Trends en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt

Toespraak Mariëtte Hamer t.b.v. opening collegejaar 2015-2016 Hogeschool Utrecht

27 augustus 2015
Het gesproken woord geldt.

 

Dames en Heren,

Het is mij een genoegen u toe te mogen spreken bij de opening van het collegejaar 2015 -2016 wat tevens de start is van uw vierde lustrum.

Ik ben gevraagd om als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad iets te zeggen over de trends en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
Vanuit mijn jarenlange betrokkenheid bij het onderwijs, kan ik het natuurlijk niet laten om de ontwikkelingen van de arbeidsmarkt ook te vertalen naar een opdracht voor het onderwijs. Ik hoop dat ik met mijn verhaal een invulling kan geven aan menig gesprek bij de borrel van vanmiddag, maar ook van activiteiten die komend jaar nog gaan plaatsvinden.

Als geboren Amsterdammer, woonachtig in de Rijnmond en werkzaam in Den Haag, benijd ik u Utrechtenaren niet. In andere steden wordt flink gebouwd, maar Utrecht, en vooral dit stationsgebied, spant toch wel de kroon. Het is nu toch al jaren dat als je het centrum van Utrecht nadert, je in een enorme bouwput terechtkomt.

Maar, als ik dan zie hoe aangenaam Tivoli/Vredenburg daaruit is opgerezen, dan weet ik dat ik over een paar jaar jaloers op u Utrechtenaren zal zijn.

Deze dynamische omgeving inspireert mij om de abstracte ontwikkelingen van de arbeidsmarkt een beeld te geven.

We zitten hier in het prachtige gebouw Tivoli/Vredenburg, onderdeel van het stationsgebied van Utrecht. Op de website van het stationsgebied staan 37 projecten uitgelicht. 37!  Naast de vernieuwing van dit muziekcentrum wordt nog een aantal projecten genoemd die ook tot de verbeelding spreken voor mensen van buiten Utrecht:

  • de aanpassing van Utrecht Centraal
  • het vol laten lopen van de Catharijnesingel
  • en de vernieuwing van Hoog Catharijne.

Bij deze laatste, de vernieuwing van Hoog Catharijne, wil ik als niet-Utrechter toch even stilstaan. De aardigheid is dat de vernieuwing van Hoog Catharijne namelijk veel parallellen vertoont met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en het organiseren van het hoger onderwijs daarvoor. Graag neem ik een aantal beelden met u door.

Hoog Catharijne, in 1973 het grootste overdekte winkelcentrum van Europa, werd destijds geroemd vanwege het “tijdloze” ontwerp. In de informatie over de vernieuwing van Hoog Catharijne spreekt men nu van een “goed functionerend, maar gedateerd” winkelcentrum. Hoewel het complex niet meer aan de huidige standaarden voldoet, functioneert het nog steeds wel, aldus de website.

Hier is een vergelijking te maken met de huidige arbeidsmarkt. De Nederlandse arbeidsmarkt functioneert grosso modo naar behoren. In internationale vergelijkingen komen we er goed uit: hoog en relevant opgeleide medewerkers die de goede dingen (kunnen) doen. Er zijn aandachtspunten waarvoor we gericht naar oplossingen zoeken, maar in z’n geheel genomen is vraag en aanbod van de arbeidsmarkt redelijk op elkaar afgestemd.
We zijn bezorgd over de werkloosheidcijfers, maar die zijn niet zo zorgelijk als in een aantal andere Europese landen. Bovendien trekt de werkgelegenheid momenteel weer aan.

Wel is er sprake van een kwetsbare positie van jongeren op de arbeidsmarkt, maar ook daar komt de laatste maanden beweging in.
De vergrijzing van de beroepsbevolking is een ander aandachtspunt, maar daar lijken momenteel meer bewegingen gaande om de dreigende weglek van kennis en ervaring op te vangen dan dat er problemen op de arbeidsmarkt worden verwacht. Ook de mismatch, het verschil tussen arbeidsvraag en arbeidsaanbod, lijkt mee te vallen.

Maar is onze arbeidsmarkt daarmee ook klaar voor de toekomst? Als u de media volgt en de discussie over de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt, dan zal het u niet verbazen dat ik die vraag ontkennend beantwoord.

Ook het goed functionerende maar gedateerde Hoog Catharijne wordt klaar gestoomd voor de toekomst. De projectontwikkelaar weet op de website in ronkende bewoordingen te vertellen hoe Hoog Catharijne eruit gaat zien: “lichter, ruimer, transparant en met een natuurlijker aansluiting op de binnenstad”.

Wat de projectontwikkelaar niet meldt, is hoe het winkelcentrum Hoog Catharijne in 2030 zal functioneren. Gaan mensen nog naar de winkel voor de aanschaf van een product? Of wordt winkelen steeds meer een “beleving”? We weten eigenlijk niet of en hoe de mensen in de toekomst gaan winkelen én toch is de vernieuwing van Hoog Catharijne in 2012 begonnen. Dus wat is er dan nodig voor de inrichting van Hoog Catharijne? Dan komen er ook andere termen naar voren: flexibiliteit, duurzaamheid en ruimte biedend.

