Nationale Denktank 'beroepsonderwijs'

Inleiding van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij Summerschool Nationale Denktank ‘beroepsonderwijs’.

18 augustus 2016
Het gesproken woord geldt.

 

Dames en heren, jongens en meisjes,

Ik vind het mooi om jullie, de DenkTank van 2016, in de voorbereiding toe te spreken. Het verheugt mij dat de DenkTank zich dit jaar op het beroepsonderwijs richt.
Ik heb daarvoor verschillende redenen:

  • Mijn eigen betrokkenheid bij het beroepsonderwijs gedurende mijn gehele loopbaan
  • Het grote maatschappelijk belang van het beroepsonderwijs, omdat het merendeel van de jongeren een vorm van beroepsonderwijs geniet (iets wat de bestuurders in Den Haag weleens over het hoofd zien)
  • De positie van het beroepsonderwijs in het werk van de SER, waar de aansluiting tussen onderwijs en opleiding van enorm belang is
  • Mijn persoonlijk actualiteit van mijn dochter die start met een HBO opleiding

In mijn loopbaan ben ik op meerdere momenten intensief betrokken geraakt bij het beroepsonderwijs. En elke keer werd ik weer aangenaam getroffen door de enorme betrokkenheid van de mensen die in en voor het beroepsonderwijs aan het werk zijn en het enthousiasme waarmee veel studenten, hun ouders en de betrokken beroepspraktijk het onderwijs beleven.

Mag ik u meenemen langs een paar van die momenten van mijn betrokkenheid bij het beroepsonderwijs?

Ik ben nu de voorzitter van de SER, de sociaal economische raad. De SER adviseert de regering en het parlement over het sociaal economisch beleid. Dat doet de SER niet alleen op wetenschappelijke basis, maar op basis van het overleg tussen werkgevers, werknemers en onafhankelijke kroonleden.
De SER adviseert bijvoorbeeld over vraagstukken als het pensioenstelsel, over de wijze waarop in verschillende levensfasen werken, zorgen, leren en recreëren naast elkaar voorkomen en hoe de samenleving daarop in zou kunnen spelen. Zo hebben we onlangs een advies uitgebracht over de gewenste toegankelijkheid van kinderopvang, nieuwe organisatie van onze pensioenen en de zorgen over beschutte werkplekken voor mensen die niet zo makkelijk mee kunnen in onze samenleving.
Maar ook specifiekere vraagstukken als de inrichting van de arbeidsmarkt in de culturele sector, of de organisatie van medezeggenschap en ondernemingsraden.

We kijken ook uitgebreid naar Leren in de Toekomst. We hebben in het kader daarvan vorig jaar een reactie gegeven op de Strategische Agenda Hoger Onderwijs van de minister van OCW.
Bij het kijken naar het Leren in de toekomst bekijkt de SER de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de wijze waarop het onderwijs daarop kan aansluiten. Ik kom daarop later in mijn verhaal nog op terug. In het nadenken over de wijze waarop onderwijs en opleiding aan kan sluiten op de arbeidsmarkt neemt het beroepsonderwijs vanzelfsprekend een heel belangrijke plaats in. Dat geldt zowel voor het hoger beroepsonderwijs, als het middelbaar beroepsonderwijs.

In mijn eerdere loopbaan heb ik ook al veel met het beroepsonderwijs te maken gehad. In de eerste plaats heb ik aan de lerarenopleiding gestudeerd. In die tijd heb ik ook de studentenvakbond van HBO en universitaire studenten, de LSVB, opgericht en was ik de eerste voorzitter. Na afronding van mijn academische opleiding ben ik aan de slag gegaan als directeur in de volwasseneneducatie. Een vorm van onderwijs wat nu is ingebed in het middelbaar beroepsonderwijs. Ook als kamerlid heb ik als onderwijs woordvoerder veel aandacht gehad voor het beroepsonderwijs.

