‘Het hoger onderwijs moet studenten voorbereiden op een leven lang leren’

Toespraak SER-voorzitter Mariëtte Hamer

14 januari 2015
Het gesproken woord geldt.

 

Introductie

  • Goedemiddag dames en heren, ik voel mij vereerd en dankbaar dat ik hier vandaag een paar woorden tot u mag richten bij de aanvang van dit nieuwe jaar, 2015.
  • Zoals velen van u wel weten, neemt het hbo een speciale plaats in mijn hart en in mijn leven in. Gedurende mijn hele loopbaan ben ik vanuit allerlei rollen betrokken bij het hbo. Je zou wel kunnen stellen dat het hbo een scharnierpunt in mijn loopbaan is.
  • Vandaag mag ik tot u spreken vanuit mijn nieuwste rol, als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, met in portefeuille - onder veel meer – ook het (hoger) onderwijs.
  • Graag neem ik u de komende vijftien à twintig minuten mee in een korte, sociaal-economisch getinte schets van de wereld van morgen, om daarna in te gaan op de onzekerheden en uitdagingen die dat met zich brengt voor u - en ons allemaal - vandaag.

Wereld van morgen

  • We leven in een veelbewogen tijd, waarin op vele fronten ontwikkelingen gaande zijn met grote implicaties voor de manier waarop wij leven en werken. Ik concentreer me hier op die ontwikkelingen die voor het hoger onderwijs het meest van belang zijn.

  • Onder invloed van met name technologische ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de – sinds de indringende toespraak van minister Asscher in september- veelbesproken robotisering, zullen zich naar verwachting forse verschuivingen gaan voordoen in de vraag naar arbeid. Men spreekt wel over een “zandlopermodel” om aan te duiden dat op de toekomstige arbeidsmarkt banen aan de boven- en onderkant zullen toenemen, terwijl banen in het middensegment verdwijnen door arbeidsbesparende technologische toepassingen.

  • De inhoud van veel beroepen is door deze technologische ontwikkelingen aan veranderingen onderhevig. Functies verdwijnen, maar daar staat tegenover dat er ook vele nieuwe functies zullen ontstaan. Ook zullen bestaande functies van inhoud veranderen. Dat is op zich niet nieuw natuurlijk.

  • Wat wel echt anders is dan voorheen is de snelheid van ontwikkelingen die exponentieel toeneemt. De hoeveelheid technische informatie verdubbelt momenteel ongeveer elke twee jaar. Voor studenten in een vierjarige opleiding betekent dit dat de helft van wat ze in hun eerste jaar hebben geleerd in het derde jaar van hun studie al verouderd is. In het onderwijs bereiden we kinderen voor op banen die nog niet bestaan, die technologie zullen gebruiken die nog niet is uitgevonden, om problemen op te lossen die we nu nog niet kennen ..… (Bron: Shift happens/Do you know? Een Youtube initiatief van een aantal leraren op een high school in Colorado om de snelheid van de ontwikkelingen duidelijk te maken).

  • Op de arbeidsmarkt voelen we naast de snelle technologische ontwikkelingen ook de gevolgen van de toenemende globalisering en internationalisering. De grotere verwevenheid van economieën maakt zeker een land als Nederland met zijn open economie kwetsbaar. De gevolgen van de financiële en economische crises zijn we nog steeds niet te boven, al lijken er gelukkig wel voorzichtige tekenen te zijn van enig herstel. Wij staan voor de complexe opgave de Nederlandse economie innovatiever, duurzamer en concurrentiebestendig te maken. 


Juist in tijden van economische tegenwind is van het allergrootste belang onze ambitie om tot de mondiale top 5 van kenniseconomieën te behoren niet te laten verslappen of verwateren. Het kabinet heeft die ambitie al weer enige jaren geleden onderschreven, daartoe opgeroepen door de Tweede Kamer die een motie daartoe – (Bron: motie-Hamer TK 2009-2010 32123-10) – had aangenomen. De strekking van de motie was dat onderwijs, kennis en innovatie belangrijke bronnen van duurzame economische groei zijn en dat we daarom investeringen in onderwijs en wetenschap internationaal in de pas moeten laten lopen om die sterke kenniseconomie te kunnen realiseren. In reactie op de economische crisis reageerden diverse landen met extra investeringen in onderwijs, terwijl het (toenmalige) kabinet dreigde te bezuinigen. Om een sterke economie en een mondiale toppositie te realiseren is en blijft investeren in onderwijs en wetenschap absolute noodzaak. Daarnaast geeft investeren in onderwijs het vertrouwen dat er wordt geïnvesteerd in de toekomst van kinderen. Ouders zijn eigenlijk nu voor het eerst bang dat hun kinderen het niet beter krijgen dan zijzelf en daarom is het zo belangrijk dat er op elk niveau passend onderwijs is.

