Markt voor persoonlijke diensten biedt kansen

Hoe kunnen we in Nederland de markt voor persoonlijke dienstverlening ontwikkelen? Een internationale SERconferentie in Den Haag, medio april, had tot doel op die vraag een antwoord te krijgen.

Felix de Fijter

De directe aanleiding voor de bijeenkomst was het advies Een werkende combinatie, dat de SER in oktober vorig jaar presenteerde. Daarin stond dat ‘de markt voor persoonlijke dienstverlening’ verdieping nodig heeft. Wat zijn kansen? Wat zijn uitdagingen? In een toelichting op het advies zei SER-voorzitter Mariëtte Hamer in het SERmagazine dat er in deze tijd behoefte is aan persoonlijke diensten en dat het goed zou zijn om daar ook eens naar te kijken: ‘Klusjes thuis, boodschappendiensten, schoonmaken, de tuin vaker onderhouden. Daar ligt nieuwe werkgelegenheid.’

Rekensom

Tijdens de conferentie in april was Jean-François Lebrun uitgenodigd om uitleg te geven over de markt voor persoonlijke dienstverlening. Lebrun is werkzaam bij het departement Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie van de Europese Commissie en adviseur van de Franse overheid. Hij noemde voorbeelden uit andere Europese landen en ging met name in op de Franse aanpak.

Dat het om niet zomaar een klein marktsegment gaat, laat Lebrun zien met een rekensom. ‘Als je ervan uitgaat dat 10 miljoen volwassenen in Nederland per dag één minuut van hun nu nog onbetaalde werk uitbesteden – de zorg voor hun hulpbehoevende ouders bijvoorbeeld, dan heb je het over 38.000 voltijdsbanen.’ Uitbesteding kan dus volgens Lebrun werkgelegenheid creëren.

Vraag is natuurlijk waarom je de activiteiten zou willen uitbesteden. Volgens Lebrun kan dit rust geven in de volle weken van de moderne arbeidskracht. Veel mensen raken overwerkt of krijgen stress door het continu combineren van werken, zorgen en blijven leren. ‘Rollen en taken kunnen beter verdeeld worden als er wat taken van het to-do-lijstje afgaan.’

Ook denkt Lebrun dat de verdeling man-vrouw op de arbeidsmarkt kan verbeteren. Vrouwen besteden per dag gemiddeld twee keer zoveel tijd aan huishoudelijke taken dan mannen. ‘Als vrouwen minder tijd hoeven steken in het huishouden, kunnen ze zich toeleggen op werk waarvoor ze zijn opgeleid.’

Kansen

De Franse overheid gaf al in 1991 een sterke impuls aan de markt voor persoonlijke dienstverlening door voor particulieren een fiscale aftrek van 50 procent van de gemaakte kosten (salaris en sociale premies van de dienstverlener) in te voeren. Deze fiscale aftrek, die nog steeds van kracht is, werd in 2005 voor een breder scala aan diensten opengesteld. De regeling heeft ook geholpen om zwartwerk terug te dringen. Dit biedt ook in Nederland kansen.

Houd het systeem simpel en doeltreffend


Lebrun: ‘De Eurobarometer 2013 laat zien dat Nederlanders relatief veel gebruik maken van zwartwerkers. Zo’n 30 procent van de bevolking doet beroep op zwart schoonmaakwerk, tegenover het gemiddelde van 15 procent in Europa.’ Voor dat werk wordt volgens hem vaak een bovengemiddeld salaris betaald. Het is de vraag of dat zo blijft als bovenop dat nettoloon ook voor sociale voorzieningen moet worden betaald.

‘Wil je met de zwarte markt kunnen concurreren dan is de goede prijs in elk geval essentieel’, zegt Lebrun. Waar ‘wit’ duurder is dan ‘zwart’, zo blijkt elders in Europa, komt de markt voor persoonlijke dienstverlening moeilijk van de grond.

Om de lage prijs af te dwingen, denkt Lebrun, moet je als overheid niet alleen je beurs trekken, maar ook onderlinge concurrentie tussen aanbieders stimuleren. Online platforms, waarop de verschillende partijen hun diensten aanbieden, kunnen daarbij helpen.

Keuzes

Het Franse beleid maakt onderscheid tussen care en non-care. Care is bijvoorbeeld zorg voor een gehandicapt familielid, non-care is bijvoorbeeld een hondenuitlaatservice. Care wordt volgens Lebrun steviger gesubsidieerd dan non-care. ‘Maar een grens tussen beide is lastig te trekken. Het uitbesteden van huishoudelijke taken kan ook weer ruimte scheppen om zorgtaken uit te voeren.’

In Frankrijk werkt het systeem in elk geval zodanig dat de non-care de overheid bijna geen geld kost; uitgaven (subsidies) en belastinginkomsten heffen elkaar op. Het care-deel kost de staat wel geld, een kleine 3 miljard euro. ‘Maar dat is een keuze, je wilt immers een brede toegang tot de zorg waarborgen. Ook voor mensen aan de onderkant van de samenleving.’

Om ervoor te zorgen dat het systeem niet alleen de rijkere Nederlander helpt om wat lucht in z’n volle agenda te krijgen, maar ook aan de onderkant van de samenleving z’n werking heeft, is het belangrijk maatwerk te leveren, zegt Lebrun. Daar biedt het digitale tijdperk veel mogelijkheden voor.

‘Richt bijvoorbeeld voor elk huishouden een internetaccount in. Via dat account kan een burger z’n geld ontvangen, kan de overheid volgen wat er wordt uitgegeven en kan ook worden toegezien op de kwaliteit van dienstverlening. Is die gecertificeerd?

Nederland heeft de unieke gelegenheid om een volledig nieuw systeem op te bouwen


Zijn de gebruikers tevreden? Op die manier kan meteen een nadeel van het Franse systeem worden omzeild, want daar krijgen gebruikers hun toeslag pas een jaar na dato. De internetaccount biedt real time inzicht in de uitgaven van burgers. Dat kan dan meteen worden verrekend.’

Houd het simpel

Lebrun raadt Nederland aan de tijd te nemen om de markt voor persoonlijke dienstverlening goed in te richten. ‘Jullie hebben nu de unieke gelegenheid om een volledig nieuw systeem op te bouwen. Daarbij moet je out-of-the-box denken en heel goed kijken naar de digitale mogelijkheden en datgene wat al functioneert, bijvoorbeeld op het gebied van vrijwilligerswerk. Het is een valkuil om alles dicht te willen metselen.’ Zijn advies: ‘Steek meer energie in een simpel en doeltreffend systeem dan in een variant die zelfs de slimste fraudeur buiten de deur houdt, maar erg ingewikkeld is.’