Actie-agenda van start: daadkracht rond leven lang ontwikkelen

Hoe zorgen we ervoor dat leren vanzelfsprekend en aantrekkelijk wordt, ook voor wie al een diploma op zak heeft? Op de drukbezochte bijeenkomst voor een ‘actie-agenda’ voor een leven lang leren en ontwikkelen, werden veel voorbeelden én visitekaartjes gedeeld.
Berber Bijma

De procesoperators van waterbedrijf Vitens werkten altijd behoorlijk zelfstandig op veel verschillende locaties. Vrijwel ieder probleem wisten ze, met hun kennis van bodem en water, op te lossen. Maar was het altijd de ideale oplossing? Konden al die ‘eenpitters’ eigenlijk niet heel veel van elkáár leren? Vitens schakelde kennis- en opleidingscentrum CIV Water in om de netwerk- en communicatievaardigheden van de operators te verbeteren, zodat ze meer van elkaar zouden leren.

‘Typisch een voorbeeld van het stimuleren van een positieve leercultuur’, vertelt Marcel van der Horst van CIV Water eind mei op de bijeenkomst voor een ‘actieagenda’ voor een leven lang leren en ontwikkelen. De bijeenkomst in Rijswijk was georganiseerd door de SER, die op verzoek van de ministers Van Engelshoven (Onderwijs) en Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) een ‘aanjaagfunctie’ vervult in het stimuleren van een positieve leercultuur.

De deelnemers van de bijeenkomst trekken zich na de plenaire opening in groepjes terug in (opblaasbare) iglo’s om over deelthema’s verder te praten. De presentatie van Van der Horst in één van die iglo’s wordt met instemming ontvangen. Hij vertelt hoe de Vitens-medewerkers in een cursustraject van twintig weken leren om een intern netwerk op te bouwen waarmee ze van elkaar kunnen leren. De ‘lerende organisatie’ heeft ervoor gezorgd dat de werknemers meer verantwoordelijkheid voelen voor het werkproces én beter kunnen omgaan met veranderingen in de organisatie.

In een groepje van zo’n tien mensen wordt over het onderwerp doorgesproken. Hoe maak je leren tot een positieve ervaring? Die vraag keert meermalen terug. Yolanda van Zuilekom is een van de gespreksdeelnemers. Zij heeft in haar werkzame leven de omslag gemaakt van mbo- naar hbo-niveau en werkt bij het ministerie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. ‘Voor hogeropgeleiden is leren leuk. Iedereen wil zich ontwikkelen. Maar veel mensen met een opleiding op mbo-niveau hebben slechte ervaringen met onderwijs. Voor hen is leren vaak helemaal niet leuk. Om het ook voor die groep vanzelfsprekend te maken dat je je blijft ontwikkelen, is echt lastig, is mijn ervaring.’

Andere deelnemers herkennen zich daarin. ‘Tijd, energie en veel individuele aandacht; dat is wat je nodig hebt om een positieve leercultuur te stimuleren’, zegt Betsie Brink, directeur van OOMT, het O&O-fonds voor motorvoertuigentechniek. ‘Je moet ontdekken waar de weerstand zit. Gestimuleerd worden om te leren staat voor sommigen gelijk aan het signaal: o, ik doe het dus nu niet goed?’ Claasje van den Hoogen van het Albeda College, een roc in de regio Rotterdam: ‘Mensen willen betekenisvol werk doen. Als ze merken dat scholing hen daarvoor de handvatten geeft, is dat een heel positieve ervaring.’

Daden

Jarenlang is er veel gepraat over ‘een leven lang leren’, zowel landelijk als op regionaal niveau. Zoveel, dat cynici soms spraken van ‘een leven lang leuteren’. Een van de belangrijkste doelen van de ‘actie-agenda’ is om al dat praten nu om te zetten in daden, door mensen die daar op regionaal niveau mee actief zijn in contact te brengen met anderen. In de woorden van SER-voorzitter Mariëtte Hamer: ‘Het is tijd om goede initiatieven op te schalen en regio’s van elkaar te laten leren.’

Dat is precies wat er gebeurt in de iglo waar naar aanleiding van het voorbeeld van Vitens verder wordt gesproken. Ad Vermeulen, werkzaam geweest bij Fontys Hogescholen, vertelt hoe in Eindhoven jarenlang werd gepraat over ‘een leven lang leren’, terwijl de infrastructuur ontbrak om daar efficiënt werk van te maken. Inmiddels is het Netwerk Leven Lang Leren Eindhoven opgericht. Daarin participeren onderwijsinstellingen van peuteronderwijs tot en met universiteit, naast onder meer de bibliotheek, gemeente en vakbonden. Het netwerk wil aanbieders van onderwijs verbinden met ‘iedereen die zich wil ontwikkelen’. ‘We brengen bestaande initiatieven bij elkaar’, vertelt Vermeulen, ‘onder meer om banen te realiseren voor de drieduizend jeugdwerklozen die we in onze stad hebben.’ Om die verbindende functie vorm te geven wordt gewerkt aan een digitaal platform waarop allerlei ‘leerinitiatieven’ worden samengebracht. Vermeulens verhaal kan op veel interesse rekenenen hij krijgt veel verzoeken later nog eens verder te praten.

