Leren is net zo vanzelfsprekend als eten

Toespraak van Mariëtte Hamer bij And what about the future, een informatie- en discussiemiddag over de Omscholingsregeling voor dansers.

18 november 2015
Het gesproken woord geldt.

 

Ik ben verheugd dat ik hier mag staan, bij de bijeenkomst ter toelichting van de nieuwe omscholingsregeling voor dansers. Niet alleen verheugd vanwege de waarde van de omscholingsregeling als instrument voor de arbeidsmarkt, een abstract doel waar ik in mijn functie veel mee bezig ben.
Ook niet alleen verheugd vanwege mijn intrinsieke betrokkenheid bij de culturele sector bij De Doelen in Rotterdam (is er nog meer?)
Ook niet verheugd vanwege de verbondenheid met mijn eigen danscarrière. Mijn glansrol als zeewier zal de danswereld vast niet ontgaan zijn omstreeks 1964. Maar toch, dat maakt niet dat het mij verheugd dat ik hier sta.

Nee, ik ben vooral verheugd omdat het hier gaat om dansers, mensen die zo intensief bezig zijn met cultuur. Mensen die zo hard werken voor een carrière, mensen die zo gepassioneerd hun werk doen, zelfs voorbij de pijngrens. Zoveel betrokkenheid, dat heeft altijd mijn grote waardering. Daarom verheugd het mij u hier te mogen toespreken.

Als sociaaldemocraat voel ik me ook betrokken bij de uitdaging van dansers die zou hard gewerkt hebben op jonge leeftijd, maar ook al op jonge leeftijd bedankt worden voor bewezen diensten. Ik hoop dat de komende 10 minuten duidelijk te maken.

In het Financiële Dagblad van 7 november 2015 stond een interview met Rachel Beaujan (hoofd artistieke staf van het Nationale Ballet). Op de voorpagina stond een citaat: “Toen ik danste, huilde ik om de dag. Het is zo’n moeilijk vak. Altijd dat focussen op jezelf.”

En toch, dames en heren, het is nóg niet genoeg. Ik heb het niet over het huilen - om de dag huilen lijkt mij ruim voldoende. Ik heb het over de focus op jezelf. Het is nog niet genoeg, veel dansers hebben nog niet genoeg focus op zichzelf. Ik kom hier dadelijk op terug.

Ik mag u iets vertellen over de ontwikkelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt en de noodzaak voor een leven lang leren. Dat mag ik doen vanuit mijn voorzitterschap van de sociaal economische raad. Een organisaties waarin de Nederlandse werkgevers en werknemers en onafhankelijke kroonleden afspraken maken op sociaal economische vraagstukken. Bijvoorbeeld afspraken over de organisatie van omscholing en bijscholing, bijvoorbeeld over de positie van ZZP’ers op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld over de regeling van pensioenen.

Wat is er aan de hand op de Nederlandse arbeidsmarkt?

Als we kijken naar de huidige arbeidsmarkt dan komen er termen naar voren als flexibiliteit, duurzame inzetbaarheid en dynamiek. De situatie is dat de huidige ontwikkelingen in de techniek, in de markt en in de sociale verhoudingen zo snel gaan dat we de toekomst van de arbeidsmarkt niet precies kunnen duiden.

Wat nieuw is, is dat we verwachten dat dat voorlopig ook niet meer zal gaan lukken, we zullen de toekomst van de arbeidsmarkt niet meer zo strak kunnen plannen als aan het einde van de vorige eeuw. De arbeidsmarkt blijft dynamisch en volatiel in de toekomst. Onzekerheid is de nieuwe zekerheid.

Is deze onzekerheid het enige wat ik u kan mee geven?


Nee, gelukkig niet. Er zijn wel een aantal trends aan te geven voor de toekomst die iets van duidelijkheid geven in de onzekerheid.

Een trend waarvan grote gevolgen worden verwacht is de trend van robotisering en automatisering. In de bekende toespraak van minister Asscher in 2014 over de effecten van robotisering waarschuwt hij voor technologische werkloosheid. Robots nemen de mensen het werk uit handen. Robots nemen repeterende werkzaamheden over of maken die werkzaamheden een stuk efficiënter. De werkgelegenheid per artikel of per dienst is nu al een stuk kleiner dan 10 jaar geleden.

