economie en op de arbeidsmarkt. We moeten daar echt op inspelen willen we onze welvaart en welzijn in stand houden.

Arbeidsmarkt: Dynamiek

Wat is er aan de hand op de Nederlandse arbeidsmarkt?
Als we kijken naar de huidige arbeidsmarkt dan komen er termen naar voren als flexibiliteit, duurzame inzetbaarheid en dynamiek. De situatie is dat de huidige ontwikkelingen in de techniek, in de markt en in de sociale verhoudingen zo snel gaan dat we de toekomst van de arbeidsmarkt niet precies kunnen duiden.

Daarnaast is er ook vanuit internationaal perspectief van alles aan de hand waarvan we de effecten op onze samenleving en op de Nederlandse arbeidsmarkt nog niet kunnen inschatten. Denk aan de hectische relatie tussen de Sovjet Unie en Europa; de mogelijke gevolgen van de verkiezingen in de Verenigde Staten en de ontwikkelingen in de Arabische landen.

Wat nieuw is, is dat we verwachten dat het voorlopig niet meer lukt om de ontwikkeling van de economie en arbeidsmarkt te voorspellen. We zullen de toekomst van de arbeidsmarkt niet meer zo strak kunnen plannen als aan het einde van de vorige eeuw. De arbeidsmarkt blijft dynamisch.
Onzekerheid is de nieuwe zekerheid.

Is het dan alleen maar onzekerheid wat ik u kan mee geven?
Nee, gelukkig niet. Er zijn wel een paar trends aan te geven voor de toekomst die iets van duidelijkheid geven in de onzekerheid.

Robotisering

Een trend waarvan grote gevolgen worden verwacht is de trend van robotisering en automatisering. In de bekende toespraak van minister Asscher in 2014 over de effecten van robotisering waarschuwt hij voor technologische werkloosheid. Robots nemen de mensen het werk uit handen. Robots nemen repeterende werkzaamheden over of maken die werkzaamheden een stuk efficiënter. De werkgelegenheid per artikel of per dienst is nu al een stuk kleiner dan 10 jaar geleden.
Sommige mensen zijn daar niet zo van onder de indruk. Immers, ook in 1930 werd al gewaarschuwd voor technologische werkloosheid. In de geschiedenis heeft de technologische ontwikkeling niet geleid tot vermindering van de werkgelegenheid. Wel hebben technologische ontwikkelingen geleid tot verandering van de werkzaamheden. Wat ons nu te wachten staat is nog geen uitgemaakte zaak. De verwachting van de meeste experts is eigenlijk wel dat de effecten van de digitale technologie op de arbeidsmarkt groter zullen zijn dan eerdere ontwikkelingen.

Steeds meer mensen zijn afhankelijk van technologieën die steeds minder mensen beheersen. Het toenemende penetratie van computers en automatisering leidt ook tot grote behoefte aan mensen die de computers kunnen ontwikkelen, bouwen en bedienen en over andere technologische vaardigheden beschikken.
In het denken over het nieuwe curriculum van het funderend onderwijs nemen technologie en digitale vaardigheden een belangrijke plaats in. Maar we kunnen op de arbeidsmarkt niet wachten tot 2023 op deze vaardigheden. Ook komende jaren zullen we daarom een grote behoefte blijven houden aan studenten en professionals uit het buitenland. De ambities die een paar jaar geleden zijn gesteld in ‘Make it in the Netherlands’ zijn daarmee nog steeds actueel. Ik kom daar straks op terug.

Polarisering

De effecten van robotisering leiden tot de polarisering van de arbeidsmarkt. Dit is een andere trend. Technologische ontwikkelen leiden ertoe dat er werk blijft voor hoger en lager opgeleiden maar zetten de werkgelegenheid van de middengroepen onder druk.