  • Tot slot van deze summiere opsomming van ontwikkelingen die ik van groot belang acht voor onze toekomst, stip ik graag nog een geleidelijk zichtbaar wordende verandering in onze samenleving aan, namelijk de ontwikkeling naar samenleven 3.0. Volgens Hans van Driel van de universiteit van Tilburg ontwikkelt gemeenschapsvorming zich langs nieuwe wegen, waarbij co-creatie centraal staat. Het onderscheid tussen institutie en individu vervaagt, omdat individuen zelf drager worden van instituties. Op allerlei vlakken ontstaan initiatieven van onderop. Co-creatie betekent dat meerdere mensen of organisaties samen werken om iets nieuws te ontwikkelen. Het is een vorm van organiseren èn van innoveren, met als basis dat het delen van kennis leidt tot vermenigvuldiging. De complexe wereld van de 21e eeuw vraagt immers om oplossingen die gesloten organisaties niet kunnen bieden.

Onzekerheden en risico’s vandaag

  • Deze ontwikkelingen brengen onzekerheden en risico’s met zich mee. Voor de samenleving, voor de economie, voor de arbeidsmarkt, voor u en voor mij.
  • Werkenden krijgen meer en meer te maken met een zeer dynamische arbeidsmarkt, waarin kennis en vaardigheden snel verouderen. Vaste banen worden schaarser, flexibele arbeidsrelaties en zzp-schap nemen nog steeds toe. Om op die arbeidsmarkt van de toekomst staande te blijven, zullen werkenden veel moeten investeren in zichzelf en bereid zijn om zich voortdurend te blijven ontwikkelen. Dat is vanuit het gezichtspunt van het individu van belang, maar zeker ook voor de samenleving als geheel. Met de WRR (in zijn rapport Lerende economie), onderstreep ik dan ook de noodzaak van het investeren in en versterken van ons menselijk kapitaal, ten behoeve van onze welvaart en duurzame economische ontwikkeling.
  • Steeds meer wordt duidelijk dat opleidingsniveau nieuwe sociale scheidslijnen met zich brengt. Het SCP constateert – bron: Verschil in Nederland, 12 december 2014 – dat de afstand in arbeidspositie tussen hoger opgeleiden enerzijds en lager en middelbaar opgeleiden anderzijds groter werd de afgelopen twintig jaar. In die periode steeg het verschil in beroepsniveau niet, maar dat in uurloon en doorgroeimogelijkheden wel. Onder hoger opgeleiden is het aantal tijdelijke en flexibele contracten minder hard gegroeid en nam het risico op werkloosheid minder hard toe dan bij de middelbaar en lager opgeleiden. Het opleidingsniveau werkt ook door op andere terreinen dan de arbeidsmarkt: er zijn aanzienlijke en hardnekkige verschillen in gezondheid en in levensverwachting tussen lager en hoger opgeleiden. De toenemende verschillen in de positie van hoog en laag opgeleiden zijn ondermijnend voor de sociale cohesie in onze samenleving. De technologische ontwikkelingen kunnen de dreigende tweedeling tussen hoog- en laagopgeleiden verscherpen én vergroten.
  • Maatschappelijk gezien maak ik me ook zorgen over de spanningen die lijken toe te nemen tussen bevolkingsgroepen, in ons land, uiteraard, maar ook in de wereld. Als ik zeg “Parijs” dan weet u – helaas - onmiddellijk waarover ik het heb. Dichterbij huis kampen we ook in ons land met een complex integratievraagstuk, wat zeer gevoelig ligt en ons allemaal raakt. En juist daarom moeten we er iets mee, ook in het onderwijs. Kennis kan de sleutel zijn tot begrip en verdraagzaamheid. Maar dat alleen is niet voldoende. 


