Vakmanschap is meesterschap

Mariëtte Hamer gaf op 25 april 2015 bij MBO-onderwijsinstellingen een speech over kenniseconomie. Ze gaat hierbij onder andere in op de uitdagingen van het mbo.

29 april 2015
Het gesproken woord geldt.

 

Goedemorgen dames en heren,

Allereerst mijn hartelijke dank voor de uitnodiging om hier vandaag met u in gesprek te mogen gaan over een onderwerp dat mij na aan het hart ligt.

Wie zoals ik veel in Den Haag vertoeft, hoort om de haverklap mooie woorden over de waarde van de kenniseconomie voor onze welvaart. Mooie woorden, maar ook belangwekkende woorden. We willen graag dat onze economie zich kan meten aan die van de besten ter wereld, zoals bijvoorbeeld Japan, of de Verenigde Staten. En we maken ons zorgen dat we straks de concurrentie niet meer aankunnen met opkomende economieën zoals India of Brazilië.

Niet voor niks heb ik mij vanuit mijn vorige rol als Kamerlid onder meer via de motie Hamer ingezet om Nederland tot de top 5 van beste kenniseconomieën ter wereld te laten behoren. De strekking van de motie was dat onderwijs, kennis en innovatie belangrijke bronnen van duurzame economische groei zijn en dat we daarom investeringen in onderwijs en wetenschap internationaal in de pas moeten laten lopen om die sterke kenniseconomie te kunnen realiseren. Waar andere landen onder invloed van de crisis juist extra gingen investeren in onderwijs, dreigde Nederland het tegenovergestelde te gaan doen.

Dat woord, kenniseconomie, zet ons eigenlijk een beetje op het verkeerde been. Kennis associëren we immers maar al te makkelijk – alleen - met ons hoofd, met de wereld van de ideeën. Maar wat hebben we aan ideeën als ze geen toepassing krijgen? Lucht!! En zoals wij allen weten: van lucht alleen kun je niet leven. We danken onze welvaart dan ook in hoge mate aan al die mensen die met hart en ziel hun vak beoefenen. Van loodgieter tot CAD tekenaar, van etaleur tot hovenier. Veel van wat we om ons heen zien is door mensenhanden gemaakt.

Zonder vakmanschap geen kenniseconomie! Het beroepsonderwijs timmert aan de weg om deze boodschap te laten doordringen. In Den Haag, maar ook bij jongeren en hun ouders. Wie een vak beheerst, kan trots zijn op zichzelf. Maar helaas is die trots nog lang niet altijd vanzelfsprekend voor jongeren in het beroepsonderwijs en ook niet voor de vakmensen op de arbeidsmarkt.
Dat is iets wat wij ons allemaal zeer aan moeten trekken. Nog steeds slagen we er niet in om als samenleving even veel respect en waardering op te brengen voor mensen die goed zijn met hun handen als voor mensen die een knappe kop hebben. Alsof het één zonder het ander zou kunnen?!

Wat mij betreft zie ik hier – helaas nog steeds - een dijk van een uitdaging liggen. Ik kom daar later op terug!

Voor ik wil ingaan op enkele uitdagingen voor het MBO bezien vanuit het sociaal-economisch perspectief van de SER, leg ik u eerst een paar ontwikkelingen voor die – grote - implicaties hebben voor de arbeidsmarkt en het onderwijs.

Praktijkleren onder druk?

Dat wat beroepsonderwijs zo bijzonder maakt, is juist die grote aandacht voor het leren-door-te-doen, ofwel het praktijkleren. Of het nou via een stage is of via een leerwerkplaats, het MBO heeft met het praktijkleren goud in handen.

Dat neemt niet weg dat er zeker reden is om met elkaar te reflecteren op de vraag: doen we nog wel het goede? Gaan onze leerlingen zich straks redden op de arbeidsmarkt? Krijgen ze hier de juiste bagage mee om zich te kunnen blijven ontwikkelen op de dynamische arbeidsmarkt van de toekomst? En in een samenleving die steeds veeleisender is ten aanzien van de basisvaardigheden die nodig zijn om mee te kunnen doen in de breedste zin van het woord?

De SER voert op dit moment een Verkenning leren in de toekomst uit. Daarin staan dat soort vragen centraal, en dan in levensloopperspectief, ofwel leren in alle levensfasen. We zien dat op de arbeidsmarkt allerlei verschuivingen optreden. Ik loop er een paar met u langs:

