Sluitende infrastructuur noodzakelijk bij grote afstand tot de arbeidsmarkt (Cedris-lezing 2016)

Cedris-lezing door SER-voorzitter Mariëtte Hamer.

3 maart 2016
De onderstaande tekst bevat de bouwstenen voor de toespraak van Mariëtte Hamer en is daarom niet bedoeld om letterlijk uit te citeren.

 

Inleiding

Dank voor de uitnodiging.

Vorig jaar (11 juni) gaf ik bij een congres van Cedris en Social Enterprise een toelichting op het SER-advies over sociale ondernemingen. In het advies is de SER ingegaan op dit relatief nieuwe fenomeen.

Een belangrijke waarneming was dat een deel van de sociale ondernemingen zich inzet voor mensen met een arbeidsbeperking. Zij zien het verhogen van de arbeidsparticipatie van deze groep mensen als een belangrijk doel van hun organisatie. Het gaat soms ook mensen die vóór 2015 in aanmerking kwamen voor beschut werk.

Daarnaast stelden we in het advies vast dat sociale ondernemingen onderdeel zijn van een continuüm: met aan de ene kant ‘reguliere’, commerciële bedrijven en aan de andere kant non-profitorganisaties en burgerinitiatieven. Daartussen bevinden zich sociale ondernemingen. En je zou kunnen zeggen dat SW-bedrijven en voorzieningen voor beschut werk zich ook op dit continuüm bevinden.

Vandaag zal ik opnieuw ingaan op dit continuüm, maar dit keer vanuit het perspectief van mensen met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt, mensen met ernstige arbeidsbeperkingen. Waar kunnen zij aan de slag? Wat is hun vangnet?

Voor sommigen ligt een plek bij een reguliere werkgever voor de hand, voor anderen is eerder beschut werk geschikt en voor weer anderen kan een sociale onderneming uitkomst bieden.

De SER richt zich van oudsher met name op stelsel en systeemvraagstukken rondom sociale zekerheid en voorzieningen. Hoe zorgen we voor economische groei en genoeg werkgelegenheid, en bevorderen we dat iedereen economische zelfstandigheid kan realiseren? Daar hoort ook bij, wat zijn de terugvalopties voor het geval mensen hun werk verliezen, gehandicapt raken? En wat voor aanbod bieden we mensen die wel kunnen werken, maar door beperkingen niet bij reguliere werkgevers aan de slag kunnen, of waarvoor werkgevers niet gevraagd kan worden alle risico’s te dragen. Het gaat ons om een inclusieve arbeidsmarkt en wat daarvoor nodig is.

Ik ga in mijn bijdrage in op:

  • De recente veranderingen in de sociale werkvoorziening en de mogelijke gevolgen voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 
  • Het belang van een goed werkende en sluitende infrastructuur voor deze doelgroep, alsmede voor werkgevers die met deze mensen willen werken.
  • Opkomende goede initiatieven, waaronder van sociale ondernemingen.

 

Recente veranderingen in sociale werkvoorziening

Sociaal Akkoord en Participatiewet
Eerst wil ik stilstaan bij de veranderingen op het terrein van de sociale werkvoorziening.

De Participatiewet is nu ruim een jaar van kracht. Er is een lange geschiedenis aan vooraf gegaan, waaronder het afsluiten van het Sociaal Akkoord in 2013. In het akkoord zijn diverse, langjarige afspraken gemaakt om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen, waaronder de Banenafspraak.

Doel van de Participatiewet is onder meer om zoveel mogelijk mensen aan de onderkant van de arbeidsmark in reguliere arbeid aan het werk te helpen. En de mogelijkheden te benutten om de problemen rondom participatie (mee doen dus) zo dicht mogelijk bij de burger te organiseren. Er is veel voor te zeggen dat mensen uiteindelijk duurzamer aan het werk komen als er ook oplossingen komen voor allerlei belemmeringen om überhaupt aan het werk te gaan (denk aan schulden, verslaving, gezinsproblematiek, etc.)

Onderdeel van de Participatie wet is dat de sociale werkvoorziening in 2015 ‘op slot’ is gegaan. Dit gaat gepaard met bezuinigingen en de afbouw van beschut werk naar ca. 30.000 structurele plekken op de langere termijn.