Innovatie-akkoord

In een andere iglo vertelt Patty Claassens, projectadviseur bij Brainport Development, over het Talent & Skills Akkoord dat enkele dagen later getekend zal worden in de regio Zuidoost-Brabant. De ruim tweehonderd ondertekenaars, waaronder onderwijsinstellingen, bedrijfsleven, overheid en sociale partners, zetten zich gezamenlijk in voor innovatie in onderwijs en arbeidsmarkt, met name op het gebied van technologische beroepen. Initiatieven in de regio worden op elkaar afgestemd, zodat bestaand potentieel optimaal wordt benut. Naast de ‘inspanningsbelofte’ bevat het akkoord ook zeven concrete actiepunten, zoals een verdubbeling van het aantal afstudeerders in technologische studies aan Fontys Hogescholen in 2025.

Een opvallend experiment waar Brainport Development afgelopen jaar mee aan de slag ging, is het onderling ‘overplaatsen’ van werknemers van zeven grote bedrijven, waaronder ASML en Philips Healthtech. Claassens: ‘Het project richt zich op medewerkers die aan het plafond van hun kennis zitten. Zij moeten er, in hun huidige functie, hard aan trekken om bij te blijven, terwijl ze expertise hebben die ook elders in de keten van techbedrijven waardevol is. Bedrijven kijken samen waar ze een plek kunnen vinden waar deze medewerkers beter tot hun recht komen en de kans hebben om verder te groeien.’ Niet promotie of demotie, maar ‘remotie’ wordt deze overstap genoemd, met één jaar lang de garantie van gelijkblijvend salaris. ‘We hopen dit jaar 25 mensen een nieuwe plek te geven.’

In het gesprek dat erop volgt, gaat het over de manier waarop bedrijven en onderwijsinstellingen in de huidige krappe markt kunnen zorgen voor voldoende goed geschoold personeel. Tanja Ruhof, adviseur Leren en Werken in de regio Rivierenland, stelt dat er een ‘open deuren dag’ zou moeten zijn, waarbij potentieel geïnteresseerden in allerlei sectoren een kijkje op de werkvloer kunnen nemen. ‘Zulke open dagen zijn er wel, maar vooral per sector. Iemand die bijvoorbeeld overweegt om van de zorg naar de techniek te gaan, weet niet hoe je dat moet aanpakken.’ Ingrid Wilthagen, werkzaam bij de provincie Limburg, wordt er meteen enthousiast van. ‘Dat zou weleens een heel goed idee voor onze regio kunnen zijn.’
Zo worden de hele middag goede voorbeelden – en visitekaartjes – met elkaar gedeeld. Als SER-voorzitter Mariëtte Hamer bij de plenaire afsluiting de aanwezigen vraagt wat ze morgen als eerste gaan doen, blijken heel wat gelegde contacten snel een vervolg te krijgen.
Minister Van Engelshoven

‘Veel energie en motivatie’

Minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs) toonde zich op de SER-bijeenkomst blij verrast door ‘de energie waarmee alle aanwezigen de beweging naar een positieve leercultuur in gang willen zetten’. De tijd is er volgens haar rijp voor. ‘We hebben de conjunctuur mee, waardoor ook bij werkgevers het gevoel van urgentie hoog is. Alle seinen staan op groen. De vraag moet niet zijn óf we ons leven lang blijven leren, maar hóe.’ Wat de kabinetsplannen zijn voor een positieve en duurzame leercultuur, staat in een brief die Van Engelshoven en haar collega Koolmees voor de zomer naar de Tweede Kamer sturen.

Minister Koolmees

‘Leren uit de sfeer van een “moetje” halen’

‘Als leren een ‘moetje’ blijft, gaan we die positieve leercultuur niet bereiken.’ Voor minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) ligt daarin een van de grootste uitdagingen: zorgen dat leren niet (alleen) als iets noodzakelijks, maar ook als iets plezierigs wordt beleefd. Daarnaast wordt het volgens hem nog een klus om een leven lang ontwikkelen verder te krijgen dan ‘het overlegcircuit waarin toch weer niets gebeurt omdat niemand zich eigenaar voelt van het probleem.’ Koolmees sprak de hoop uit dat de SER-bijeenkomst, waarin veel praktijkvoorbeelden werden gedeeld, daarin verandering brengt.