Samenwerken met robots: kunstmatige intelligentie verandert de arbeidsmarkt

Digitalisering gaat ons werk danig veranderen. En helemaal als kunstmatige intelligentie toeneemt: robots die zichzelf gaandeweg perfectioneren. Hoe gaan mensen en apparaten samenwerken op de werkvloer? Welk werk blijft er over voor mensen? Vragen die vele deskundigen en ook de SER bezighouden. Hoogleraar Peter-Paul Verbeek ziet vooral kansen.
Berber Bijma

Wat wordt de rol van de mens op de arbeidsmarkt als machines steeds meer taken beter kunnen uitvoeren dan mensen? Dat is de grote vraag nu kunstmatige intelligentie zich steeds verder ontwikkelt. Kunstmatige intelligentie zorgt ervoor dat machines zich steeds verder vervolmaken. Dat gebeurt op basis van algoritmes, een soort digitale stappenplannen die zichzelf voortdurend verbeteren op basis van de uitkomsten.

Vrijwel niemand verwacht dat de mens helemaal van de werkvloer gaat verdwijnen. Maar dat de arbeidsmarkt flink op de schop gaat, is duidelijk. De SER ging hier uitgebreid op in in het advies Mens en technologie: samen aan het werk (2016).

Peter-Paul Verbeek, hoogleraar Filosofie van Mens en Techniek aan de Universiteit Twente, houdt zich ook volop met het onderwerp bezig. Uit de onderzoeken van de afgelopen jaren concludeert hij dat de gevolgen van de opkomst van kunstmatige intelligentie niet precies te voorspellen zijn. ‘Maar het is ook weer niet puur koffiedik kijken. Er zijn allerlei methodes om de toekomst te voorspellen, bijvoorbeeld met scenariomodellen zoals klimaatwetenschappers die ook gebruiken. De wetenschap biedt mogelijkheden om ons anticiperend vermogen te structureren, relevante ontwikkelingen op te sporen en daarop in te spelen.’

Scholing

Van één ding is Verbeek 100 procent zeker: digitalisering en andere vormen van technologisering zorgen ervoor dat scholing een veel groter deel van ons werk gaat uitmaken. ‘Sommige onderzoekers verwachten dat we straks een kwart van onze werktijd bezig zijn om onze technologische kennis en vaardigheden op peil te houden.’

Volgens Verbeek krijgt het begrip ‘werk’ daardoor een andere betekenis. ‘Ons huidige beeld van werk vindt zijn oorsprong in de industriële revolutie, toen mensen massaal in fabrieken gingen werken. We hebben een heel economisch systeem gebouwd rond het idee dat werk een verplichte en niet per se aangename taak is, die je tegen betaling uitvoert. Door de digitale revolutie verandert werk in iets waar je zélf veel meer aan hebt, juist omdat scholing en ontwikkeling veel belangrijker worden. Dat vraagt om heel andere economische denkkaders, die we met z’n allen nog moeten ontwikkelen.’

Valkuilen

Natuurlijk zijn er valkuilen, weet Verbeek. Bijvoorbeeld het probleem dat mensen uitvallen. ‘Elk economisch systeem heeft als bijeffect dat er mensen zijn die niet in dat systeem passen. Dus is het van belang om mensen optimaal toe te rusten om wél een plek in dat systeem te vinden. In het geval van kunstmatige intelligentie betekent dat niet alleen technische scholing, maar ook: leren begrijpen wat technologie met ons doet. Dat is niet alleen iets voor hoogopgeleiden; technologische geletterdheid kan op alle niveaus ontwikkeld worden. Begrijpen dat feestfoto’s op sociale media bij sollicitaties tegen je kunnen werken, hoort er bijvoorbeeld ook bij.’

De verhoudingen op de werkvloer zijn al veranderd door digitalisering. ‘Er is minder hiërarchie. Studenten sturen bijvoorbeeld makkelijk een mailtje naar de rector. Daarnaast worden netwerken veel breder: ik doe onderzoeken samen met mensen op andere continenten op een manier die voorheen onmogelijk was.’

De invloed van kunstmatige intelligentie op de werkvloer reikt volgens hem nog vele malen verder. In bijvoorbeeld de rechtspraak en de gezondheidszorg is daarover al volop discussie. ‘Een algoritme kan heel snel alle jurisprudentie over een bepaald onderwerp analyseren. De vraag is: kan daar een goed vonnis uitkomen? Het is vast onpartijdig, maar wie is eigenlijk verantwoordelijk voor dat vonnis? Dat zijn duizelingwekkende vragen als je ze goed doordenkt.’