Dynamiek op arbeidsmarkt: flexibiliteit

Het verheugt me dus om mijn visie op het beroepsonderwijs met u te kunnen delen. Ik wil daarbij vooral richten op de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt, de veranderingen die op de arbeidsmarkt plaatsvinden en de wijze waarop het beroepsonderwijs daarop kan inspelen.

Is er dan niets aan de hand op de arbeidsmarkt?

Ja wel, er is heel veel aan de hand op de arbeidsmarkt.

  • Veel dynamiek, snelle ontwikkelingen van aanstellingen en contracten
  • Mensen hebben veel verschillende banen
  • Er zijn en komen veel nieuwe banen, die nu nog niet bestaan
  • Veel nieuwe technologie die zich snel ontwikkeld.

Een paar cijfers:

  • 65% van de huidige scholieren krijgen banen die nu nog niet bestaan.
  • De 10 meest gewilde banen van 2013 in de VS bestonden in 2004 nog niet.
  • De huidige scholieren (en studenten) zullen voordat ze 38 zijn 10 tot 14 banen hebben gehad. Waar we dat vroeger beschreven zouden hebben als 12 ambachten en 13 ongelukken, is de toekomstige loopbaan dus heel divers.
  • De huidige studenten gaan technologieën gebruiken die nu nog niet bestaan voor problemen waarvan we nu nog niet weten dat het überhaupt problemen zijn.

De situatie op de arbeidsmarkt is dus in grote mate flexibel. Niet meer één baan voor het leven. Onzekerheid is de nieuwe zekerheid.
En voor die onzekerheid moeten de studenten worden voorbereid.
Ga er maar eens aan staan! Vooral met het beeld van onzekerheid of een ongewisse toekomst. Denk je eens in wat dat betekent voor het onderwijs van vandaag?

Vaardigheden en samenwerking

Hoe zou volgens mij die voorbereiding op de toekomstige arbeidsmarkt eruit moeten zien?

Taal en rekenen
Ik begin dan bij de basis: de basisvaardigheden blijven in de snel ontwikkelende arbeidsmarkt van belang. We hebben het dan in de eerste plaats over taal en rekenen.

De basisvaardigheden beginnen natuurlijk aan de basis. De SER heeft daarom ook op het belang van taal en rekenen gewezen in het advies aan het platform Onderwijs 2032. Dat is een platform wat zich bezighoudt met de aanpassing van het funderend onderwijs (basisscholen en voortgezet onderwijs) van de toekomst. Dit is ook in lijn met het rapport van jullie voorgangers, de DenkTank van vorig jaar.
Overigens, bij de SER hebben we ook gepleit voor vroege aandacht voor basisvaardigheden in de kinderopvang. Daar kan een fundament worden gelegd en eerste achterstanden worden weggewerkt.
Taal en rekenen blijven belangrijk. Maar dat zijn niet de enige basisvaardigheden in 2016.

Engels (Duits en Frans)
We hebben een tamelijk internationale arbeidsmarkt. Op heel veel werkvloeren lopen meerdere nationaliteiten rond. Of het nou de bouw is, de horeca, de detailhandel of de gezondheidszorg, er zijn altijd wel meer nationaliteiten in de buurt.
Ook zijn er in veel werkzaamheden contacten met andere landen. In Europa, maar ook daarbuiten. Je komt er dus niet alleen met Nederlands. Ook ervaring met andere talen is van belang. Dat zal veelal Engels zijn en, in delen van Nederland, Duits of Frans.

Communicatie
Taal als basisvaardigheid is ook communiceren. Onlangs hadden we bij de SER een dialoogsessie over de ontwikkelingen in de zorg. Daar zijn op dit moment spannende dingen gaande van aan de ene kant verdergaande specialismen en aan de andere kant integralere zorgverleners. Wat in ieder geval heel duidelijk wordt, is dat alle zorgverleners goed moeten kunnen samenwerken, kunnen overleggen, taken kunnen verdelen, weten wat elkaars verantwoordelijkheden zijn en afspraken kunnen maken. Deze samenwerkingsafspraken horen ook bij de basisvaardigheden en worden wel geschaard onder de 21ste eeuwse vaardigheden, net als digitale vaardigheden en creativiteit en problemen oplossen bijvoorbeeld. Ik wil hier niet in gaan op wat nu wel en niet precies 21ste eeuwse vaardigheden zijn, maar wel ik een lans breken voor een kritische blik op de vaardigheden die we onze jongeren aanleren. Het wordt daarbij steeds belangrijker om te kijken of en hoe de leerlingen die vaardigheden kunnen gaan gebruiken en welke vaardigheden in de toekomst absoluut nodig zijn.

