SERmagazine

Kroonlid Nicolette van Gestel: ‘Niet wegkijken van kinderen in armoede’

Maar liefst 1 op de 9 Nederlandse kinderen leeft in armoede. De gevolgen daarvan kunnen een leven lang duren. Er is de laatste jaren veel gedaan om de effecten van armoede te compenseren, maar te weinig om de oorzaken aan te pakken, stelt het recent verschenen SER-advies over kinderen en armoede. Een gesprek met SER-commissievoorzitter Nicolette van Gestel.
Berber Bijma

In een Nederlandse schoolklas zitten gemiddeld twee arme kinderen. Het besteedbaar inkomen bij hen thuis is minder dan de ondergrens die het SCP hanteert: niet veel maar toereikend (zie kader: Armoede in cijfers). ‘Armoede is nooit helemaal weg te krijgen, maar dat 11 procent van de Nederlandse kinderen in armoede leeft, geeft aan dat armoede in ons land een fors probleem is’, constateert SER-kroonlid Nicolette van Gestel. Ze was voorzitter van de commissie die het SER-advies Opgroeien zonder armoede voorbereidde.

‘We kunnen niet wegkijken van kinderen in armoede. Armoede zou een tijdelijk verschijnsel moeten zijn, maar in de praktijk zit maar liefst een derde van de arme kinderen meer dan vier jaar in armoede. Hoe langer je onder de armoedegrens leeft, hoe moeilijker je daar weer bovenop komt.’

Welke kinderen lopen het grootste risico op armoede?

‘Er is een belangrijk onderscheid tussen de groep die in armoede zit en de groep die risico loopt. Van bijna 60 procent van de kinderen die onder de armoedegrens leven, heeft één of zelfs beide ouders werk. Werk is dus geen garantie om niet arm te zijn. Van die werkende ouders heeft iets meer dan de helf t inkomen uit loondienst, de anderen zijn zzp’ers of ondernemers.

Kinderen met werkende ouders zijn natuurlijk niet de belangrijkste risicogroep als het om armoede gaat, want in verreweg de meeste gevallen levert dat werk wél genoeg inkomen op. De belangrijkste risicofactoren zijn: ouders die leven van een uitkering, drie of meer kinderen hebben, een éénoudergezin vormen of van nietwesterse afkomst zijn.

Armoede ontstaat vaak door een stapeleffect. Na een scheiding of ontslag red je het in het begin nog wel, maar op een gegeven moment gaan dingen in huis kapot, komen er rekeningen, herinneringen, boetes.
Als je dan ook nog eens voorzieningen niet tijdig kunt vinden, wordt het op een bepaald moment te veel.’

Welk effect heeft armoede op kinderen?

‘Er zijn veel effecten, op korte en lange termijn. Je zou ze kunnen samenvatten als negatieve effecten op de voorwaarden voor de optimale ontwikkeling van talenten van kinderen. Er is bijvoorbeeld een negatief effect op de ontwikkeling van cognitieve vaardigheden van kinderen. Maar er zijn ook risico’s als sociale uitsluiting – niet mee kunnen op schooluitjes –, gezondheidseffecten, kortere levensverwachting, meer kans op kindermishandeling of jeugdcriminaliteit, lagere schoolprestaties en meer kans op armoede en sociale uitsluiting op volwassen leeftijd. Natuurlijk zie je al die effecten niet tegelijk bij alle kinderen in armoede, maar het risico is groter. Het gaat om serieuze zaken die je echt niet moet willen. Ouders hebben de primaire verantwoordelijkheid als het gaat om hun kinderen, maar als het niet lukt om uit de situatie te komen, hebben ze daar in het belang van hun kinderen hulp bij nodig.’

Het percentage kinderen dat in armoede leeft is al jarenlang vrij constant. Waarom lukt het maar niet het probleem aan te pakken?

‘De oorzaken van armoede zijn heel hardnekkig. In het beleid van de afgelopen jaren is veel aandacht geweest voor het compenseren van de effecten van armoede, minder voor een systematische aanpak van de oorzaken. Wij pleiten voor een betere effectiviteit van compenserende maatregelen, en tegelijk voor een meer structurele en systematische aanpak van de oorzaken van armoede. Je hoort staatssecretaris Jetta Klijnsma van Sociale Zaken regelmatig over het kindpakket dat veel gemeenten hebben. Dat is een prima compenserende maatregel, maar de sociale partners zeggen nu gezamenlijk: wij willen een stap verder gaan.

Wij pleiten voor een aanpak op drie sporen: werk en inkomen, inkomensondersteuning en schulden. Je kunt het inkomen naast de uitgavenlijstjes van het Nibud leggen. Als gezinnen een tekort hebben op hun budget, is er eigenlijk geen geld meer voor sociale participatie. Of het in de praktijk lukt om rond te komen, hangt niet alleen af van het inkomen, maar ook van de lasten. Beide hangen bovendien af van de regio waarin je woont; werk is in sommige regio’s moeilijker te vinden, inkomensniveaus verschillen en de huur is op de ene plek veel hoger dan op de andere. De verhouding tussen het besteedbaar inkomen en de lasten vraagt dus opnieuw aandacht. Dat is een belangrijke discussie, die verder gaat dan dit adviestraject, maar we signaleren wel dat het wringt.

