Inleiding lustrumbijeenkomst BOINK

Inleiding van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij het lustrum van BOINK, belangenvereniging van ouders in de kinderopvang.

7 november 2015
De onderstaande tekst bevat de bouwstenen voor de toespraak van Mariëtte Hamer en is daarom niet bedoeld om letterlijk uit te citeren.

 

Opening

Dames en heren, het is mij een genoegen hier te zijn en een eer om met u het lustrumfeest van Boink te vieren. Zoals u weet heeft het stelsel van voorzieningen voor jonge kinderen al lange tijd mijn aandacht. Zoals u wellicht ook weet is de SER op dit moment druk bezig met de voorbereiding van een advies over de voorzieningen voor jonge kinderen, naar aanleiding van een adviesvraag die we hierover hebben ontvangen van het kabinet.

Wat heeft het kabinet de SER gevraagd?

Lange tijd werd in Nederland de kinderopvang vooral als arbeidsmarktinstrument gezien. Door kinderopvang te bevorderen zouden vrouwen meer gaan werken. Dat beeld verschuift. Ook het belang van deze voorzieningen voor de ontwikkeling van kinderen wordt nu meer en meer erkend.

Juist met het oog op die ontwikkeling van het kind vraagt het kabinet aan de SER wat er moet worden verbeterd in de inrichting van voorschoolse voorzieningen.

Hoe zijn we hier mee aan de slag gegaan?

Vlak voor de zomer hebben we twee expertmeetings gehouden, een internationale bijeenkomst om eens te kijken hoe kindvoorzieningen in andere landen worden geregeld en waarom landen investeren in kinderopvang. We hebben daarbij twee landen uitvoerig bekeken, Engeland en Duitsland. Van zo’n blik over de grens leer je altijd zeer veel. Vooral Duitsland leverde interessante inzichten op. Daar hebben ze vanaf 2003 het aantal plaatsen in de kinderopvang fors uitgebreid en in 2013 kwam er ook een recht op een plaats voor alle kinderen vanaf 1 jaar (voor minimaal 5 uur per dag).

Daarnaast hebben we veel experts geraadpleegd en eigenlijk aan hen specifiek gevraagd wat nu de baten zijn van kinderopvang. Wat levert het op? Die baten zijn zeer divers en omvangrijk. Ik kom daar zo nog op terug.

Tot slot hebben we onlangs nog een rondetafelgesprek gehouden met partijen uit het veld. Boink was bij dit gesprek ook aanwezig. Tijdens dit gesprek viel het mij op hoe eensgezind partijen waren over de noodzaak van verbeteringen. Volgens al deze partijen kan en moet het ook beter. Breed wordt gedeeld dat kindvoorzieningen van belang zijn voor zowel de ontwikkeling van kinderen als het verbeteren van de combinatie van arbeid en zorg. Daarbij werd nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de ontwikkeling van kinderen uit achterstandsgroepen.

Interessant dat vanuit verschillende perspectieven en organisaties hetzelfde geluid klonk. Nederland laat hier dus duidelijk kansen liggen.

Kabinetsvoorstellen

Ondertussen, terwijl wij druk waren om feiten en informatie boven tafel te krijgen, heeft het kabinet ook niet stil gezeten. Afgelopen tijd is een reeks van voorstellen gelanceerd. Goed nieuws voor u is dat de kinderopvangtoeslag zal worden verhoogd en dat er voor niet werkende ouders 60 miljoen extra wordt uitgetrokken voor de peuteropvang. Na jarenlang bezuinigen en beknibbelen is dit denk ik positief nieuws voor de sector en voor u als ouders.

Naar aanleiding van de recente voorstellen van het kabinet voor de kinderopvang was in de werkgroep onlangs nog de vraag hoe ons advies zich verhoudt tot het nu ingezette beleid.

Ik denk dat jullie als organisatie en als belangenbehartigers van de ouders wel zien welke langetermijn vraagstukken er voor ons liggen en welke toegevoegde waarde het SER-advies hierbij kan leveren.

Het onderwerp staat ook langer op de agenda van de SER. In 2011 stelde de raad in het advies Tijden van de samenleving al vast dat in het onderwijs en de kinderopvang een meer eigentijds en sluitend dagarrangement nodig is voor 4-12-jarigen. De raad gaf toen al aan de implementatie van een eigentijds en sluitend dagarrangement voor 4-12-jarigen te beschouwen als een eerste stap in de ontwikkeling naar integrale kindvriendelijke centra voor 0-12-jarigen.

Baten

Hoewel ik nog niet veel kan vertellen over wat er nu precies in het komende advies komt te staan, wil ik wel een aantal inzichten met u delen. Uit al die gesprekken die we hebben gevoerd blijkt (zoals ik al heb gezegd) dat de opbrengsten/ de baten groot en divers zijn. Wel zijn deze baten moeilijk te kwantificeren, maar duidelijk is dat kwalitatief goede voorzieningen bijdragen aan de ontwikkeling van het kind. Kinderen gaan bijvoorbeeld beter voorbereid naar de basisschool en zo wordt beter de basis gelegd voor een succesvolle schoolloopbaan.

Ook kunnen die voorzieningen de combinatie van arbeid en zorg voor ouders vergemakkelijken. Met goede en flexibele opvang wordt het voor ouders makkelijker een goede balans te vinden tussen werk en privé. Meer rust op het thuisfront betekent ook meer plezier of minder uitval op het werk.

