Medezeggenschap en Governance

Openingstoespraak van Mariëtte Hamer bij het congres ‘Medezeggenschap en governance’, georganiseerd door de Alliantie Medezeggenschap en Governance.

9 december 2015
Het gesproken woord geldt.

 

Dames en heren aanwezigen,

Het is mij een eer en een genoegen u hier in Doorn – op dit prachtige landgoed van SBI Formaat – welkom te mogen heten, mede namens de deelnemers aan de Alliantie voor Medezeggenschap en Governance.

Wie die deelnemers zijn – een gestaag groeiende groep overigens – en wat de Alliantie is, en heeft u net al van dagvoorzitter Trude Maas gehoord.

Maar ik wil u toch even meenemen in de vraag waarom wij als SER destijds, samen met het Nationaal Register (NR), in dit project zijn gestapt en de Alliantie hebben opgericht? Met andere woorden: ‘What’s in it voor de SER’?

Om te beginnen heeft de SER op grond van de wet een mooie en belangrijke opdracht, namelijk – ik probeer het een beetje in mijn eigen woorden te zeggen, maar het blijft een mondvol – het bevorderen van de werkzaamheid van het bedrijfsleven in het algemeen belang, en het behartigen van het belang van het bedrijfsleven en de daartoe behorende personen.

De SER heeft op het terrein van de medezeggenschap een aantal specifieke taken die daar heel goed bij passen, m.n. het bevorderen van medezeggenschap en de kwaliteit daarvan. We hebben daar een aparte commissie, de Commissie Bevordering Medezeggenschap, voor in het leven geroepen. Die commissie heeft een breed takenpakket, van advisering aan de regering tot aan het maken van voorlichtingsbrochures over specifieke onderwerpen, en het bezoeken van beurzen. Daarnaast heeft de SER de Stichting SCOOR (St. Certificering Opleiding Ondernemingsraden) opgericht, om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van scholing van OR’en geborgd wordt. Ook hebben we bedrijfscommissies ingesteld die zorgen voor bemiddeling bij een geschil tussen een OR en zijn bestuurder, over de toepassing van de WOR. Allemaal belangrijk werk voor de medezeggenschap in Nederland. U kunt ook hier in de gang een stand van de SER vinden met mensen van de SER erin. Spreek ze aan en stel uw vragen, ze zijn ervoor!

Zoals ik al even aangaf kan je het bevorderen van medezeggenschap op vele manieren doen, en kent dit werk vele facetten. En onherroepelijk moet je daarbij ook nadenken over de vraag: wat is medezeggenschap nu eigenlijk? Sommigen van u zullen misschien denken: medezeggenschap = de OR. Maar dan vraag ik u: is het niet meer? De toevoeging ‘mede’ houdt toch in dat we het hebben over méér dan alleen de OR? Het gaat immers om ‘mede’zeggenschap, dus mét iets of iemand anders. En dan komt natuurlijk in de eerste plaats de bestuurder in beeld. Die heeft de ‘zeggenschap’, en die is de natuurlijke gesprekspartner van de OR. Dat is dus een heel belangrijke link: zonder zeggenschap geen medezeggenschap. En wat mij betreft geldt die uitspraak voor een goed werkende onderneming ook andersom. Ik kom daar zo op terug.

En de Raad van Commissarissen of de Raad van Toezicht dan? Die verkeert in een vergelijkbare positie als de OR. De RvC ziet toe op het beleid van de Raad van Bestuur en op de algemene gang van zaken in de onderneming. Ook zíj hebben ‘mede’zeggenschap. Ze geven adviezen aan de bestuurder en moeten daarvoor de benodigde informatie van de bestuurder ontvangen. Maar de commissarissen moeten ook zelf ervoor zorgen dat ze voldoende geïnformeerd zijn.
De taken en belangen van OR en RvC zijn dus wel enigszins vergelijkbaar. Er zijn ook verschillen natuurlijk, zoals: dat de OR-leden uit het bedrijf komen en de RvC-leden meestal van buiten; dat de OR-leden vaak geen beroepsvergaderaars zijn, en de RvC-leden vaak al een hele carrière op hoog niveau achter de rug hebben. Je zou dus kunnen zeggen, een beetje zwart-wit: de ‘werkvloer’ vs. ‘de elite’. Maar dit zijn stereotypen die misschien wel een verkláring geven voor het feit dat ze elkaar weinig tegenkomen en dat er een psychologische barrière is – de ‘missing link’, zoals de aankondiging voor dit congres het noemt – maar die niet helpen bij beantwoording en de uitwerking van de vraag of ze elkaar nodig hebben.