Een van de gevolgen dat het merendeel van de mensen die voorheen een plek vond in de SW-bedrijven, een plek zal moeten vinden bij ‘gewone’ werkgevers.

Alleen als een plek bij een reguliere werkgever echt niet mogelijk is, kan iemand met een arbeidsbeperking in een voorziening beschut werk aan de slag. Het is aan gemeenten om invulling aan die voorziening te geven.

Dit laatste past in de bredere ontwikkeling van decentralisatie, waarbij de integrale verantwoordelijkheid voor participatie en de daarbij horende voorzieningen bij gemeenten is komen te liggen.

Lange historie
Het is belangrijk te beseffen dat Nederland een lange historie heeft met de opbouw van de sociale werkvoorziening en sociale werkbedrijven. Deze zijn opgekomen na de Tweede Wereldoorlog. Geleidelijk is het accent gelegd op vooral dienstverlenende activiteiten. Ook zijn ze zich, door aanpassing van de voorwaarden, vooral gaan richten op het bieden van werk aan mensen met grote arbeidsbeperkingen.

Tegelijk zagen we dat SW-bedrijven het afgelopen decennium een steeds gevarieerder en passender werkaanbod konden realiseren voor de doelgroep en zelfs andere doelgroepen (mensen in de bijstand bijvoorbeeld). Dit heeft geresulteerd in een sector waarin ongeveer 100.000 mensen een plek hebben en waarmee reguliere werkgevers graag samenwerken. De SW heeft zich kortom tot een waardevolle voorziening ontwikkeld.

Naar de sociale werkvoorziening nieuwe stijl
Gezien deze rijke historie én gezien de veranderingen die op dit moment gaande zijn, zou je kunnen zeggen: we zijn op weg naar de sociale werkvoorziening nieuwe stijl. Daarbij wil ik twee zorgpunten met u delen, maar ook aangeven waar kansen liggen.

Zorg #1: Mogelijkheid beschut werk voor zeer kwetsbare groep

Er is een groep mensen met een arbeidsbeperking die zich in een zeer kwetsbare positie op de arbeidsmarkt bevindt. Voor hen is werken vrijwel alleen mogelijk binnen een aangepaste werkomgeving en met intensieve begeleiding. Het is voor werkgevers te veel gevraagd om deze mensen in dienst te nemen.

Dat betekent niet dat zij geen nuttig werk kunnen doen. Ze kunnen bijvoorbeeld meer aan dan in de dagbesteding wordt geboden.

Preciezer gezegd: het gaat om mensen die tot circa 40 procent van het minimumloon kunnen verdienen.

Deze mensen moet een wenkend perspectief worden geboden. Zij moeten kunnen meedoen in de samenleving, met een inkomen dat recht doet aan hun inspanningen.

Beschut werk (en detacherings mogelijkheden) in het gedrang

Een beschutte werkplek is voor deze mensen een goede – en misschien wel de enige – optie. Daar is de ondersteuning en aandacht aanwezig die zij verdienen en de werkomgeving is er stabiel genoeg.

Er zijn overigens ook mensen die kunnen doorgroeien vanuit een beschutte plek naar een meer reguliere werkplek. Beschut werk hoeft geen statische situatie meer te zijn, het is goed dat gekeken wordt of mensen in een passende plek misschien meer loonwaarde kunnen realiseren.

Daarnaast is detachering vanuit een SW-bedrijf een beproefde methode om deze mensen bij reguliere werkgevers te laten meedraaien. Dat is een gewaardeerde samenwerkingsvorm voor werkgevers, zonder dat het vangnet voor het individu verdwijnt en zonder dat de werkgever zware verplichtingen moet aangaan.

Zorgelijk is daarom dat de voorziening beschut werk onder druk lijkt te staan.

Uit een recente rapportage van de Inspectie SZW blijkt dat niet alle gemeenten ervoor kiezen om een voorziening beschut werk in te richten. Wel een groot deel gelukkig, maar niet allemaal.

Tegelijkertijd blijft het beoogde aantal (nieuwe) beschutte werkplekken sterk achter bij de verwachting. De afgesproken 30.000 plekken zijn nog lang niet in zicht.