Wat de ontwikkeling van jonge kinderen betreft, is relevant dat de eerste levensjaren cruciaal zijn voor de ontwikkeling van het brein; in deze levensjaren vinden belangrijke ontwikkelingen plaats op motorisch, sociaal, emotioneel en cognitief gebied. Met het samenspel van deze ontwikkelingen wordt het fundament gelegd voor de ontwikkelmogelijkheden voor de rest van het leven.

Kwalitatief goede voorzieningen zijn vooral ook van belang voor kinderen uit een achterstandsituatie. Juist door te investeren in die vroege levensfase kunnen achterstanden worden verminderd. Dat loont op de langere termijn. Kinderen met een niet-Nederlandse achtergrond kunnen zich de Nederlandse taal eigen maken en kinderen met laagopgeleide ouders of ouders met weinig middelen kunnen op de kinderopvang de hulpbronnen krijgen die zij thuis missen.

Voor u als ouder klinkt dit waarschijnlijk bekend in de oren: je brengt je kind naar het kinderdagverblijf of naar de peuterspeelzaal en ziet hoe je dochter of zoon ‘opbloeit’ en leert van het spelen met andere kinderen, hoe het leert samen te werken, te delen en problemen op te lossen.

Een hele belangrijke voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de voorzieningen goed is. Alle studies stellen dat de baten van voorschoolse educatie en zorg hoger zijn indien de kwaliteit hoger is. Verschillende mechanismen spelen hier een rol, maar de kern is dat kinderen zich beter ontwikkelen in een omgeving die stimulerend en veilig is.

En in die ontwikkeling en het bieden van kansen hebben we natuurlijk ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid; wij (ouders, opa’s/oma’s, professionals in de kinderopvang om er maar een paar te noemen), zijn samen verantwoordelijk voor onze toekomstige generatie. It takes a village to raise a child

Waarom moeten we juist nu investeren?

Ik denk dat er juist op dit moment twee hele belangrijke veranderingen gaande zijn die het noodzakelijk maken om te investeren in onze kindvoorzieningen.

Een is de kenniseconomie; opleiding wordt steeds belangrijker in onze samenleving.

De Nederlandse kenniseconomie moet het hebben van haar menselijk kapitaal. Naast onze gunstige ligging in Europa en een goed vestigingsklimaat zullen onze beroepsbevolking en ons innovatievermogen doorslaggevend zijn voor de positie van Nederland in de wereldeconomie. En die bepaalt ons toekomstig verdienvermogen, onze welvaart en ons welzijn.

Nederland wil een lerende economie zijn en een land met een positie in de top van de wereld. Een dergelijke positie is niet houdbaar als wij niet bereid zijn te investeren in de ontwikkeling van onze jeugd.

Dit betekent dat de Nederlandse samenleving al het aanwezige en potentiële talent maximaal moet stimuleren en ontwikkelen om te excelleren in de banen die er zijn en om nieuwe banen te creëren. Investeren in jonge kinderen is daarvoor cruciaal.

Deze investeringen zijn van belang ook tegen de achtergrond van de zogenoemde 21st century skills, denk aan de sociale vaardigheden, maar ook aan de digitale vaardigheden. Omdat gezinnen kleiner worden en mensen vaak niet meer dan 1 of 2 kinderen krijgen zijn kinderen minder in de gelegenheid om thuis ervaring in sociale vaardigheden op te doen. In centra kunnen zij op dat punt van elkaar leren.

Maar het is niet alleen ons verdienvermogen en onze lerende economie die vragen om te investeren. Het is ook de toenemende ongelijkheid tussen hoog- en laagopgeleiden.

Opleidingsniveau vormt in toenemende mate een scheidslijn in onze samenvatting. Recente rapporten van de WRR en het SCP wijzen op het toenemende belang van onderwijs voor de kwaliteit van leven.

Een klein voorbeeld uit het recente boek van Marc de Vos illustreert het verschil:
'Hoogopgeleide, hardwerkende, drukbezette ouders besteden gemiddeld meer tijd en energie aan de opvoeding van hun kinderen dan lager opgeleide, werkloze of professioneel minder actieve ouders.' Een waslijst aan Amerikaans en Europees onderzoek toont dit aan. 'Op de leeftijd van 12 jaar hebben kinderen die opgroeien in gezinnen uit de middenklasse 6.000 uren meer leertijd en leerkansen gehad dan kinderen die opgroeien in arme gezinnen. Kinderen in rijkere gezinnen kijken minder tv en worden dag na dag meer voorgelezen dan kinderen in armere gezinnen. Tussen hun eerste en tweede levensjaar horen de kinderen van ouders met een goede baan gemiddeld 11 miljoen woorden, die van ouders met een gewone baan 6 miljoen en die van ouders zonder baan gemiddeld 3 miljoen.'

Natuurlijk, het zijn maar cijfers en er zijn genoeg alleenstaande ouders die hun kinderen fantastisch opvoeden en klassieke gezinnen die falen. Maar we moeten denk ik erkennen dat voorzieningen voor jonge kinderen een belangrijke rol kunnen gaan spelen in het bestrijden van de achterstanden (en het verminderen van de ongelijkheid).

Daarover bestaat nu gelukkig meer consensus in de wetenschap en in veld. En ook de overheid lijkt nu op dit dossier nieuwe stappen te zetten. Ik hoop dat we daar de komende jaren als SER ook een belangrijke bijdrage aan kunnen leveren.

Slotwoord

Daarmee wil ik graag afronden en u voor vandaag nog een heel leuk en inspirerend feest toewensen.

 

Mariëtte Hamer, Voorzitter SER © Christiaan Krouwels
Werk en privé. Moeder aan het werk aan de keukentafel. Dochtertje is aan het kleuren.