Nieuwe pensioenvariant behoudt het goede. Kees Goudswaard over SER-verkenning pensioen

De SER heeft een nieuwe, onbekende pensioenvariant onderzocht: persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling. Half mei werden de uitkomsten gepresenteerd. Kees Goudswaard, pensioenexpert en voorzitter van de SERcommissie Toekomst Pensioenstelsel, is best trots. ‘Deze nieuwe variant heeft evidente voordelen.’
Corien Lambregtse

Een jaar heeft het geduurd, het onderzoek naar de nieuwe pensioenvariant. In nauwe samenwerking met het Centraal Planbureau (CPB) en tal van pensioenexperts zijn in twee werkgroepen alle mogelijke berekeningen gemaakt, uitkomsten geanalyseerd en conclusies getrokken. De verkenning kan een belangrijke rol gaan spelen in de Pensioennotitie die staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) nog voor de zomer wil uitbrengen. Kees Goudswaard en zijn commissie moesten daarom op tijd klaar zijn. En dat is gelukt.

Hoe zit het ook al weer met deze nieuwe variant? Waar komt-ie vandaan?

‘In het SER-advies Toekomst pensioenstelsel dat we in februari vorig jaar uitbrachten, werden vier varianten verkend. Een daarvan was een onbekende maar interessante variant: persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling. Die variant had de meeste pluspunten, daarom zijn we deze nader gaan verkennen. We hebben niet alleen de variant zelf onderzocht en vergeleken met de andere varianten uit ons advies, maar hebben ook gekeken wat het zou betekenen als we naar zo’n nieuw systeem zouden overstappen. De transitie naar het nieuwe systeem is eigenlijk het grootste probleem. Er verandert veel en je moet zorgen dat niemand daar duidelijk de dupe van wordt.’

Wat maakt deze variant zo interessant?

‘Deze variant behoudt het goede van ons huidige stelsel: we gaan over naar een persoonlijk pensioenvermogen, maar de risico’s worden collectief gedeeld. Deelnemers hebben dus een persoonlijke rekening en kunnen te allen tijde zien wat hun pensioenopbouw is en wat hun kapitaal is in de uitkeringsfase. Daarnaast is er een collectieve buffer die is bedoeld om risico’s te delen. Daarmee wordt voorkomen dat het pensioen in slechte tijden heel erg zakt. De buffer wordt gevuld als het rendement hoog is en wordt ingezet als het rendement laag is. De grootte van die buffer kan overigens door pensioenfondsen zelf worden bepaald.

Risico’s kunnen niet worden doorgeschoven naar volgende generaties


Door een collectieve buffer in te stellen, worden de beleggingsrisico’s gedeeld. Maar als de buffer leeg is, houdt het op. Dit voorkomt dat de risico’s worden doorgeschoven naar volgende generaties. Dat is ook een belangrijk kenmerk van deze variant en een groot voordeel ten opzichte van het huidige systeem.

Daarnaast is dit pensioensysteem minder afhankelijk van de rekenrente. De huidige lage rente zet de verplichtingen van pensioenfondsen zwaar onder druk en het lijkt erop dat deze situatie nog wel een tijd gaat duren. Bij een lage rente gaat de dekkingsgraad omlaag, waardoor pensioenfondsen maatregelen moeten nemen, ook al zijn de behaalde rendementen helemaal niet zo slecht.

Deze variant kan echt helpen het vertrouwen
in het pensioensysteem te herstellen


Als de rente langdurig laag is, wordt het huidige systeem onhoudbaar. Dat ziet haast iedereen inmiddels wel in. Ieder pensioensysteem is rentegevoelig, maar persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling kent geen dekkingsgraad en is in dat opzicht dus minder rentegevoelig.

Wat deze variant ook sterk maakt, is dat er maatwerk in beleggingsbeleid mogelijk is. Voor jongeren wordt risicovoller belegd dan voor ouderen. Dat noemen we een life cycle beleggingsmix.’

Welke risico’s worden precies gedeeld?

‘Naast het beleggingsrisico, dat wordt gedeeld tussen generaties, wordt ook het risico op een verder stijgende levensverwachting gedeeld. We houden er al wel rekening mee dat de levensverwachting stijgt, maar als die stijging toch nog harder gaat dan verwacht, kan het effect voor ouderen worden verzacht. Daarnaast zijn er ook de risico’s op arbeidsongeschiktheid, waarbij de pensioenopbouw doorgaat, en het risico op kortleven, waarbij de nabestaanden een pensioen ontvangen. Ook die risico’s worden collectief opgevangen.’

Hoe scoort dit systeem in vergelijking met de andere varianten?

‘We hebben zowel een kwantitatieve als kwalitatieve vergelijking gemaakt. De uitkomsten van de kwantitatieve vergelijking tussen de varianten liepen niet ver uit elkaar. Bij het persoonlijke pensioenvermogen met collectieve risicodeling is de kans op daling van koopkracht en kortingen op de uitkering wel duidelijk kleiner dan bij de andere varianten. Dat komt door het maatwerk in het beleggingsbeleid en door de buffer. Hierdoor is het pensioen wat stabieler, ook al wordt er geen zekerheid meer beloofd.

Wat de kwalitatieve vergelijking betreft, daaruit bleek dat deze variant heel goed scoort op transparantie. Iedere deelnemer kan zien wat hij in de loop van de jaren heeft opgebouwd. Verder zijn ook de economische effecten gunstig, omdat de rentegevoeligheid van dit systeem kleiner is dan van het huidige systeem. Ook scoort deze variant goed op evenwicht tussen generaties. De doorsneesystematiek wordt afgeschaft, wat betekent dat jongeren niet meer meebetalen voor ouderen. En doordat de buffer niet negatief mag zijn, kunnen tekorten niet worden doorgeschoven naar volgende generaties.’

