Home | Actueel | Nieuwsberichten | 2000-2009 | 2006 | Raad brengt unaniem advies uit over toekomst PBO

Raad brengt unaniem advies uit over toekomst PBO

17 maart 2006

De SER ging vanochtend unaniem akkoord met een advies over de toekomst van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO). De SER wil samen met de product- en bedrijfschappen een code opstellen voor goed bestuur. De code moet een wettelijke verankering krijgen en onderdeel gaan uitmaken van het toezicht van de SER op de product- en bedrijfschappen.

De voorzitter van LTO-Nederland Bart Constandse zei namens de drie centrale ondernemersorganisaties het belangrijk te vinden dat er in de praktijk onder de ondernemers voldoende steun blijkt te bestaan voor de activiteiten van de product- en bedrijfschappen.
Wel wees hij op het belang dat de schappen zich adequaat verantwoorden over hun heffingen en activiteiten. Ook moeten schappen beter naar buiten communiceren wat ze op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen doen, zoals het bewaken van de voedselveiligheid en innovatie.
Verder ging hij in op de mogelijkheid voor sectoren om te verzoeken uitgesloten te worden van de werkingssfeer van een schap. Constandse waarschuwde ervoor dat dit niet ten koste mag gaan van de ontwikkeling van ketenactiviteiten of het bestrijden van ziekten bij planten of dieren.
Van groot belang vond Constandse het ook dat schappen beter afwegen of alle activiteiten uit de jaarlijkse algemene heffing moeten worden betaald. Met instemming signaleerde hij de tendens dat steeds vaker specifieke gemeenschappelijke activiteiten uit een bestemmingsheffing worden gefinancierd.
Hij steunde het voorstel om tot een wettelijk verankerde code van goed bestuur voor de PBO te komen.

Het kroonlid Hans Kamps wees op het bijzondere van het PBO-stelsel, dat ‘van onderop’ is georganiseerd. Er vallen 400.000 ondernemingen en een miljoen werknemers onder de werkingssfeer van een product- of een bedrijfschap.
De rode draad van het advies is dat de schappen hun bestaansrecht primair ontlenen aan het draagvlak dat ze hebben bij de aangesloten ondernemers en de dragende organisaties. Het is dan ook belangrijk dat uit onderzoek naar het draagvlak en naar de toekomst van de product- en bedrijfschappen is gebleken dat een meerderheid een duidelijke meerwaarde ziet in het bestaan van de schappen. Het gaat daarbij om zowel georganiseerde als ongeorganiseerde ondernemers.
De schappen hebben in die onderzoeksronde ook kritiek ontvangen van ondernemers en werknemers. De schappen staan hiervoor open en moeten er ook aan gaan werken, aldus Kamps. Van groot belang is dan ook dat zij good governance naleven en dat zij transparantie, gecombineerd met checks and balances naar buiten toe betrachten. Ook moeten de schappen meer gaan samenwerken en tot schaalvergroting overgaan. Ook hij juichte een wettelijk verankerde code voor zorgvuldig bestuur toe, waarbij de SER op scherpe doch rechtvaardige wijze toeziet op de naleving ervan.

De werknemers, bij monde van FNV-bestuurder Peter Gortzak, vonden het jammer dat er kennelijk elke vier jaar “een rituele dans” moet worden uitgevoerd door de schappen, waarbij zij hun bestaansrecht moeten bewijzen. De schappen zou rust moeten worden gegund om hun goede werk te kunnen doen. Wel vond hij dat de schappen wat vaker het werknemersbelang in de mond zouden kunnen nemen.

Als voorzitter van de commissie van voorbereiding, de Bestuurskamer, voerde ook SER-voorzitter Herman Wijffels het woord. Hij vond dat de dragende organisaties zich moeten realiseren dat het eigenlijk een groot voorrecht is dat het georganiseerde bedrijfsleven via de PBO de beschikking kan krijgen over publiekrechtelijke verordenende bevoegdheden. Daar staan echter verplichtingen tegenover, in de vorm van een transparante, open werkwijze en goede verantwoording. Schappen werken niet alleen voor het gemeenschappelijke, sectorale belang maar ook voor het algemeen belang.


Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648.