Wat de SER en mij persoonlijk betreft: de OR en de RvC kunnen, móeten samen optrekken. Het Nationaal Register en de andere partners van de Alliantie zagen en zien dat ook zo. Waarom?

In de uitnodiging voor vandaag staat, ik citeer: “Goede arbeidsverhoudingen en het optimaal inspelen op een sterk veranderende, zo niet disruptieve omgeving zijn belangrijke succesfactoren voor organisaties”. Voor een onderneming is de context van groot belang, in de 21e eeuw wellicht meer dan ooit. Om goed te presteren en om te overleven moet een onderneming snel kunnen reageren, een wendbare en flexibele organisatie zijn. Voor de drie raden in de bestuurlijke driehoek – RvB, RvC en OR – is dit een gezamenlijk punt. Hier raken hun belangen en invalshoeken elkaar duidelijk.

Organisaties die daar goed op zijn ingespeeld en een goed stelsel van overleg binnen de onderneming hebben ontwikkeld, hebben een voorsprong, zo blijkt uit divers – nationaal en internationaal – onderzoek: goed overleg binnen de onderneming draagt bij aan productiviteit, het verminderen van personeelsverloop en innovatie. Ook de SER is – en ik persoonlijk ben – ervan overtuigd dat goed overleg belangrijk is. Of je dat nou vanuit de sociale, of vanuit de economische invalshoek benadert: het is van belang voor zowel de mensen die er werken (die uiteindelijk toch samen de onderneming vormen) als voor de onderneming als organisatie die een goed product moet maken om voort te bestaan. En in het verlengde daarvan ook voor de Nederlandse economie en de Nederlandse samenleving, oftewel de ‘BV Nederland’.

Minister Asscher heeft kort geleden aangekondigd dat hij over die flexibiliteit van organisaties ook een adviesaanvraag gaat richten aan de SER. Het gaat over de vraag in hoeverre ontwikkelingen in de economie en op de arbeidsmarkt gevolgen hebben voor de flexibiliteit binnen arbeidsorganisaties (de zgn. interne flexibiliteit). Welke eisen stellen zulke ontwikkelingen aan organisaties? Wat zijn kansrijke vormen van flexibiliteit in werkplaats en werktijd (zoals zelfroosteren), in taken en functies (zoals functie-roulatie, mobiliteit binnen de organisatie) en in arbeidsvoorwaarden (bijv. variabel belonen)? Wat werkt wel en wat werkt niet en in hoeverre dragen deze vormen bij aan de doelen van de organisatie en van de mensen binnen die organisatie? In hoeverre heeft die flexibiliteit gevolgen voor de innovatie binnen een organisatie en voor Nederland als geheel?

Dit zijn heel belangrijke vragen die de SER gaat uitwerken, maar die ook nu al eigenlijk in elke organisatie op de agenda zouden moeten staan. En niet alleen van de RvB, maar ook van de RvC en van de OR. En nog belangrijker: die ze met elkaar moeten bespreken!

Dames en heren,

De Alliantie Medezeggenschap en Governance wil het overleg binnen de onderneming stimuleren en het belang ervan – blijven – uitdragen. Dat past dus heel goed bij de SER en de wettelijke opdracht aan de SER!
De Alliantie is ermee begonnen dit gedachtegoed onder ieders aandacht te brengen: van bestuurders, OR’en en RvC’s. En gaat daar voorlopig mee door.

Vandaag is eerste grote bijeenkomst van de Alliantie hierover. We hopen dat u met ons meedoet. Laat u vandaag overtuigen, of u nou lid bent van een RvB, een RvC of een OR, zoek elkaar op en doe met ons mee!

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Vergadering van de ondernemingsraad.