In de gezondheidszorg is al gebleken dat algoritmes menselijke taken soms sneller en beter kunnen uitvoeren. ‘Het Radboud UMC in Nijmegen heeft een algoritme dat kankercellen significant beter detecteert dan een patholoog. Wellicht krijgen zorgverleners door dergelijke toepassingen meer tijd voor de echt zorgende kant van hun werk: de interactie met de patiënt.’

Politieke agenda

Angst voor digitalisering en kunstmatige intelligentie is misschien begrijpelijk, maar weinig zinvol, stelt Verbeek. ‘Je kunt de angst omkeren door steeds te laten zien wat er op het spel staat en wat dus de uitdagingen zijn, ook op het gebied van leiderschap en interactie. Een algoritme kan categoriseren en wellicht coördineren. Maar een algoritme kan niet leiding geven, motiveren of zien waar mensen goed in zijn. Robots gaan de samenleving veranderen, maar niet per definitie overnemen. Dat doen ze pas als we er niet in slagen ze een goede plek te geven in menselijke praktijken met alle normen en waarden die daarbij horen.’

Leren begrijpen wat technologie met ons doet, is niet alleen iets voor hoogopgeleiden

De ontwikkelingen rond kunstmatige intelligentie worden volgens hem nog weinig expliciet doordacht door beleidsmakers en overheden. ‘Het zou heel mooi zijn geweest als in dit kabinet een minister of staatssecretaris voor digitale zaken zou zijn benoemd. Het onderwerp valt nu doorgaans onder Economische Zaken. Dat betekent dat digitalisering en kunstmatige intelligentie in de eerste plaats worden gezien als een motor om de economie aan te jagen, terwijl er zoveel andere relevante vragen zijn. Het is de taak van de overheid om te anticiperen op de impact van de digitale revolutie op de samenleving. Er moet beleid komen om ongewenste gevolgen op te vangen en mensen toe te rusten voor de veranderingen.’

Gidsland

Als de overheid ervoor kiest de omgang met digitalisering een belangrijk onderwerp te maken, kan Nederland volgens Verbeek hierin een gidsland worden. ‘Er is veel expertise in ons land. Alle drie technische universiteiten in Nederland hebben onderzoeksgroepen voor Filosofie en Techniek. Het Rathenau Instituut staat internationaal hoog aangeschreven. De infrastructuur en de kennis zijn er en het onderwerp is duidelijk van groot belang. Nu moet er nog beleid op worden gemaakt.’


Europees advies over kunstmatige intelligentie

Het Europese Economisch en Sociaal Comité (EESC), adviesorgaan voor Europese instellingen, heeft in 2017 een advies uitgebracht over kunstmatige intelligentie en de impact op de maatschappij. Catelijne Muller, EESC-lid en verbonden aan de Nederlandse vakcentrale VCP, stelde het advies op. De 350 EESC-leden vertegenwoordigen sociale partners en het maatschappelijk middenveld uit alle EU-lidstaten. ‘De ontwikkelingen op het gebied van kunstmatige intelligentie komen met name uit Amerika en China’, zegt Muller. ‘Europa is van oudsher het continent waar meer aandacht is voor fundamentele en ethische vragen. Europa kan dus juist de aanjager zijn van het kritische gesprek over de toepassingen van kunstmatige intelligentie. Het lijkt alsof technologische ontwikkelingen ons overkomen omdat we ze niet precies begrijpen. Maar we kunnen kiezen waar, wanneer en hoe we kunstmatige intelligentie inzetten.

Beleidsmakers, mensen met technische expertise, sociale partners maar ook mensen met ethische en filosofische expertise moeten daarvoor samen om tafel gaan. Dat gebeurt veel te weinig. Met een structurele dialoog kunnen we ontwikkelingen monitoren en bijsturen.’ Muller pleit ook voor gesprekken tussen werkgevers en werknemers op sectorniveau over de gevolgen van digitalisering. ‘Werk verandert inhoudelijk, de hoeveelheid werk verandert en de mate waarin iedereen mee kan blijven doen, verandert. Hoe dat precies uitpakt, verschilt per sector. Juist daarom moet het gesprek ook op dat niveau worden gevoerd. Met name in sectoren waar hogeropgeleiden en professionals werken, want kunstmatige intelligentie vervangt niet zozeer spierkracht, maar juist denkkracht.’ Het EESC-advies is te vinden op www.eesc.europa.eu, zoekterm ‘artificial intelligence’