  • De toenemende internationalisering en globalisering leiden tot de opkomst van nieuwe economieën en grotere concurrentie tussen landen. Onze welvaart komt daarmee onder druk te staan en economische groei is geen vanzelfsprekendheid meer. Al vele jaren merken we dat ook echt.
  • Het zijn met name technologische ontwikkelingen, – waaronder Asscher’s veelbesproken robotisering – die naar verwachting tot forse verschuivingen zullen leiden in de vraag naar arbeid. Men spreekt wel over een “zandlopermodel” om aan te duiden dat op de toekomstige arbeidsmarkt banen aan de boven- en onderkant zullen toenemen, terwijl banen die voor een groot deel uit routineus werk bestaan – vaak in het middensegment -verdwijnen door arbeidsbesparende technologische toepassingen.
  • Ook de inhoud van veel beroepen is door deze technologische ontwikkelingen aan veranderingen onderhevig. Functies verdwijnen, maar daar staat tegenover dat er ook vele nieuwe functies zullen ontstaan. Lastig is dat we nu vaak nog niet weten welke nieuwe functies dat zijn. Ook zullen bestaande functies van inhoud veranderen. Dat is op zich niet nieuw natuurlijk.
  • Wat wel echt anders is dan voorheen is de snelheid van ontwikkelingen die exponentieel toeneemt. De hoeveelheid technische informatie verdubbelt momenteel ongeveer elke twee jaar. Kennis is daarmee sneller dan ooit al weer verouderd, en dat proces gaat alsmaar door. Ik hoor wel eens: “In het onderwijs bereiden we kinderen voor op banen die nog niet bestaan, die technologie zullen gebruiken die nog niet is uitgevonden, om problemen op te lossen die we nu nog niet kennen”. Natuurlijk past daar een gezonde relativering bij: het geldt niet voor alle kennis, het geldt niet voor alle beroepen, het geldt niet altijd, maar toch ….
  • Studenten van nu krijgen dus meer en meer te maken met een zeer dynamische arbeidsmarkt, waarin kennis en vaardigheden snel verouderen. Vaste banen worden schaarser, flexibele arbeidsrelaties en zzp-schap nemen toe. Om op die arbeidsmarkt van de toekomst staande te blijven, zullen zij veel moeten investeren in zichzelf en zullen zij bereid moeten zijn om zich voortdurend te blijven ontwikkelen. Het vermogen om jezelf te blijven ontwikkelen is misschien wel de belangrijkste “skill” van de toekomst.

De opgave waar we voor staan is niet eenvoudig, ik zie legio uitdagingen, kansen en risico’s. Ik ga zo in op een paar van die uitdagingen. Gelukkig is de uitgangspositie van ons onderwijs helemaal niet slecht en ik zie de toekomst dan ook over het algemeen positief tegemoet.

Maar de schrik slaat me om het hart als ik me voorstel hoe die toekomst er uit ziet voor de kwetsbaren onder ons. Het vermogen om je te blijven ontwikkelen is niet eerlijk verdeeld over ons mensen. Het vermogen om je zo te ontwikkelen dat je jezelf kunt onderhouden is niet eerlijk verdeeld over ons mensen. En het vermogen om mee te doen in onze samenleving is al evenmin eerlijk verdeeld over ons mensen. Ik maak me grote zorgen over wat wel eens de tweedeling in de maatschappij wordt genoemd. De ontwikkelingen waarover ik het net had, zullen deze kwetsbare mensen keihard gaan raken en het is aan ons allemaal om daarop een menswaardig antwoord te geven. Ik hoop dat we daarover ook in gesprek komen met elkaar, niet persé vandaag, maar dan toch wel zeer binnenkort, hier, bij de SER, bij uw instellingen, in de politiek, de gemeenten, het bedrijfsleven…..

Uitdagingen voor het MBO

De toenemende onvoorspelbaarheid van de toekomstige vraag op de arbeidsmarkt is niet van voorbijgaande aard en vraagt om andere antwoorden. Ik noem een paar uitdagingen voor de discussie van vanochtend.

Allereerst werp ik de vraag op: wat moeten MBO studenten van nu leren om zich staande te houden op die dynamische arbeidsmarkt van morgen? Staatssecretaris Sander Dekker is een curriculum discussie gestart in het po en vo. Tijd om in het mbo ook die vraag te stellen?!

Ik geef hier twee suggesties:

  • Studenten zullen veel meer dan nu moeten worden voorbereid op een arbeidzaam leven waarin onzekerheden de overhand hebben en waarin zij zichzelf voortdurend zullen moeten blijven ontwikkelen. Dat vereist – behalve vakinhoudelijke kennis en kunde - een grote nadruk op een brede ontwikkeling van jongeren en veel aandacht voor het “leren leren”. Vaardigheden die juist in het praktijkleren geoefend kunnen worden zijn daarvoor belangrijk: samenwerken, creatief zijn, sociale en communicatieve vaardigheden en persoonlijke ontwikkeling. Het CPB liet recent n.a.v. OESO onderzoek zien dat werken aan persoonlijke ontwikkeling veel meer bijdraagt aan iemands (latere) functioneren op de arbeidsmarkt dan lange tijd is gedacht, en dat het bovendien veel beter “trainbaar” is dan we dachten.

  • Een tweede suggestie is dat een structurele vorm van samenwerking en afstemming tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven helpt om tot arbeidsmarktrelevante opleidingen te komen die responsief kunnen reageren op veranderingen in het werkveld. Die samenwerking kan zijn gekoppeld aan sectoren of werkvelden en dichtbij de omgeving / regio waarin de instelling is gevestigd. De ontwikkeling van de Centra voor innovatief vakmanschap biedt goede kansen om die noodzakelijke afstemming en samenwerking te realiseren. Ook de ontwikkeling van de keuzedelen in de kwalificatiestructuur biedt kansen om flexibeler in te spelen op nieuwe ontwikkelingen in het werkveld.