Sommige mensen zijn daar niet zo van onder de indruk. Immers, ook in 1930 werd al gewaarschuwd voor technologische werkloosheid. In de geschiedenis heeft de technologische ontwikkeling niet geleid tot vermindering van de werkgelegenheid. Wel hebben technologische ontwikkelingen geleid tot verandering van de werkzaamheden. Wat ons nu te wachten staat is nog geen uitgemaakte zaak. De verwachting van de meeste experts is eigenlijk wel dat de effecten van de digitale technologie op de arbeidsmarkt groter zullen zijn dan eerdere ontwikkelingen. Maar ja, dat zal bij de komst van de stoommachine ook niet veel anders zijn geweest.

Een andere trend is de polarisering van de arbeidsmarkt: technologische ontwikkelen zorgen dat er werk blijft voor hoger opgeleiden en lager opgeleiden.

De werkzaamheden van een grote groep medewerkers met een middelbare opleiding kunnen eerder worden geautomatiseerd wat ernstige gevolgen heeft voor de werkgelegenheid van die groep. Er hoeft niet altijd sprake te zijn van directe automatisering van de werkzaamheden. Een automonteur leest de computer van een problemen gevende auto uit en vervangt de complete module van de motor die de storing veroorzaakt. Plug and play. Waar die monteur vroeger een paar uur aan het sleutelen was, is het nu binnen 20 minuten geregeld. Het is de vraag wat de grote middengroep gaat doen. Gaan we ze hoger opleiden omdat de behoefte aan hoger opgeleiden wel blijft groeien? Lukt dat ook altijd? Of gaat de middengroep de groep lager opgeleide mensen verdringen? We weten het niet, maar we zijn er bij de SER wel alert op.

Een trend waar de cultuursector heel vertrouwd mee is, is de flexibiliteit van de arbeidscontracten. Steeds meer ZZP’ers of tijdelijke contracten.

Niet alleen werkgevers zijn hier blij mee. Door veel jonge mensen wordt de flexibiliteit ook gewaardeerd. Dat past ook in de dynamische instelling van het levenspad. Het wordt nu nog ingewikkeld als de nieuwe systemen in botsing komen met oude verwachtingen. Bijvoorbeeld als er een hypotheek nodig is of andere leningen of verzekeringen geregeld moeten worden. Vanwege de grote groei van de flexibiliteit van de arbeidscontracten zal daar komende jaren veel gaan gebeuren, is onze verwachting. Zowel werkgevers als werknemers willen hier in samenwerken.

Er zijn ook nog andere trends in rapporten die de toekomst in statistische cijfers presenteren: bijvoorbeeld:

  • 65% van de scholieren van nu krijgen banen die nu nog niet bestaan.
  • de 10 meest gewilde banen van 2013 in de VS bestonden in 2004 nog niet.
  • de huidige leerlingen en studenten zullen voordat ze 38 zijn 10 tot 14 banen hebben gehad.
  • de huidige studenten gaan technologieën gebruiken die nu nog niet bestaan voor problemen waarvan we nu nog niet weten dat het überhaupt problemen zijn.

Met andere woorden: er is sprake van een grote dynamiek en veel veranderingen op de arbeidsmarkt. Welke kant de ontwikkelingen op gaan is nog niet duidelijk. Wederom: onzekerheid is de nieuwe zekerheid.

Er zijn ook dingen die wel duidelijk zijn. Eén daarvan is de veranderende vraag naar vaardigheden. Door de snelle ontwikkelingen van de technologie zijn gedetailleerde vakvaardigheden verouderd voordat een student ze in praktijk kan brengen. In de huidige dynamische arbeidsmarkt gaat het niet alleen om cognitieve vaardigheden of om kennis uit een boek. De dynamiek op de arbeidsmarkt stelt eisen aan vaardigheden als communiceren, probleem oplossen, creativiteit, samenwerken, ICT vaardigheden, etc.. Deze zogenaamde 21ste eeuwse vaardigheden zijn cruciaal voor de professional.

Niet alleen voor dansers geldt dus dat een baan voor het leven er niet in zit. De ontwikkeling van de arbeidsmarkt is dat we steeds meer afscheid nemen van het idee van een baan voor het leven. Dat betekent ook dat een opleiding vóór een carrière niet meer volstaat voor het hele leven. Bij de dynamiek van de arbeidsmarkt hoort ook dat opleiding en scholing wordt voortgezet na de initiële opleiding. Je bent er niet meer met één goede opleiding. Je leven lang blijven leren en ontwikkelen is een basishouding, een vanzelfsprekendheid. Leren is net zo vanzelfsprekend als eten.