Het idee is dat de werkzaamheden van een grote groep medewerkers met een middelbare opleiding kunnen eerder worden geautomatiseerd wat ernstige gevolgen heeft voor de werkgelegenheid van die groep. Er hoeft niet altijd sprake te zijn van directe automatisering van de werkzaamheden. Een automonteur leest de computer van een problemen gevende auto uit en vervangt de complete module van de motor die de storing veroorzaakt. Plug and play. Waar die monteur vroeger een paar uur aan het sleutelen was, is het nu binnen 20 minuten geregeld.
Het is de vraag wat de grote middengroep gaat doen. Gaan we ze hoger opleiden omdat de behoefte aan hoger opgeleiden wel blijft groeien? Lukt dat ook altijd? Of gaat de middengroep de groep lager opgeleide mensen verdringen? We weten het niet, maar we zijn er bij de SER wel alert op.

Flexibilisering

Een andere trend die ook actueel is, is de flexibiliteit van de arbeidscontracten. Steeds meer ZZP’ers of tijdelijke contracten.
Deze trend is niet alleen maar somber. Werkgevers zijn hier blij mee, maar ook veel jonge mensen waarderen de flexibiliteit. Dat past ook in de dynamische instelling van het levenspad.
Het wordt nu nog ingewikkeld als de nieuwe systemen in botsing komen met oude verwachtingen. Bijvoorbeeld als er een hypotheek nodig is of andere leningen of verzekeringen geregeld moeten worden.
Vanwege de grote groei van de flexibiliteit van de arbeidscontracten zal daar komende jaren veel gaan gebeuren, is onze verwachting. Zowel werkgevers als werknemers willen hier in samenwerken.

Die flexibilisering heeft ook een internationaal facet. We zien dat een groep ondernemers de Europese mogelijkheden benutten voor nieuwe arbeidscontracten door internationale payrolling, detachering en onderaanneming. Op dit moment is er een stevig debat gaande over constructies met vrachtwagenchauffeurs, aspergestekers en medewerkers in de glastuinbouw. Het debat gaat over de wenselijkheid en menselijkheid en over de effecten voor onze sociale zekerheid en werknemersverzekeringen. Ook deze medaille heeft twee kanten. Het is mooi dat het werk wordt gedaan tot tevredenheid van opdrachtgever en werknemer, maar minder mooi dat de nationale afspraken over de arbeidsomstandigheden niet altijd worden nageleefd. We merken dat het voeren van het debat leidt tot aanpassing van de situatie. Ik verwacht dat de huidige overgangssituatie uiteindelijk zal stabiliseren in een voor alle betrokkenen acceptabel evenwicht. Hierin wordt de kracht zichtbaar van de Nederlandse polder.

Geen baan voor het leven

Een ander aspect van de flexibilisering de arbeidsmarkt is dat we steeds meer afscheid nemen van het idee van een baan voor het leven. Dat betekent ook dat een opleiding vóór een carrière niet meer volstaat voor het hele leven.

Bij de dynamiek van de arbeidsmarkt hoort ook dat opleiding en scholing wordt voortgezet na de initiële opleiding. Je bent er niet meer met één goede opleiding. Je leven lang blijven leren en ontwikkelen is een basishouding, een vanzelfsprekendheid. Leren is net zo vanzelfsprekend als eten.

Dynamiek in cijfers

Er zijn ook nog andere trends in rapporten die de toekomst in statistische cijfers presenteren: bijvoorbeeld:

  • 65% van de scholieren van nu krijgen banen die nu nog niet bestaan.
  • de 10 meest gewilde banen van 2013 in de VS bestonden in 2004 nog niet.
  • de huidige leerlingen en studenten zullen voordat ze 38 zijn 10 tot 14 banen hebben gehad.
  • de huidige studenten gaan technologieën gebruiken die nu nog niet bestaan voor problemen waarvan we nu nog niet weten dat het überhaupt problemen zijn.

Met andere woorden: er is sprake van een grote dynamiek en veel veranderingen op de arbeidsmarkt. Welke kant de ontwikkelingen op gaan is nog niet duidelijk. Wederom: onzekerheid is de nieuwe zekerheid.

