Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Van privéprobleem tot overheidszorg

Van privéprobleem tot overheidszorg: emancipatiebeleid in Nederland

Speech van SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij de presentatie van het boek Van privéprobleem tot overheidszorg: emancipatiebeleid in Nederland in het Atria Auditorium te Amsterdam

29 november 2017

De gesproken tekst geldt.


Eindelijk ligt er dan een prachtig boek over de geschiedenis van ons emancipatiebeleid. Hier heb ik, net zoals jullie, lang op gewacht.

Het onderwerp gaat mij aan het hart. Ik heb me jarenlang ingezet voor het emancipatiebeleid en een verbetering van de positie van vrouwen. Dat bestrijkt een breed terrein; van meer vrouwen aan de top, betere regelingen voor het combineren van arbeid en zorg, gelijke beloning voor gelijkwaardige arbeid tot minder geweld tegen vrouwen.

Als voorzitter van de SER heb ik uiteraard ook gekeken of ónze organisatie in het boek voorkomt. Het boek beschrijft mooi hoe over de arbeidsdeelname van vrouwen al heel vroeg binnen de SER wordt gesproken. Zo komt al midden jaren zestig - in 1966 om precies te zijn - een belangrijk SER-advies uit over de arbeid van vrouwen in Nederland. De SER constateert in dit advies dat belemmeringen voor vrouwen om beroepsarbeid te verrichten moeten worden geanalyseerd en waar mogelijk moeten worden weggenomen. 

Alles is nog wel heel voorzichtig geformuleerd. Het gezin mocht namelijk niet onder de arbeidsdeelname van vrouwen lijden en voorzieningen zoals kinderopvang werden in die tijd nog afgewezen. Maar de SER pleitte toen al wel voor betere scholing van vrouwen en begin jaren zeventig sprak de raad zich ook duidelijk uit voor het beginsel van gelijk loon.

Ook nu staan weer een aantal belangrijke thema’s op de SER-agenda die raakvlakken hebben met het emancipatiebeleid.

Zo zijn er vorig jaar twee mooie SER-adviezen verschenen met de titels Gelijk goed van start en Een Werkende Combinatie. Het ene advies schetst hoe op lange termijn het stelsel voor jonge kinderen eruit moet zien. Het andere advies laat zien hoe mensen tijdens verschillende levensfasen hun tijd besteden en op welke wijze zij werken, zorgen en leren combineren. 

In die adviezen is een reeks van aanbevelingen gedaan, sommige zijn in het regeerakkoord overgenomen, anderen helaas niet.

Uitdagingen

Zo gaat dat; in het beleid worden kleine stapjes vooruit gezet, maar het is weerbarstig en gaat niet vanzelf. De veranderingen gaan traag, zoals jullie ook aangeven in jullie boek.

Er zijn grote successen geboekt. Denk aan onderwijsdeelname en de participatie op de arbeidsmarkt. Maar de problemen zijn ook bekend. Een groot deel van de vrouwen in Nederland is nog steeds niet economisch zelfstandig en laagopgeleide vrouwen blijven achter op de arbeidsmarkt. 

De beeldvorming van vrouwen en mannen in de media, maar ook in de cultuur van veel organisaties is nog steeds in hoge mate stereotiep. Vrouwen worstelen nog steeds met het glazen plafond, vrouwen stromen maar langzaam door naar topposities en hun talenten worden door de overheersende deeltijdcultuur op de arbeidsmarkt nog steeds niet optimaal gebruikt.

Bovendien kwam onlangs ook in het nieuws dat de ongelijkheid tussen Nederlandse mannen en vrouwen is toegenomen. Nederland kelderde op de wereldranglijst van het World Economic Forum van de 16e naar de 32ste plaats. Nederland scoort vooral niet goed op het gebied van politieke vertegenwoordiging; het nieuwe kabinet-Rutte III wordt door mannen gedomineerd. 

Nu zeggen die ranglijstjes niet alles. Het is maar net welke factoren worden gemeten en hoe ze worden vergeleken. Toch is het duidelijk dat er nog wel het een en ander moet gebeuren. 

Hoe nu verder?

De vraag is dan ook hoe nu verder? Wat is de toekomst van het emancipatiebeleid? Wat moet er gebeuren? Het laatste hoofdstuk van jullie boek stipt deze toekomst ook aan en ik zou graag met u enkele gedachten hierover willen delen.

