Kamerleden bezorgd over werkende armen

Ruim 200.000 mensen in Nederland hebben een of meer betaalde banen, maar zijn toch arm. Hoe kan dat, en belangrijker: hoe kunnen die mensen uit de armoede komen? De vaste Kamercommissie SZW ging in gesprek met SER voorzitter Mariëtte Hamer, kroonlid Romke van der Veen, werknemersvertegenwoordiger Kitty Jong en werkgeversvertegenwoordiger Hans Koehorst over de verkenning “Werken zonder armoede”.

SER sprak met 2e Kamerleden over verkenning 'Werken zonder armoede' Foto: griffier Emma van den Broek

Belang van samenwerking tussen gemeenten en werkgevers

Het aantal werkenden dat op of onder de armoedegrens leeft, is min of meer stabiel. Ook in tijden van hoogconjunctuur lijkt er een ‘harde kern’ te zijn van mensen die te weinig bestaanszekerheid halen uit hun inkomen, of die telkens terugvallen in armoede. De Kamerleden Palland, Peters, Omtzigt, Kat, Maatoug en De Neef waren onder andere geïnteresseerd in de rol van gemeenten bij het bereiken en helpen van werkende armen. Uit de verkenning blijkt dat veel werkende armen niet op de hoogte zijn van de gemeentelijke ondersteuningsmogelijkheden. En als ze dat wel weten, blijkt dat zij er niet altijd gebruik van maken. De SER pleit voor betere samenwerking tussen gemeenten en werkgevers om dit te doorbreken. Werkgevers hebben vaak allerlei signalen van financiele problemen van hun werknemers en kunnen tijdig doorverwijzen. SER-voorzitter Mariëtte Hamer vond dat voor deze groep eigenlijk ieder contact met (een loket van) de overheid een toegang tot regelingen en ondersteuning zou moeten kunnen zijn. De Kamerleden opperden dat gemeenten meer ruimte zouden moeten hebben om te experimenteren in de dienstverlening. Kitty Jong stelde dat enkele gemeenten meer mogelijkheden tot bijverdienen toestaan, zodat werken meer loont.

Kopschuw

Daarbij moet ook de beeldvorming rond armoede worden aangepakt. Voor veel werkenden met wisselende inkomens zijn de gevolgen voor toeslagen, uitkering en andere regelingen vaak onvoorspelbaar. Ze zijn kopschuw geworden om gebruik te maken van bijvoorbeeld toeslagen of regelingen van de gemeente. De kinderopvangtoeslagaffaire heeft dit beeld versterkt. Een deel van de mensen die er recht op heeft denkt dat door meer te werken het besteedbaar inkomen lager wordt omdat toeslagen en andere regelingen zouden kunnen wegvallen. Dit is echter niet altijd het geval. Ook is men bevreesd voor terugvorderingen. Daarom ziet men af van het gebruik van ondersteuning, wat tot onnodige armoede kan leiden. De ingewikkelde verrekening van inkomsten met een uitkering is ook een groot knelpunt. Gaan werken of meer uren werken in combinatie met een uitkering loont feitelijk niet altijd. De SER wees in de verkenning ook op het belang van nazorg voor deze groep, slechts een klein deel van de gemeenten contact met bijstandsgerechtigden die werk hebben gevonden.

Laag uurloon, veel uren beschikbaar

Tot slot uitten de Kamerleden zorgen over de lage uurlonen in relatie tot de gevraagde beschikbaarheid van mensen met flexbanen. Voor zzp’ers is het lage tarief dat gerekend mag worden een probleem. Meer langetermijnzekerheid over opdrachten en de mogelijkheid krijgen om meer uren te werken zijn nodig om deze werkenden meer bestaanszekerheid en inkomensstabiliteit te bieden. In de verkenning “Werken zonder armoede” zijn hiervoor vele voorstellen gedaan.