Hoe weten leerkrachten of schoolleiders of stagebegeleiders nu of ze de studenten juist voorbereiden? En ook hoe en of ze al die vaardigheden kunnen leren? Hoe zorg je ervoor dat de inhoud van wat je de studenten leert aansluit bij de toekomst, bij de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt en in de beroepspraktijk?
Daar zien we maar één manier voor, en dat is ervoor zorg dragen dat je als beroepsonderwijs een hechte relatie hebt met de beroepspraktijk. Dat de docenten weten wat er in de praktijk gebeurt. In de SER pleiten we ervoor dat het onderwijs intensief samenwerkt met de maatschappelijke partners, maar ook andersom: maatschappelijke partners die de samenwerking zoeken met het onderwijs. Onder maatschappelijke partners scharen we alle relevante partijen in de omgeving van de onderwijsinstellingen. Denk dan aan bedrijven, lokale overheden, zorginstellingen, dienstverlenende en buurt- en wijkorganisaties, verenigingen etc.
Ook maatschappelijke partners hebben een verantwoordelijkheid voor de adequate opleiding van de grootste groep jongeren en het grootste deel van de toekomstige arbeidsmarkt. De SER heeft het hoger onderwijs geadviseerd om de maatschappelijke partners, het bedrijfsleven en het afnemend veld, intensief te betrekken bij de inhoud en de organisatie van het onderwijs. Dit gaat verder dan alleen een stageplaats of een werkbezoek. Dit betekent inhoudelijke afstemming, een gezamenlijke toekomst strategie en een intensief inhoudelijk contact, ook over wat de inhoud van het onderwijs zou moeten zijn. Dit vraagt van beide kanten van de samenwerking, zowel onderwijsinstellingen als maatschappelijke partners, een open instelling.

Leven lang leren: informeel leren

Studenten moeten op de snelle ontwikkelingen van de arbeidsmarkt en van de technologie worden voorbereid door hun flexibiliteit mee te geven.

Hoe bereid je studenten voor en geef je hen flexibiliteit mee?
De flexibiliteit vraagt dat mensen zich aan kunnen passen aan nieuwe omgevingen, nieuwe banen, nieuwe collega’s en nieuwe technologieën. Om dat te kunnen doen moet iedereen dus het hele leven blijven leren.

Daarvoor is het nú belangrijk dat studenten ‘leren leren’. Dat studenten weten hoe ze zich straks voor een nieuwe situatie kunnen voorbereiden. Er moet een leercultuur worden opgebouwd: leven lang leren, of leven lang ontwikkelen, of permanente educatie, of hoe je het ook wil noemen.
Leren is net zo vanzelfsprekend als eten.
Leren houdt niet op na het behalen van een diploma. Ook niet voor mbo of hbo gediplomeerden.

Van oudsher het beeld dat studenten in het beroepsonderwijs niet zo graag willen leren.
Maar is dit wel zo? En is dat altijd zo?

We zijn bij SER heel actief op het thema leven lang leren. Doorleren nadat je een diploma hebt gehaald.
Wat blijkt? Deelname aan formeel leren, aan opleidingen op onderwijsinstellingen, aan cursussen in een leslokaal, aan leren uit boeken, aan leren voor een diploma, aan dat formele leren doen niet zo heel veel mensen mee.
Maar er is ook nog een andere manier van leren. Dat wordt informeel leren genoemd. Informeel leren gebeurt op de werkvloer. Informeel leren doe je werkender weg. Zowel in het werk van collega’s of bij een nieuwe machine of een nieuw softwarepakket maar ook bij de sportvereniging of op andere plaatsen in je vrije tijd. Informeel leren gebeurt heel veel in Nederland.
Meer dan 96% van de ondervraagde werkenden geven aan dat ze de afgelopen periode tijdens hun werk hebben geleerd.