Brede benadering: levensloop, diversiteit 
Allereerst is het denk ik van belang dat we niet alleen maar kijken naar de verschillen tussen mannen en vrouwen, maar kiezen voor een bredere benadering; een benadering die uitgaat van de levensloop en de verschillen tussen de levensfasen. Dat is overigens niet nieuw; de Verkenning levensloop (uit 2002) pleitte hiervoor ook al. De conclusie in onze adviezen is in ieder geval dat het beleid beter zou moeten inspelen op de diversiteit, waarbij ook rekening wordt gehouden met de aanzienlijke verschillen tussen sociale groepen in onze samenleving. Oog voor die diversiteit is van belang.

Dat blijkt ook uit de cijfers. Zo combineren werkende jongvolwassenen weinig, maar in de gezinsfase is dat heel anders. Dan combineren veel werknemers hun baan met de zorg voor een kind. Als de mid-careerfase aanbreekt, begint mantelzorg meer tijd in beslag te nemen, terwijl de zorg voor de kinderen ook nog groot is. Aan het eind van hun loopbaan hebben werkenden het relatief rustig.

Ook zijn er aanzienlijke verschillen tussen sociale groepen, zoals hogere en lagere opleidingen en inkomens. Het combineren van werken, zorgen en leren komt in alle sociale groepen voor, maar in de beleving daarvan en de kwaliteit van leven bestaan wel grote verschillen: Zo voelen hoogopgeleiden zich weliswaar het vaakst gejaagd, maar zij hebben ook meer middelen en mogelijkheden om te combineren, zoals thuiswerken. Onderzoek laat zien dat alleenstaanden een grotere kans hebben op een burn-out en dat zzp’ers gemiddeld meer combinatiedruk ervaren dan werknemers in loondienst.

Ik denk dat emancipatievraagstukken aan kracht kunnen winnen en op meer aandacht kunnen rekenen als de vraagstukken in een breder kader worden geplaatst, door man-vrouwverschillen te verbinden aan andere scheidslijnen in onze samenleving; bijvoorbeeld de verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden. 

Deeltijdklem vraagt om brede maatschappelijke discussie
Naast een bredere benadering is het ook wenselijk om een maatschappelijke discussie te voeren over het huidige dominante arbeidspatroon van vrouwen: deeltijdwerk is de norm en vooral voor vrouwen de dominante strategie om te kunnen combineren. Daar is op zich niets mis mee. De deeltijdstrategie is een effectief instrument gebleken om ouders in staat te stellen werk te combineren met de zorg voor kinderen. Tegelijkertijd zorgt de deeltijdstrategie ervoor dat de traditionele tijdsverdeling in stand blijft en instituties niet of nauwelijks worden aangepast.

Hierdoor voelen we ons bijvoorbeeld nog steeds niet echt genoodzaakt om kwalitatief goede kinderopvang te realiseren en de ontwikkeling van het concept van een ‘brede school’ of sluitende dagarrangementen is nog steeds niet heel dwingend.
De SER waarschuwde trouwens al begin jaren zeventig (met inderdaad een zeer vooruitziende blik) dat kleine deeltijdbanen op termijn ook in het nadeel van vrouwen zouden kunnen werken. Carrièrekansen zouden worden verkleind.

Kan het ook anders? Ook in het boek wordt die vraag gesteld. Willen we dit institutionele gegeven doorbreken? Is er een economische noodzaak om dit patroon te doorbreken? Kan het worden doorbroken en, zo ja, hoe en tegen welke prijs? Dit zijn volgens mij belangrijke kwesties die vragen om een brede maatschappelijke discussie.

Extra aandacht voor doorstroom van vrouwen naar de top en culturele diversiteit
Ook de doorstroom van vrouwen naar de top vraagt om extra aandacht. De doorstroom van vrouwen naar topposities gaat te langzaam. Het belang van meer diversiteit aan de top wordt breed onderschreven, we weten allemaal dat diversiteit van belang is voor een economie waarin creativiteit en vernieuwing van belang zijn voor groei en ontwikkeling. Toch wil het maar niet vlotten.

De SER wil gaan kijken welke mechanismen ervoor zorgen dat die doorstroom van vrouwen naar de top blijft steken, welke barrières bestaan er nu precies?
Het is in ieder geval van belang om samen te zorgen voor verandering; ga jezelf omhoog neem iemand mee. 