Ik maak me daar zorgen om, wat gebeurt er met deze mensen? Zeker ook in de gemeenten zonder voorziening?

Zorg #2: Benutting infrastructuur en expertise

Een ander punt van zorg is dat de infrastructuur en expertise onderbenut lijken te worden.

Ik beschreef al even de ontwikkeling die de sector van SW-bedrijven in de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. Daardoor is kennis en ervaring opgebouwd die nodig is om een kwetsbare doelgroep aan het werk te krijgen en werkgevers goed te ondersteunen.

Cedris heeft een lijstje gemaakt van onontbeerlijke faciliteiten, waaronder:

  • Een adviesfunctie voor werkgevers en hen helpen bij de aanpassing van werkprocessen.
  • Het bieden van goede matching en begeleiding door de inzet van job coaches en banenmakelaars.
  • Het ontwikkelen van werknemersvaardigheden en startklaar maken van mensen.
  • Inspelen en samenwerken met lokale en regionale werkgeversnetwerken.
  • Detacheringsfaciliteiten
  • Voorziening beschut werk

Ook in de toekomst blijft het nodig om deze faciliteiten te bieden, zeker in een integrale vorm op regionaal niveau. Versnippering is niet efficiënt. Het is een logisch samenhangend geheel van faciliteiten.

 

Integrale faciliteiten blijven nodig

Een dekkende infrastructuur lijkt helaas nog niet verzekerd. Ik heb al een kijkje mogen nemen in een recente monitor van Cedris, en daaruit blijkt dat 1 op de 4 SW-bedrijven aangeeft dat de kennis en infrastructuur van het voormalige SW-bedrijf onvoldoende wordt gebruikt bij de uitvoering van de Participatiewet. Met publieke middelen opgebouwde kennis van matchen, begeleiden en detacheren, dreigt zo verloren te gaan.

Dit is een zorgelijke uitkomst. We willen niet het kind met het badwater weggooien. Het zou daarom goed zijn om nog eens na te gaan hoe de bestaande infrastructuur beter benut kan worden en vast te stellen of er ‘gaten’ in de regionale infrastructuur ontstaan en hoe deze kunnen worden ‘gedicht’.

Het gaat er overigens niet per se om dat al deze faciliteiten in één hand zijn, en bewezen kwaliteit moet ook een rol spelen bij de afweging welke partijen de noodzakelijke infrastructuur kunnen bieden.

Het is goed als consequent wordt toegewerkt naar uitstekende dienstverlening.

Het is daarbij wel goed om ons te realiseren dat de kennis en expertise van de SW bedrijven met publieke middelen is opgebouwd en dat we moeten waken voor kapitaalvernietiging.

Goede initiatieven

Is het dan alleen maar kommer en kwel? Zeker niet! Ik zie ook tal van goede initiatieven voorbij komen.

Ik zie gemeenten op zoek gaan naar nieuwe samenwerkingspartners en proberen werk voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt anders, en integraler, te organiseren.

Om een paar voorbeelden te noemen:

  • Een fusie van de sociale dienst van de gemeente met een SW-bedrijf (vorming van een gemeentelijk WERKbedrijf).
  • Samenwerking tussen een SW-bedrijf en het zorgnetwerk (AWBZ, jeugdzorg etc.).
  • Uitbesteding van SW-taken.
  • Samenwerking en opschaling van gemeentelijke sociale diensten.

Ook de plannen die zijn ontwikkeld voor het sectorplan SW dat gericht is op de transformatie van de SW, vind ik bemoedigend. Interessant zijn de ideeën om te komen tot regionale detacheringsfaciliteiten, gezamenlijke werkgeversdiensten en een sluitende aanpak met het speciaal onderwijs. Ik heb de hoop dat dit kan bijdragen aan het verder borgen van de infrastructuur.

Allemaal interessante ontwikkelingen die een uiting zijn van een branche in transitie en er hopelijk aan gaan bijdragen dat we uiteindelijk effectiever en efficiënter zowel mensen met aan afstand tot de arbeidsmarkt, als werkgevers kunnen bedienen.