Ik geloof in de intrinsieke nieuwsgierigheid van mensen. De nieuwsgierigheid is de basis van al het leren, van alle ontwikkeling, van zuigeling tot de ouderdom, nieuwsgierig van de wieg tot het graf en dus leren gedurende het hele leven.
Het aanleggen van een leercultuur is dus meer het aanwakkeren of het in stand houden van de aangeboren nieuwsgierigheid, dan dat we alle studenten in “stuudjes” moeten veranderen.
Juist met de verschillende manieren van leren. En door de erkenning van vaardigheden die mensen in hun werk, of op een andere plek, als sportvrijwilliger hebben opgedaan. Leren gebeurt niet alleen op school. Leren gebeurt overal.
Op dit moment zijn we bij de SER ook bezig om te bekijken hoe al die werkenderweg geleerde vaardigheden omgezet kunnen worden in een diploma of hoe de toekenning van ervaringscertificaten verloopt en hoe daar in de formele baan gebruik van gemaakt kan worden.

Vernieuwing beroepsonderwijs

Ik heb het tot dusver over het beroepsonderwijs in de brede zin gehad. Er is in sommige opzichten wel verschil tussen het MBO en HBO.

Mag ik in het kader van de vernieuwingen een onderscheid maken en even inzoomen op een ontwikkeling in het middelbaar beroepsonderwijs?

Een belangrijke ontwikkeling in de afnemende aansluiting tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt voor de BBL, de beroepsbegeleidende leerweg. Jullie hebben dat vast al uitgelegd gekregen, de opleiding waarbij iemand feitelijk werknemer is en vier dagen in de praktijk aan het werk is, en daar ook leert, het informele leren, en daarnaast één dag per week naar school gaat.
Afgelopen jaren is het aantal BBL-leerlingen afgenomen. De andere mbo-variant, de BOL neemt toe. Het aantal leerlingen wat vier dagen naar school gaat en één dag stage loopt wordt groter.
En dat is eigenlijk wel gek. Want in vergelijking met de BOL-leerlingen:

  • BBL-leerlingen zijn doorgaans beter voorbereid op de arbeidsmarkt
  • BBL-leerlingen krijgen eerder een baan en houden die ook langer
  • BBL-leerlingen verdienen meestal een hoger salaris
  • BBL-leerlingen zijn meer tevreden over hun opleiding (en werkcombinatie)
  • Werkgevers zijn meer tevreden over BBL-leerlingen.

En toch neemt het aantal leerlingen af.

We weten niet hoe dit komt. We zijn op dit moment bij de SER aan het uitzoeken waar deze ontwikkeling vandaan komt en hoe de sociale partners, de werkgevers en werknemers van Nederland, hier misschien iets aan kunnen doen.

Want ik geloof heilig in de waarde van het beroepsonderwijs en dan vooral in de variant dat er intensief wordt samengewerkt tussen beroepspraktijk en opleiding. Dat leren en werken eigenlijk samen op gaat in duaal leren. Leren en werken wat aansluit bij de praktijk en bij de mogelijkheden en ambities van de studenten en de regio.

Een belangrijke meerwaarde van het duaal leren is ook de aansprekendheid van dergelijke invullingen van onderwijs. Dat is ook enorm belangrijk voor het doorgaan met leren nadat je een diploma hebt gehaald.