  • Een tweede uitdaging die ik hier graag in discussie breng is de vraag hoe het MBO zal gaan inspelen op de toenemende vraag van werkenden naar bij- op- en omscholing? Het praktijkleren is ook in dit opzicht goud in de handen van de instellingen, maar aan flexibiliteit en maatwerk valt nog een wereld te winnen. Korte lijnen met de relevante bedrijven helpen ook hier om tot slimme oplossingen te komen om zowel werkenden als studenten te leren omgaan met de nieuwste machines of programmatuur. Een mooi voorbeeld is de Duurzaamheidsfabriek in Dordrecht, waar studenten en medewerkers van bedrijven gezamenlijk zich de nieuwste 3D printtechnieken eigen kunnen maken.

  • Ten derde sta ik graag nog even stil bij de uitdaging om de talenten van studenten aan te spreken en tot ontwikkeling te brengen en een goede voorbereiding op de arbeidsmarkt mee te geven. Te veel jongeren krijgen te maken met een onderwijstraject dat niet is toegesneden op hun behoeften, dat hen niet helpt zich een duidelijk toekomstbeeld te vormen. Keuzen moeten vaak te vroeg en te ongefundeerd worden gemaakt. Als gevolg daarvan wordt er veel gestapeld, is er veel uitval / switch van studie en reparatie achteraf als iemand al op de arbeidsmarkt is beland. Dit kan ten dele worden ondervangen door betere overgangen tussen verschillende schooltypen, waarbij samenwerken opnieuw het toverwoord is.

Maar daarnaast geloof ik dat we kansen laten liggen in een goede begeleiding en ondersteuning van jongeren bij hun oriëntatie op (vervolg)studie en loopbaan. Daarvoor is nodig dat zij leren wie zij zelf zijn, wat zijn hun sterke en minder sterke punten, waar lopen ze warm voor. Daarnaast is belangrijk dat zij zich een beeld kunnen gaan vormen van de arbeidsmarkt en de enorme variëteit aan werk dat verricht kan worden. Bij de SER werken we nu aan een Signalering over studiekeuze en loopbaanoriëntatie van jongeren met een niet-westers allochtone achtergrond. Voor hen is – onder meer door het ontbreken van een relevant netwerk – de keuze voor studie en beroep vaak nog moeilijker dan voor autochtone jongeren. Dit is één van de factoren waardoor de jeugdwerkloosheid onder allochtone jongeren zo hoog ligt.

Tot slot wil ik graag nog een lans breken voor het doorbreken van de onderwaardering voor doe-onderwijs. Vergroting van de waardering van vakmanschap begint bij het zichtbaarder maken ervan in de samenleving, want ‘onbekend maakt onbemind’. Dat kan natuurlijk op allerlei manieren, ik stip er hier een paar aan:

  • In het advies Handmade in Holland (2013) pleit de SER voor invoering van een capaciteitentoets naast of als onderdeel van het CITO-toetsingssysteem. Zo’n toets meet dan naast cognitieve vaardigheden ook praktische talenten. Scholen kunnen zo ‘talent’ voor praktische vaardigheden herkennen en waarderen.
  • Daarnaast pleit de SER voor invoering van de meestertitel als een mogelijkheid om vakmanschap en excellentie zichtbaarder te maken. Meesters kunnen ook als ambassadeurs van beroepsonderwijs fungeren.
  • En tot slot wil ik in dit verband niet ongenoemd laten dat ik erg geloof in een initiatief uit uw eigen kring: de deelname van jongeren aan de nationale en internationale vakwedstrijden SKILLS Nederland en WORLD SKILLS. In een tijd waarin de concurrentie tussen landen groter wordt, zijn internationale ontmoetingen enorm belangrijk. Gezonde competitie is een groot goed, waar jongeren veel van kunnen leren. Maar minstens zo belangrijk is het om elkaars taal te leren verstaan. Letterlijk uiteraard, maar zeker ook figuurlijk.

Afrondend

Om van vakmanschap meesterschap te maken, vraagt bereidheid je te blijven ontwikkelen en te investeren in je zelf. Daarvoor is oefening nodig, geduld en doorzettingsvermogen. Praktijkleren biedt die gelegenheid als geen ander. Veel moge aan verandering onderhevig zijn en niets lijkt soms meer zeker, maar de waarde van praktijkleren staat buiten kijf. Voor u als onderwijsinstellingen en voor (leer)bedrijven ligt hier de lastige maar prachtige uitdaging om de jongeren van nu te helpen hun weg te vinden in het dynamische praktijkleren van de toekomst. Ik wens u daarbij veel wijsheid, inspiratie en plezier!

Dank voor uw aandacht.

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Scholing en ontwikkeling.