Je hoeft het in ieder geval niet allemaal in je eentje te doen, durf ook om hulp te vragen.

Modernisering van de toerusting en facilitering van de werkende en ontwikkelen markt voor persoonlijke dienstverlening
Met het oog op verandering (hogere participatie en meer vrouwen aan de top) is het van belang dat bij de toerusting en facilitering van de werkende echt wordt uitgaan van iemand die rollen en taken combineert. 

De toekomst laat zien dat wij – mannen en vrouwen - steeds meer gaan combineren. Meer mensen werken langer door, het aantal samengestelde gezinnen en alleenstaanden groeit, zorgtaken nemen toe en de noodzaak om je te blijven ontwikkelen tijdens het werkzame leven is vergroot. 

Bovendien zullen de grenzen tussen werk en privé steeds meer vervagen.

Om dat in goede banen te leiden, is een breed pallet aan maatregelen nodig. In het SER-advies noemen we onder meer de verlofregelingen, het slimmer organiseren van tijd, en het verbeteren van de markt voor persoonlijke dienstverlening.

Het kabinet heeft met betrekking tot verlof een belangrijke stap gezet. Vaders lijken nu zes weken betaald verlof te krijgen. Dat is mooi, maar voor een toekomstbestendig stelsel, waarbij gestreefd wordt naar meer differentiatie in arbeidstijdpatronen, een gelijkere verdeling van arbeid en zorg en niet onbelangrijk een ontspannen samenleving, is dat nog niet voldoende.

Volgens de SER is het nodig het verlof in het eerste jaar te optimaliseren. Bovendien dient er naast tijd en geld meer aandacht te komen voor de diensten . Denk aan het uitbesteden van huishoudelijk werk, maar ook aan de ondersteuning van mantelzorg. De vraag naar dit soort diensten zal naar verwachting verder toenemen. De markt voor persoonlijke dienstverlening biedt daarmee kansen voor nieuwe werkgelegenheid, maar kan ook bijdragen aan het vergemakkelijken van het combineren van rollen en taken.

Investeer in het jonge kind
Tot slot vind ik het belangrijk dat er meer aandacht komt voor jonge kinderen. Een van de belangrijkste conclusies in ons advies Gelijk goed van start is dat het investeren in voorzieningen voor jonge kinderen loont. Kinderopvang is niet alleen een belangrijk arbeidsmarktinstrument, zij levert ook een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen, het verminderen van de achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen. Daarom heeft de SER twee hele belangrijke aanbevelingen in het advies gedaan.

  • De eerste aanbeveling is dat de programma’s voor kinderen met een achterstand moeten worden geïntensiveerd. Nu is er een aanbod van 10 uur per week, wij denken dat dit naar 16 uur per week moet. 
  • De tweede aanbeveling is dat er voor alle kinderen van 2 tot 4 jaar, ongeacht of hun ouders al dan niet werken, een aanbod van opvang en educatie moet komen van 16 uur per week.

Het regeerakkoord heeft een deel van het advies opgevolgd; er komt meer geld voor de voorschoolse educatie en de urengrens wordt verhoogd naar 16 uur per week. Ook dat is goed nieuws.

Maar, helaas heeft het kabinet de andere aanbeveling niet opgevolgd; er komt geen aanbod van 16 uur per week voor alle kinderen. Dat is jammer, zeker omdat we daarmee kinderen met een achterstand beter zouden kunnen bereiken.

Ons stip aan de horizon is een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel waarbij kinderopvang niet alleen opvang is, maar een plek waar kinderen elkaar kunnen ontmoeten en samen kunnen leren en spelen. Daar zullen we naar blijven streven.

Slot/Afronding

Werken, zorgen en leren – een goede combinatie daarvan is de sleutel tot succes, óók voor de positie van de vrouw. Er is al veel bereikt, maar er valt nog zo veel meer te bereiken. Door het thema Werken, leren en zorgen op de SER-agenda te houden wil ik daar aan blijven bijdragen. Ik wil Anneke van Doorne, Joop Schippers, Renee Romkens en Antia Wiersma hartelijk danken voor hun prachtige boek. Het is een mooi naslagwerk dat wij bij de voorbereiding van onze adviezen goed kunnen gebruiken. Dank!
Voorzitter
Mariëtte Hamer
Mariëtte Hamer