Bij de belangrijkste argumenten van werkenden om niet deel te nemen aan opleidingen, horen de negatieve ervaringen in de initiële opleiding. Onderzoekers die werkenden vragen waarom ze niet deelnemen aan (na)scholing krijgen vaak een stortvloed aan frustraties te horen die zijn opgedaan in de jonge schoolloopbaan. Saaie vakken, moeilijke examens, veel hoofdwerk en weinig met je handen doen, veel binnen zitten, etc.
Tijdens mijn intensieve contacten met mensen die in het beroepsonderwijs werken, heb ik gezien hoe hard er wordt gewerkt om de studenten juist een positieve ervaring mee te geven. En dat valt lang niet altijd mee. Ook al door de kaders en voorschriften die aan het beroepsonderwijs worden opgelegd. Het is ook niet makkelijk om 24 jongeren met elkaar in een lokaal zetten en daar dingen te laten doen die ze niet vanzelf interessant vinden.
De leerlingen, ook die op het beroepsonderwijs, werden in het systeem, in een keurslijf gedwongen van een paar spannende beroepsvoorbereidende vakken, maar ook nog een heel aantal algemeen vormende vakken. Vakken waar de meeste leerlingen die met hun handen willen werken niet zoveel affiniteit mee hebben.

Het is daarom zo belangrijk dat leren uitdagend is en goed aansluit bij de praktijk.
Ik neem aan dat jullie op deze problematiek ook zullen ingaan in jullie onderzoek?

Polarisering

Er is nog een andere trend in de arbeidsmarkt die ook gevolgen heeft voor het beroepsonderwijs: de polarisering van de arbeidsmarkt. Technologische ontwikkelen zorgen dat er werk blijft voor hoger opgeleiden en lager opgeleiden (denk aan schoonmakers en grondwerkers).
De werkzaamheden van een grote groep medewerkers met een middelbare opleiding kunnen eerder worden geautomatiseerd. Dit heeft ernstige gevolgen voor de werkgelegenheid van die groep. Dit leidt waarschijnlijk tot daling van de vraag naar middenbanen. Er hoeft niet altijd sprake te zijn van directe automatisering van de werkzaamheden. Een automonteur leest de computer van een problemen gevende auto uit en vervangt de complete module van de motor die de storing veroorzaakt. “Plug and play”. Waar die monteur vroeger een paar uur aan het sleutelen was, is het nu binnen 20 minuten geregeld, inclusief het opmaken van de rekening.
Het is de vraag wat er met de grote middengroep gaat gebeuren. Gaan we ze hoger opleiden omdat de behoefte aan hoger opgeleiden wel blijft groeien? Lukt dat ook altijd? Of gaat de middengroep de groep lager opgeleide mensen verdringen? Daar kijken we nu bij de SER goed naar in het project Robotisering en bij het advies over het MBO. De behoefte aan hoger opgeleide mensen op de arbeidsmarkt groeit ook nog steeds door en de verwachting is dat dat ook nog wel even door zal gaan. De leerlingen op het beroepsonderwijs zitten wat dat betreft in een gevoelig gedeelte van de bevolking en daar zullen we dus zorg voor moeten dragen.

Afsluiting

Er staat de hele samenleving heel wat te wachten, ik denk dat ik dat in mijn verhaal wel heb kunnen schetsen. Voor het beroepsonderwijs komt daar nog meer bij.
Met de dynamiek van de arbeidsmarkt, de nodige flexibiliteit van de beroepsbevolking, de nieuwe vaardigheden, de maatwerk behoefte van scholing en de noodzakelijke aansluiting van onderwijs en praktijk sluiten helemaal aan bij de veranderingen die het beroepsonderwijs doormaakt.
Jullie gaan ermee aan de slag om te adviseren hoe het beroepsonderwijs daarop kan worden voorbereid. Het zal duidelijk zijn waarom ik enorm blij ben met jullie ambitie voor deze belangrijke onderwijssector.
Jullie wacht een moeilijke, uitdagende taak, maar ook een taak die voor de studenten van groot belang kan zijn. De toekomstige studenten zullen jullie dankbaar zijn als jullie een bijdrage kunnen leveren aan de voortdurende ontwikkeling van het beroepsonderwijs.

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Scholing en ontwikkeling.