Laten we die woorden vasthouden en terugkeren naar de toekomst van de arbeidsmarkt. Kunnen we de toekomst van de arbeidsmarkt nu al precies duiden? Net als het onbekende winkelgedrag, is ook de ontwikkeling van de arbeidsmarkt ongewis.

Er is wel een aantal signalen die ik met u wil doornemen.

Een bekend signaal is de waarschuwing voor robotisering. In de bekende toespraak van minister Asscher over de effecten van robotisering wijst hij op technologische werkloosheid. Robots nemen repeterende werkzaamheden over of maken het een stuk efficiënter. De werkgelegenheid per artikel of per dienst wordt een stuk kleiner. Ook in 1930 werd al gewaarschuwd voor technologische werkloosheid. In de geschiedenis heeft de technologische ontwikkeling niet geleid tot vermindering van de werkgelegenheid, wel tot verandering van de werkzaamheden. De verwachtingen van de effecten van digitale technologie op de arbeidsmarkt zijn op dit moment wel groter.

Een andere signaal is de verwachte polarisering van de arbeidsmarkt: toekomstige economische ontwikkelingen blijven werk bieden aan hoger opgeleiden en lager opgeleiden. De werkzaamheden van een grote groep medewerkers met een middelbare opleiding kunnen eerder worden geautomatiseerd wat ernstige gevolgen heeft voor de werkgelegenheid van die groep. Er hoeft niet altijd sprake te zijn van directe automatisering van de werkzaamheden. Een automonteur leest de computer van een problemen gevende auto uit en vervangt de complete module van de motor die de storing veroorzaakt. Plug and play. Waar die monteur vroeger een paar uur aan het sleutelen was, is het nu binnen 20 minuten geregeld.

Met andere woorden: er is sprake van een grote dynamiek en veel veranderingen op de arbeidsmarkt. Welke kant de ontwikkelingen op gaan is nog niet duidelijk. Onzekerheid is de nieuwe zekerheid.

Op de arbeidsmarkt actief zijn vraagt flexibiliteit, kansen zien, bewegen, ontwikkelen, anticiperen, misschien een keertje een verkeerde keuze maken maar dan ook weer kunnen herstellen. Dit geldt voor alle partijen, zowel werkgevers als werknemers, maar ook van opleidingen!

Dit vraagt van de opleiding niet alleen aandacht voor cognitieve kennis en harde beroepsvaardigheden maar ook voor vaardigheden als communiceren, probleem oplossen, creativiteit, samenwerken, ICT vaardigheden, etc. Deze zogenaamde 21ste eeuwse vaardigheden zijn cruciaal voor de professional. Hoe die vaardigheden er over bijvoorbeeld tien jaar uitzien, is nog ongewis. Maar deze onzekerheid mag geen beletsel zijn om in elke opleiding te werken aan dit type vaardigheden. Wat dat betreft zitten de studenten hier goed, want de visie van de Hogeschool Utrecht sluit daar helemaal op aan.

Geen baan voor het leven en daarom ook geen opleiding die voor het hele leven volstaat. Bij de dynamiek van de arbeidsmarkt hoort ook dat opleiding en scholing wordt voortgezet na de initiële opleiding. Je bent er niet meer met één goede beroepsopleiding. Je leven lang blijven leren en ontwikkelen is een basishouding, een vanzelfsprekendheid. Leren wordt net zo vanzelfsprekend als eten.
Dat hoeft helemaal niet zo ingewikkeld te zijn. Om te leren hoef je niet altijd terug naar de schoolbanken. Juist in de dagelijkse praktijk wordt heel veel geleerd. Dat informeel leren, zoals dat leren in de praktijk heet, verdient meer erkenning van werknemers én werkgevers. Met de SER zullen daarvoor het komend jaar nadere stappen zetten.

Nog even terug naar Hoog Catharijne. Dat wordt nu vernieuwd. Met de vernieuwing probeert de projectontwikkelaar het winkelcentrum voor te bereiden op de toekomst. Dit betekent, anders dan in 1973, een flexibele invulling op een stevig fundament. Het gebouw moet ruimte bieden voor huidig winkelgedrag, maar ook voor de ontwikkeling van het winkelgedrag.

De Hogeschool Utrecht staat aan de start van een nieuw collegejaar waarin veel mensen werken aan de voorbereiding op de arbeidsmarkt.
Een voorbereiding op een arbeidsmarkt waarvan ik zojuist heb beschreven dat die in grote mate onvoorspelbaar is.

De ontwikkeling van de arbeidsmarkt vraagt van de opleiding van jonge mensen dat zij worden voorbereid op de dynamiek en de flexibiliteit. Dat ze worden voorbereid op nieuwe technologieën en nieuwe ontwikkelingen.

Maar, welke ontwikkelingen moeten we serieus nemen?
En hoe kunnen we zo snel mogelijk reageren op de relevante ontwikkelingen?
En wat zijn dan de basiselementen van de beroepscompetenties? Wat is het fundament van het beroep? Welke opleidingselementen zijn min of meer toekomstvast en welke zijn meer vluchtig?