Neem de huidige arbeidsmarktpositie van jongeren met een niet-westerse migranten achtergrond: 28 procent van hen is werkloos, tegenover 10 procent onder autochtone jongeren (bron: SCP Jaarrapport Integratie 2013). Anderhalf jaar na het behalen van een hbo-diploma is 15 procent van de niet-westerse migrantenjongeren werkloos, bij de autochtone jongeren is dat 6 procent. In het mbo is het nog erger: na anderhalf jaar is 19 procent van de niet-westerse migrantenjongeren werkloos, tegenover 5 procent van de autochtone Nederlanders. De hoge jeugdwerkloosheid, in het bijzonder onder niet-westerse migranten jongeren, moeten wij ons allemaal aantrekken en we moeten er samen – werkgevers, sociale partners, onderwijs, overheid en andere betrokkenen - de schouders onder zetten om deze trieste situatie te verbeteren. Als voorzitter van de SER wil ik dit onderwerp hoog op de agenda zetten.

Uitdagingen voor het hoger beroepsonderwijs

  • Het geschetste toekomstperspectief biedt de nodige uitdagingen, niet in de laatste plaats aan u als opleiders van een fors en belangrijk deel van onze toekomstige beroepsbevolking. Het is aan u allen om de jonge mensen die nog hun plek in deze wereld moeten vinden, zo goed mogelijk toe te rusten voor die dynamische arbeidsmarkt en zinvolle participatie aan onze samenleving. Een verantwoordelijke, maar ook dankbare en inspirerende taak. Het stimuleren van en uitdagen tot talentontwikkeling, het bijbrengen van kennis en vaardigheden en het aanmoedigen tot zelfstandig denken stoelen op een onwrikbaar geloof in de kracht en de wijsheid van de mens. Dat onderliggende optimisme en geloof in de toekomst – dat zo kenmerkend is voor onderwijsprofessionals - helpen om de uitdagingen met vertrouwen tegemoet te treden. Ik schets hier vier uitdagingen, overigens in willekeurige volgorde.

  • Allereerst liggen er volgens mij nog legio kansen in het onderwijs voor een betere benutting van technologie in het onderwijs. Zo biedt digitalisering van onderwijs grote mogelijkheden om onderwijs efficiënter, meer flexibel en meer op maat van het individu in te zetten.

  • In de tweede plaats zal de behoefte aan hoger opgeleiden naar alle waarschijnlijkheid alleen maar toenemen door de hogere kennisintensiteit van veel beroepen waarvoor het hbo (en wo) opleidt. Het hbo zal steeds meer te maken krijgen met instroom van volwassenen die al enige tijd werken en zich willen opscholen (van mbo naar hbo of een associate degree) of bij- of omscholen. Zoals de commissie Rinnooy-Kan het afgelopen jaar voortreffelijk heeft laten zien (bron: adviesrapport Flexibel hoger onderwijs voor volwassenen, maart 2014), zal het hbo op deze doelgroepen toegesneden flexibel, laagdrempelig en toegankelijk onderwijs moeten ontwikkelen. Ook zijn investeringen nodig in de verdere ontwikkeling en toepassing van instrumenten voor de erkenning van al verworven kennis en vaardigheden.

  • Ten derde, naast de veranderingen in de populatie, zal het hbo in toenemende mate kampen met de onvoorspelbaarheid van de toekomstige vraag op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd neemt de druk om arbeidsmarkt relevant op te leiden enorm toe. Dit is een van de meest complexe en spannendste ontwikkelingen in het hoger onderwijs. In zekere zin wordt van u gevraagd op te leiden voor een arbeidsmarkt en een beroepspraktijk waarvan u eigenlijk nog maar weinig kan weten. Deze frictie is niet van voorbijgaande aard en vraagt om andere antwoorden. Ik geef hier twee suggesties:
    • Studenten zullen nog veel meer dan nu moeten worden voorbereid op een arbeidzaam leven waarin onzekerheden de overhand hebben en waarin zij zichzelf voortdurend zullen moeten blijven ontwikkelen. Dat vereist van het hbo een grote nadruk op een brede ontwikkeling van jongeren, zodat zij leren omgaan met de grote dynamiek in hun vakgebied en leren zich voortdurend te ontwikkelen. Het “leren leren” is van cruciaal belang voor iemands permanente ontwikkeling tijdens de loopbaan. Daarnaast zijn ook andere vaardigheden belangrijk: samenwerken, creatief zijn, sociale en communicatieve vaardigheden en persoonlijke ontwikkeling. Het CPB heeft onlangs een interessante policy brief uitgebracht over het belang van persoonlijke ontwikkeling voor de sociaal-economische uitkomsten, zoals de kans op een baan. (Bron: CPB Policy Brief 2014/08 | 3 12 2014). Op basis van interventieprogramma’s, die kinderen op achterstand proberen te laten aansluiten, blijkt dat werken aan persoonlijke ontwikkeling grote opbrengsten heeft, terwijl cognitieve vaardigheden nauwelijks lijken te verbeteren. Alle reden dus om de betekenis van werken aan persoonlijke ontwikkeling in het onderwijs nader te onderzoeken. 
    • Een tweede suggestie is dat een structurele vorm van samenwerking en afstemming nodig is tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven, gekoppeld aan sectoren of werkvelden en dichtbij de omgeving / regio waarin de instelling is gevestigd. De ontwikkeling van de Centres of Expertise in het hbo - en Centra voor innovatief vakmanschap in het mbo - biedt goede kansen om die noodzakelijke afstemming en samenwerking te realiseren. Deze Centres zijn publiek-private samenwerkingsverbanden tussen onderwijs en bedrijfsleven en hebben drie functies: het verhogen van de onderwijskwaliteit en de instroom in het initiële onderwijs, het leveren van een directe bijdrage aan het innovatievermogen van bedrijven en het vergroten van de mobiliteit en flexibiliteit van zittend personeel bij bedrijven. Het rapport Dynamiek onderweg van het Platform Bèta Techniek laat zien dat al ruim 1300 bedrijven samenwerken met hbo- en mbo-centra. Nederland en het hbo hebben hier “goud in handen”, om Siemens topman Ab van der Touw te citeren (bron: scienceguide.nl). Dat lijkt mij een mooi compliment en aanmoediging voor u allen om de Centres of Expertise voortvarend tot verdere ontwikkeling te brengen. 