Vluchtelingen

Ik kan natuurlijk niet een heel verhaal houden over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in internationale context zonder daarbij ook iets te zeggen over de vluchtelingen.
De huidige problematiek met de toestroom van vluchtelingen uit Syrië, Eritrea en Afghanistan heeft nog niet direct een relatie met de arbeidsmarkt. Laten we er eerst maar voor zorgen dat we de mensen uit de oorlogsgebieden een veilig en menswaardige opvang bieden. Maar na het menselijke welkom, is wel direct de vraag voor de toeleiding naar de arbeidsmarkt aan de orde. En eerlijk gezegd, daar valt nog een hoop te verbeteren in Nederland.

Ondersteuning nodig

Als we nu kijken wat de eerdere vluchtelingenstromen ons geleerd hebben, dan vraagt deze stap voor de nieuwe vluchtelingen ons aller inzet.
Onderzoek leert dat het erg moeilijk is voor vluchtelingen om op eigen kracht volwaardig werk te vinden. We zien dat van de vluchtelingen uit Bosnië meer dan 50% nog steeds bijstandsafhankelijk is.
De ondersteuning van de opvang is afgelopen jaren nog verder gedecentraliseerd en versoberd. Na opvang en huisvesting wat centraal wordt geregeld, is inburgering een individuele verantwoordelijkheid van de vluchteling.

Huisvesting en arbeidsmarkt

Het begint al bij de huisvesting. Er zijn nu nog 16.000 statushouders in de centrale opvang. Deze statushouders komen in aanmerking voor inburgeringstrajecten en mogen gaan werken. Maar de centrale opvanglocaties zijn over het algemeen niet in de regio’s waar ook de werkgelegenheid voor deze mensen gevonden kan worden.
Hetzelfde geldt voor het aanbod van huisvesting in de krimpgebieden. Daar is wel woonruimte beschikbaar, maar geen werkgelegenheid. Wordt een jong gezin daarmee geholpen? In eerste instantie wel. Het is natuurlijk heerlijk om uit een opvanglocatie naar eigen woonruimte te gaan. Maar al snel daarna komt er een behoefte aan zingeving en inkomen.

Inburgering

Na de huisvesting volgt de keuze voor het taal- en inburgeringstraject. De individuele statushouder mag (of moet) dat zelf kiezen. Op zich een mooi uitgangspunt, maar wel een zware opgave in een compleet nieuwe cultuur na een emotionele periode. Dat traject gaat lang niet altijd goed en niet altijd voortvarend genoeg. Het is ook lastig, aan de ene kant willen we getraumatiseerde mensen ook niet meteen onder druk zetten, aan de andere kant is het wel noodzakelijk om tot binding met de nieuwe omgeving te komen. Daarbij moeten we ook bedenken dat de vluchtelingen niet allemaal tandarts of architect zijn, zoals misschien wel eens lijkt. Jaren geleden is er door het COA een heel globale inventarisatie gemaakt van het opleidingsniveau van de vluchtelingen en daaruit bleek de verdeling 1/3 hoog opgeleid, 1/3 laag opgeleid en een middengroep van 1/3.

Vijf jaar

Het lijkt erop dat het traject van aankomst in Nederland tot stappen naar de arbeidsmarkt zo’n vijf jaar duurt. Een belangrijk deel van deze tijd gaat op aan processen met organisaties en regelingen van goede wil maar die niet lekker bij elkaar aansluiten. Veel vluchtelingen willen bijvoorbeeld wel bij- of omscholen, maar komen niet in aanmerking voor studiefinanciering omdat ze te oud zijn. Een bijstandsuitkering wordt gekort als de vluchteling een opleiding gaat doen en daarom niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.
Kortom, voor deze groep mensen die ook de uitnodiging van “Make it in the Netherlands” verstaan, hebben we als samenleving nog een aantal hobbels te slechten.