Deze vragen zijn natuurlijk niet nieuw. De snelle ontwikkelingen op de arbeidsmarkt maakt wel de urgentie van de vragen steeds groter.
Hoe komen we op de antwoorden van deze vragen?

Ik ben ervan overtuigd dat de antwoorden niet alleen in de onderwijsinstelling worden gevonden. Mijn overtuiging is dat alleen in nauwe samenwerking met de praktijk de antwoorden kunnen worden gevonden.

Daar sta ik niet alleen in. Minister Bussemaker van Onderwijs heeft begin juli haar strategische agenda voor het hoger onderwijs gepresenteerd, “De waarde(n) van weten”. In de strategische agenda besteedt de minister een heel hoofdstuk aan de verbinding met de samenleving. Ik sluit daar graag bij aan en wil daar verder in gaan dan de minister.

Om de inhoud van de opleiding aan te laten sluiten op de arbeidsmarkt is verbinding met de samenleving nodig. Contacten met maatschappelijke partners, bedrijfsleven, regio, overheden etc. Dat de Hogeschool Utrecht daar serieus werk van maakt blijkt al tijdens deze bijeenkomst met een ruime aanwezigheid van de maatschappelijke partners van de hogeschool. Ook de ambitie van de Hogeschool Utrecht om “in co-creatie” met de praktijk samen te werken sluit daarbij aan.

Net als de Hogeschool Utrecht zijn veel hoger onderwijs instellingen heel actief om hun contacten met de samenleving in te vullen en uit te werken. Maar toch, tijdens de gespreksbijeenkomsten die we als SER organiseren voor het project Leren in de Toekomst zijn veel vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties niet tevreden met de verbinding die ze met de onderwijsinstellingen kunnen maken.

Hoe dat komt? De onderwijsinstellingen doen hun uiterste best om de verbinding te maken met de omgeving en toch blijft die omgeving ontevreden?

Als ik de oriëntatie van de verbinding met de samenleving van de strategische agenda van minister Bussemaker bekijk, dan zie ik een sterke oriëntatie van binnen naar buiten. Het uitgangspunt van de verbinding met de samenleving is de setting van de onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling die een product of dienst aanbiedt aan de omgeving. De instelling wil weliswaar aansluiten bij de behoefte in de omgeving, maar wel vanuit de eigen context, vanuit de eigen onderwijswereld.

Ik pleit er bij deze opening van collegejaar 2015-2016 voor om de maatschappelijke partners nog meer dan op dit moment al het geval is het onderwijs binnen te halen. Niet alleen als rijke leeromgeving of als stageplaats, maar ook als partner bij de organisatie en de inhoud van het onderwijs. Binnenhalen in het hart van het onderwijsproces. De maatschappelijke partners als directe belanghebbenden en vertalers van de maatschappelijke opdracht die onderwijsinstellingen hebben.

Ik zeg niet dat dat nog helemaal niet gebeurt. Maar vanuit het belang van een goede toekomstvaste opleiding roep ik de onderwijsinstellingen op om hun eigen verbinding met de omgeving kritisch te analyseren. De relatie met de maatschappelijke partners eerlijk te bezien op de wederkerigheid van die relatie. Hebben de maatschappelijke partners de positie die ze kunnen hebben? Hebben ze een positie waarbij ze optimaal betrokken zijn om de ontwikkelingen van de arbeidsmarkt te duiden en te verwerken in de opleiding? Vinden de maatschappelijke partners dat zelf ook zo?

Uiteraard, een onderwijsinstelling heeft een eigen verantwoordelijkheid. Studenten verdienen een omgeving waarin ze optimaal worden voorbereid op hun toekomst. Een ruimte om te leren moet ook ruimte bieden om fouten te maken. Het onderwijs is in die zin geen economisch productieomgeving. Maar om de studenten van nu voor te bereiden op de dynamiek en de flexibiliteit van de toekomst, moet dat ook volop in de leersituatie aanwezig zijn.

Zelfs als een opleiding niet helemaal aansluit bij de ontwikkelingen is het niveau van de opleidingen in Nederland van dien aard dat het nog steeds waardevol is. Maar een opleiding die midden in de ontwikkeling staat, maakt wel het verschil. Een opleiding die van studenten, docenten en maatschappelijke partners het beste vraagt, maar ook het beste levert. Zowel voor de studenten, als voor docenten, als voor de afnemende maatschappelijke partners is een toekomstvaste, dynamische opleiding een groot feest.

We zijn hier ook voor een ander feest. De Hogeschool Utrecht viert dit jaar het 20 jarig bestaan, van harte gefeliciteerd.
Ik hoop dat deze openingsbijeenkomst het startpunt is voor een verrijkende uitwisseling van cadeaus en traktaties. Cadeaus van de maatschappelijke partners door met hun inzet de Hogeschool nog beter in staat te stellen om de studenten voor te bereiden op hun toekomst. Traktaties van de hogeschool naar de maatschappelijke partners door hen een directe gelegenheid te bieden om de opleiding van de studenten van Utrecht aan te laten sluiten op de toekomst die ons te wachten staat.

Ik wens u een machtig collegejaar 2015-2016.

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Scholing en ontwikkeling.