Maar hoe zit het met de overgang naar het nieuwe systeem? Hoe lastig wordt dat?

‘Inderdaad lastig, want het is een dubbele overgang: de doorsneesystematiek wordt afgeschaft én de aanspraken uit het oude systeem worden omgezet in aanspraken in het nieuwe systeem.

De doorsneesystematiek zorgt ervoor dat jongere deelnemers in zekere zin oudere deelnemers subsidiëren: de premie van jongeren kan langer renderen, maar geeft toch dezelfde pensioenopbouw als de premie van ouderen. Het afschaffen van de doorsneeproblematiek is vooral een probleem voor de groep 45-plussers. Zij hebben wel meebetaald aan de pensioenen van de ouderen voor hen, maar de jongeren na hen betalen niet meer mee aan hun pensioen. Daar moeten de 45-plussers voor worden gecompenseerd. Dat kost een hoop geld. Het mooie is wel dat de generatie die nadeel heeft van de afschaffing van de doorsneesystematiek voordeel heeft van de overgang naar een persoonlijke pensioenregeling. Dat scheelt al behoorlijk, maar toch zal compensatie nodig zijn. Het kan betekenen dat de premies vijf jaar met 2 procent moeten worden verhoogd. Dat zal per pensioenfonds verschillen.

Daarnaast worden de aanspraken uit het oude systeem omgezet in aanspraken binnen de nieuwe regeling. Bij een dekkingsgraad van 100 of meer is het makkelijker om de aanspraken om te zetten in kapitaal. Maar het is lastig bij lage dekkingsgraden, zoals bij veel pensioenfondsen momenteel het geval is.

Er moet dan namelijk een tekort worden verdeeld. Dat kan overigens wel worden uitgesmeerd. Ook moeten bij de overgang enkele fiscale en juridische hobbels worden genomen.

Al met al is de overgang naar een systeem van persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling lastig, maar zeker niet onmogelijk. En de uitkomsten zijn stabieler en beter passend bij deze tijd dan het huidige systeem. De voordelen zijn dus evident. Deze variant kan naar mijn mening echt helpen om het vertrouwen in het pensioensysteem te herstellen.’

Zo snel mogelijk invoeren dan maar?

‘Zo ver zijn we nog niet. Als commissie hebben we alleen nog maar een verkenning uitgevoerd. Wij doen geen voorstellen, we maken alleen inzichtelijk wat de mogelijkheden, keuzes en effecten zijn. Het is aan de decentrale partijen zelf om hier iets van te vinden en ermee verder te gaan. Wij hopen dat deze variant een belangrijke plek krijgt in de pensioennotitie die staatssecretaris Jetta Klijnsma nog voor de zomer wil uitbrengen. De sociale partners krijgen nu de gelegenheid om zich over deze verkenning uit te spreken.

De nieuwe pensioenvariant is
stabieler en past beter bij deze tijd


Ook gaan we een brede dialoog opzetten met deskundigen en belanghebbenden. We moeten zien of deze variant op draagvlak kan rekenen. Een nieuw pensioenstelsel is een enorme verandering waar we echt de tijd voor moeten nemen. Maar de trein is gaan rijden en zal hopelijk niet meer stoppen.’


Wie is Kees Goudswaard?

Kees Goudswaard (1955) is voorzitter van de SERcommissie Toekomst Pensioenstelsel, die half mei de verkenning uitbracht. Goudswaard is hoogleraar Toegepaste Economie en bijzonder hoogleraar Sociale Zekerheid aan de Universiteit Leiden. Van 1994 tot 2008 was hij kroonlid van de SER. Hij heeft diverse nevenfuncties, zo is hij lid van de raad van commissarissen van De Nederlandsche Bank.


Een nieuw soort pensioenregeling

De SER heeft een nieuw soort pensioenregeling onderzocht: persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling. Met deze verkenning wil de SER bijdragen aan de discussie over een pensioenstelsel dat beter aansluit op een veranderende samenleving. Het huidige stelsel is te weinig transparant en onvoldoende berekend op de toegenomen arbeidsmobiliteit. Ook biedt het weinig mogelijkheden voor maatwerk en keuzevrijheid.

Om de kwaliteit van het pensioenstelsel ook op langere termijn te waarborgen, zijn aanpassingen noodzakelijk. Met het oog daarop begon het kabinet in 2014 met een brede maatschappelijke discussie over de toekomst van de oudedagsvoorziening: de Nationale Pensioendialoog. In dat kader bracht de SER in februari 2015 het advies Toekomst Pensioenstelsel uit.

In het advies beschreef de SER vier varianten die het huidige stelsel mogelijk kunnen ontwikkelen en versterken. Een van de varianten was ‘persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling’. Deze vorm van pensioenopbouw bleek interessante pluspunten te hebben: een goede opbrengst, meer mogelijkheden voor maatwerk, meer transparantie en positieve economische effecten. De SER noemde deze variant ‘interessant, maar onbekend’ en kondigde een nadere verkenning aan, die in mei is gepresenteerd.

In de onderzochte variant bouwen deelnemers een persoonlijk pensioenvermogen op én delen zij gezamenlijk bepaalde risico’s. Het is echter niet meer mogelijk om tekorten door te schuiven naar toekomstige generaties. Daarnaast biedt de variant maatwerk in het beleggingsbeleid voor jongeren en oudere deelnemers. Voor oudere deelnemers worden de risico’s bij het beleggen verlaagd. De verkenning is samengevat in een verkorte publieksversie.