En hier kom ik terug op de eerdere constatering dat dansers nóg niet genoeg zijn gefocust op zichzelf. Er gaat uiteraard heel veel aandacht van de danser naar de topprestaties tijdens de danscarrière. In de danswereld is goed niet gauw goed genoeg.

Maar ik wil het belang voor het tijdig nadenken over het leven na de danscarrière hier sterk bepleiten. Wacht niet tot dat de carrière helemaal afgelopen is voordat je gaat nadenken over wat je daarna wilt gaan doen. De huidige dynamiek op de arbeidsmarkt vraagt van de werknemers, niet alleen van dansers, dat je blijft nadenken over je toekomst. De dynamiek vraagt ook van de werkgevers dat ze de werknemers daarin ondersteunen en faciliteren.

In die zin hebben dansers het misschien wel makkelijk dat zij in ieder geval zeker weten dat na hun 35ste de actieve danscarrière er wel op zit. En toch, alle gebruikers van de omscholingsregeling dans benadrukken dat ze er eigenlijk nog eerder aan hadden moeten beginnen. Of dat ze blij zijn dat ze door omstandigheden gedwongen werden om er vroeg over na te denken.

In de SER werken we eraan dat werkgevers en werknemers samen een verantwoordelijkheid nemen voor een leercultuur op de werkvloer. Niet alleen leren voor klussen of taken van vandaag of morgen, maar ook leren voor de verdere toekomst. En ook leren omdat het leuk is om te leren. De aangeboren nieuwsgierigheid prikkelen en daar gebruik van maken.

Ik ben niet genoeg op de hoogte van de arbeidsverhoudingen in de danswereld, maar ik zou me kunnen voorstellen dat deze leercultuur ook hier nog wel enige aandacht vraagt? In de paneldiscussie na de pauze komt dat vast uitvoerig aan bod.

Nascholing, omscholing of bijscholing hoeft helemaal niet altijd ingewikkeld te zijn. Het betekent lang niet altijd dat je om te leren weer helemaal terug moet naar de schoolbanken. Juist in de dagelijkse praktijk wordt heel veel geleerd. Van dat informeel leren, kan meer gebruik worden gemaakt, of kan meer gewaardeerd worden, dan we momenteel doen. Door werknemers én werkgevers. In de getuigenissen van dansers die gebruik hebben gemaakt van de omscholingsregeling blijkt dat in de tweede carrière heel vaak een lijn uit de danscarrière wordt voortgezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om gevoel voor beeld of kennis over het menselijk lichaam.

Vanuit de SER gaan we komende periode aan de slag om het informeel leren beter te benutten.

Er is nog een reden waarom de dansers een voordeel kunnen hebben ten opzichte van veel andere sectoren. Ik heb het woord flexibiliteit minstens 5 keer gebruikt en dynamiek minstens 8 keer. Twee eigenschappen die dansers in de meest letterlijke zin belichamen.

Ik denk serieus dat dansers vanwege hun fysieke instelling van flexibiliteit en dynamiek én vanwege hun doorzettingsvermogen een geweldige basis hebben voor een geweldige tweede carrière. Als ik Paul Bronkhorst hoor zeggen dat meer dan 80% van de dansers binnen een jaar na de omscholing een baan hebben gevonden, dan verbaast mij dat niet.

Met andere woorden, naast de ingewikkelde verhalen over onzekerheid en eindigen van de danscarrière zijn er ook lichtpunten aan de horizon.

U weet allemaal dat je tot maximaal je 35ste op topniveau kan dansen. En zelfs dat halen velen van u niet omdat het zo’n vreselijk veeleisende bezigheid is. En na de danscarrière dreigt het diepe zwarte gat. Gelukkig is zo’n dertig jaar geleden al een start gemaakt met de omscholingsregeling Dans. De vuurtoren en de wegwijzer naar het lichtpunt op de horizon.

Mooi dat die regeling tot de dag van vandaag bestaat en dansers de gelegenheid biedt om aan hun toekomst te werken. Met de regeling loopt de danssector voor op een groot aantal andere sectoren. Maar de huidige ontwikkelingen laten het niet toe om daarover vergenoegzaam achterover te leunen. Nadenken over de volgende stap in de carrière kan niet vroeg genoeg beginnen. De samenwerking tussen werknemers en werkgevers moet hier ook telkens weer op worden aangepast. Maar het fundament ligt er: een vernieuwde Omscholingsregeling Dansers.

Omscholing Dansers Nederland

 

 

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Scholing en ontwikkeling.