Bij de SER zijn we bezig om de verschillende knelpunten, maar ook de verschillende goede voorbeelden in kaart te brengen en de vereende krachten van werkgevers, werknemers en kroonleden in stelling te brengen. We staan nog aan het begin, maar er begint zich een lijn af te tekenen dat de oplossing niet gevonden moet worden in een groot nationaal programma, maar dat in regionale samenwerking van alle aanwezige partijen, werkgevers, lokale overheden, opleidingen, werknemersorganisaties en welzijnsinstellingen, een programma kan worden ontwikkeld waar de mensen mee geholpen zijn, maar waar ook de regio en de regionale arbeidsmarkt mee geholpen is. Ook hier dus weer “Samen aan de slag”.

Make it in the Netherlands

De dynamiek op de arbeidsmarkt en de snelle ontwikkeling van de technologie zorgt er nog steeds voor dat de behoefte blijft groeien aan specifieke competenties zoals op het gebied van automatisering en technologie. De ambitie van “Make it in the Netherlands” is daarmee nog steeds actueel. De SER heeft een advies met die titel uitgebracht in 2013. Onder dezelfde titel is de regering een programma gestart waarvoor EP-Nuffic de coördinatie heeft gedaan. Een mooi staaltje samen aan de slag.

De afgelopen jaren zijn er met “Make it in the Netherlands” mooie successen geboekt zoals in het seminar van 28 januari werd gepresenteerd. Het belang van de centrale coördinatie van EP-Nuffic voor het bereiken van die successen is groot. Veel van die successen zijn gerealiseerd door de samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en overheid. Maar die samenwerking is nog steeds niet vanzelfsprekend. Tijdens het seminar werd dan ook geconstateerd dat er weliswaar veel bereikt is, maar dat er nog veel ambities over zijn.
Veel van de ambities raken aan de samenwerking van onderwijs met andere partijen zoals het bedrijfsleven. De volgende stappen voor “Make it in the Netherlands” worden gezocht in de regio. In de regio is de samenwerking tussen de verschillende partijen immers hechter en zijn er meer mogelijkheden om het eigen belang te vervullen, want laten we daar geen doekjes om winden, dat eigen belang is natuurlijk een belangrijke drijfveer voor samenwerking.

In het SER advies op de strategische agenda hoger onderwijs en ten behoeve van het platform Onderwijs2032 heeft de Raad de noodzaak tot regionale samenwerking ook benadrukt. Ontwikkelingen in de wereld en op de arbeidsmarkt zouden op goede wijze in het onderwijs moeten worden opgenomen. De enige manier om te realiseren is door de versterking van de samenwerking tussen onderwijs en de omgeving. Niet alleen als stage of werkbezoeken, maar door inhoudelijk samen te werken. Dat moet niet beperkt blijven tot internationalisering, maar over de volle breedte van het onderwijs. Dus van de basisscholen tot de universiteiten, voor het algemeen onderwijs én het beroepsonderwijs.

Dat vind de SER niet alleen, dat vindt de onderwijsraad ook. De Europese (en Nederlandse) ambitie dat iedereen twee vreemde talen beheerst op voldoende niveau acht de onderwijsraad ambitieus maar te realiseren als we daar in het primair onderwijs mee beginnen en ook in het beroepsonderwijs mee doorgaan.
De onderwijsraad vraagt ook aandacht voor de kwaliteit van het Engels in het hoger onderwijs en de borging van de Nederlandse examens aan internationale standaarden. Ook dat zijn belangrijke doelstellingen van “Make it in the Netherlands”.
De enige manier waarop we die doelstellingen kunnen bereiken is door samen te werken. Dit jaarcongres is daarvoor ook weer een belangrijke stap. Het motto van vandaag, “Samen aan de slag”, is daarom o zo goed gekozen.

Ik wens ons een heel productief en inspirerend congres.

 

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Arbeidsmarkt. Onderweg naar het werk.