Kans: sociale ondernemingen

Tot slot wil ik graag inzoomen op één specifieke ontwikkeling. Ik noemde het al even in mijn inleiding: de opkomst van sociale ondernemingen en sociaal ondernemerschap.

Sociaal ondernemerschap is aan het groeien, zo blijkt uit een onderzoek van Social Enterprise.nl. Sinds 2013 is de omzet van sociale ondernemingen met 24 procent gegroeid en de werkgelegenheid zelfs met 36 procent. Van alle sociale ondernemingen houdt ongeveer een derde zich bezig met het verhogen van arbeidsparticipatie van kwetsbare groepen.

Ook SW-bedrijven zien de potentie van sociale ondernemingen. Sommige SW-bedrijven zijn zich aan het verzelfstandigen tot een sociale onderneming. Andere gaan een samenwerking met sociale ondernemingen aan. Uit de nieuwste kwartaalmonitor van Cedris blijkt bijvoorbeeld dat al de helft van de SW-bedrijven met sociale ondernemingen samenwerkt.

Eerder SER-advies

In het advies Sociale ondernemingen uit 2015 heeft de SER de kansen van sociale ondernemingen genoemd. Zo ziet de SER mogelijkheden in intensievere samenwerking tussen particuliere initiatieven en de overheid, omdat zij vaak dezelfde maatschappelijke doelen nastreven.

Iets soortgelijks kan gelden voor sociale ondernemingen en SW-bedrijven. Het kan bijzonder interessant zijn om de expertise over beschut werk van SW-bedrijven te combineren met de ondernemingszin van sociale ondernemingen.

Nadere advisering nodig

Wel is hier een kanttekening op zijn plaats. Niet alle startende sociale ondernemingen kunnen het werk bieden dat mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt ook daadwerkelijk kunnen uitvoeren. Bovendien missen de ondernemingen nog de ervaring met beschut werk en kunnen ze niet altijd de stabiliteit en ondersteuning bieden die mensen nodig hebben.

Er zijn diverse vragen: Wanneer komen mensen met een arbeidsbeperking in aanmerking voor een baan bij een sociale onderneming? Wat gebeurt als het dienstverband bij de sociale onderneming niet wordt voortgezet, of als betrokkene terugvalt in arbeidsproductiviteit?

Kortom: Hoe zijn deze bedrijven ingebed in het bredere continuüm van arbeidsmogelijkheden voor arbeidsbeperkten, en waartoe ook de SW-bedrijven en voorzieningen beschut werk behoren?

Welke infrastructuur is nodig om de schakels in het continuüm goed te laten werken en hoe kan daarbinnen zo goed mogelijk worden samengewerkt tussen de verschillende partijen ?

Ook is het belangrijk na te gaan wat de rol van de overheid hierbij kan zijn.

Het belang van de doelgroep moet daarbij wat mij betreft voorop staan, namelijk wat zij nodig hebben in verschillende fasen van hun loopbaan en ontwikkeling, om ook hun talent zo goed mogelijk te benutten.

Het Kabinet heeft aangekondigd de SER om advies te vragen over de rol van sociale ondernemingen bij het vinden van werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Ik kan me voorstellen dat deze vragen hierin aan de orde komen.

Afrondend

Ik rond af.

De SER hecht er veel waarde aan dat er een structureel en compleet vangnet wordt geboden voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Dat is wenselijk vanuit het perspectief van de mensen waarvoor we dit doen, en voor werkgevers die bereid zijn deze groepen een plek te bieden.

Beschut werk en detacherings mogelijkheden zijn onontbeerlijke onderdelen van een regionale infrastructuur voor de onderkant van de arbeidsmarkt.

De expertise en ervaring van de SW bedrijven is door het bedrijfsleven gewaardeerd en verdient het om behouden te blijven. Wel moet blijvend worden gewerkt aan verbetering van dienstverlening en aan een hernieuwde infrastructuur.

Door samenwerking met bijvoorbeeld sociale ondernemingen kunnen nieuwe vormen ontstaan, het zou goed zijn als we nagaan hoe eventuele knelpunten kunnen worden weggenomen, en hoe we een en ander kunnen stimuleren.

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Arbeidsmarkt. Onderweg naar het werk.