     

Tot slot sta ik graag nog even stil bij een vierde uitdaging, om studenten van nu en morgen – en overigens niet alleen in het hbo maar ook in het mbo en wo - soepel en efficiënt door hun initiële onderwijsfase te loodsen en een goede voorbereiding op de arbeidsmarkt mee te geven. Daar valt nu nog wel wat op af te dingen, voor wie niet helemaal in het ideale plaatje past – en wie doet dat? - . Te veel jongeren krijgen te maken met een onderwijstraject dat niet is toegesneden op hun behoeften en dat hen niet helpt zich een duidelijk toekomstbeeld te vormen. Als gevolg daarvan wordt er veel gestapeld, is er veel uitval / switch van studie en reparatie achteraf als iemand al op de arbeidsmarkt is beland. Dit kan ten dele worden ondervangen door betere overgangen tussen verschillende schooltypen, waarbij samenwerken opnieuw het toverwoord is. 

Maar daarnaast geloof ik dat we kansen laten liggen in een goede begeleiding en ondersteuning van jongeren bij hun oriëntatie op (vervolg)studie en loopbaan. Daarvoor is nodig dat zij leren wie zij zelf zijn, wat zijn hun sterke en minder sterke punten, waar lopen ze warm voor. Daarnaast is belangrijk dat zij zich een beeld kunnen gaan vormen van de arbeidsmarkt en de enorme variëteit aan werk dat verricht kan worden. Wie van u kon zich rond uw 20ste levensjaar een adequate voorstelling maken van het werk dat u nu doet? En dan is de wereld van werk en beroepen ook nog eens in complexiteit toegenomen en zal dat nog veel meer gaan doen onder invloed van de snelle technologische ontwikkelingen. Om daarin je weg te vinden zullen studenten goede ondersteuning vanuit de onderwijsinstelling hard nodig hebben. Ook bedrijven zullen de drempel tussen hen en de onderwijsinstellingen moeten verlagen om de beroepsbevolking van de toekomst te helpen hun weg te zoeken.

Afrondend

  • Ik nodig u uit om samen aan deze ambities te werken. Bij de SER hebben we een werkwijze die hierbij behulpzaam kan zijn. We noemen deze werkwijze de drie K’s: Kennis ophalen, Kansen creëren en Knelpunten oplossen. Haal de nodige kennis op die bij u aanwezig is, benoem de kansen en los de knelpunten op ten behoeve van de collectiviteit van de kinderen. 
  • Ik kom aan het einde van mijn voordracht en hef zo meteen graag het glas met u op een inspirerend en uitdagend 2015. Hopelijk heb ik u laten zien dat ik het hbo hoog heb zitten en een warm hart toedraag. Het hbo is niet alleen in mijn leven een scharnierpunt, maar ook in onze samenleving en in het leven van vele studenten, alumni en medewerkers van hogescholen. Deze belangrijke rol is u toevertrouwd en ik wens u een heel goed jaar! 


Dank voor uw aandacht!

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Scholing en ontwikkeling.