Op het gebied van inkomensondersteuning zie je dat toeslagen als de zorg- en huurtoeslag nogal generiek en ongericht worden toegekend en deels ook weer worden teruggevorderd. Dat geld wordt dus gewoon rondgepompt. Ook gemeentelijke voorzieningen zijn vaak inkomensafhankelijk: zodra je iets of iets meer gaat verdienen, vervallen toeslagen en voorzieningen krijg je de ‘armoedeval’: mensen gaan er in eerste instantie op achteruit. Ons pleipleidooi is niet simpelweg om toeslagen of inkomensgrenzen te verhogen, maar om inkomensondersteuning effectiever te maken, bijvoorbeeld door te voorkomen dat mensen worden gestraft met vervallende toeslagen zodra ze iets gaan verdienen. Bovendien moeten regelingen worden vereenvoudigd en beter bekend worden gemaakt.’

Het afbetalen van schulden blijkt voor veel arme gezinnen ook een heikel punt te zijn.

‘Met betere schuldhulpverlening valt inderdaad nog veel winst te behalen. We hebben nu een regime – met de overheid in de top drie van schuldeisers – van boetes op boetes. De schuld loopt maar op. Dat is voor niemand functioneel: de schuldeiser krijgt dat geld toch niet, want het is er niet en voor de betreffende gezinnen levert het alleen maar stress op. Uit de gedragswetenschap weten we dat je in stresssituaties geen goede besluiten neemt. Als je met de zorgtoeslag de eerste schuldeiser aflost, kom je later toch weer in de problemen. Bovendien weten we dat belonen effectiever is dan straffen: goede stappen belonen met kwijtschelding van een deel van de schuld of met meer mogen bijverdienen, is beter dan straffen met boetes als het niet lukt. De schuldhulpverlening zou veel doelmatiger kunnen worden ingezet. Met meer aandacht voor het voorkómen van schulden en een intensievere begeleiding ná het afbetalen, om te voorkomen dat mensen terugvallen. In praktijk blijkt dat we vaak te snel denken dat ze het wel weer alleen kunnen.’

De SER pleit voor een armoederegisseur in iedere gemeente. Wat moet die doen?

‘Een belangrijke taak is om de werkende minima in beeld te krijgen. Gemeenten weten precies wie een bijstandsuitkering krijgt, vaak iets minder goed wie van het UWV een WW- of WIA-uitkering krijgt en nog minder goed welke inwoners te weinig inkomen uit werk halen. Die groep moet beter in beeld worden gebracht. Verder kan de armoederegisseur aanvraagprocedures, die vaak lastig en ingewikkeld zijn, verbeteren. En, heel belangrijk: de effectiviteit van gemeentelijk beleid monitoren. Hoe werken onze maatregelen tegen armoede eigenlijk uit? Die vraag stellen gemeenten zich veel te weinig.’

Welke rol kunnen scholen spelen?

‘Scholen zijn ontzettend belangrijk voor het signaleren van armoede. Op een basisschool hebben leerkrachten een kind een hele dag in de klas; op het voortgezet onderwijs hebben ze een mentor die ze veel spreken. Daardoor zijn leerkrachten vaak de eerste buitenstaanders die effecten van armoede bij minderjarige kinderen opmerken. Maar bij wie moeten ze dat melden of naar wie kunnen ze ouders doorverwijzen? Het is lang niet altijd duidelijk wie bij de gemeente verantwoordelijk is. Ook om die reden is de komst van een armoederegisseur belangrijk: de gemeente krijgt dan een gezicht bij scholen.

Een andere verantwoordelijkheid van scholen is om kinderen met geld te leren omgaan én om de schoolkosten beheersbaar te houden.

De Stichting Leergeld, die bijspringt als ouders schoolkosten niet kunnen betalen, en andere organisaties in het maatschappelijk middenveld verrichten uitstekend werk. Zonder hen waren de effecten van armoede onder kinderen zeker hoger geweest. Maar we moeten voorkomen dat de problemen van kinderen in armoede een kwestie van charitas worden: op het bordje van goede doelen komen. Ouders zijn primair verantwoordelijk, maar met hen heeft ook de overheid de verantwoordelijkheid om armoede onder kinderen aan te pakken.’


Armoede in cijfers

Er zijn verschillende definities van armoede. Het Sociaal en Cultureel Planbureau gaat uit van een besteedbaar inkomen onder het zogeheten niet-veelmaar-toereikendcriterium. Dat bedrag verschilt per gezinssituatie; voor een gezin met twee kinderen gaat het om 2000 euro per maand, voor een éénoudergezin met drie minderjarige kinderen om 1870 euro. In 2014 leefden 1,2 miljoen Nederlanders onder deze armoedegrens. Van hen zijn bijna 380.000 jonger dan achttien jaar. Zij vormen 11 procent van alle kinderen in Nederland.


Hoofdpunten SER-advies ‘Opgroeien zonder armoede’

De SER heeft het advies Opgroeien zonder armoede op 17 maart vastgesteld. Een aantal belangrijke aanbevelingen uit het advies zijn:

  • Er moet een kwantitatieve overheidsdoelstelling komen om het aantal arme kinderen jaarlijks met een bepaald percentage omlaag te brengen. Dat zorgt voor een stok achter de deur om goede bedoelingen waar te maken en stimuleert monitoring van de effectiviteit van beleid.
  • Met name kinderen van werkende minima moeten beter worden bereikt.
    Gemeente en maatschappelijk middenveld moeten goed op de hoogte zijn van elkaars aanbod, naar elkaar doorverwijzen en goede praktijken uitwisselen.
  • Scholen moeten alert(er) zijn op verborgen armoede bij kinderen en met gemeenten afspraken maken over signalering zodat beschikbare regelingen beter worden gebruikt.
  • Een gemeentelijke armoederegisseur kan zorgen voor lokale afstemming, een beter gebruik van regelingen, preventie, vroegsignalering en het monitoren van de effectiviteit van lokale maatregelen.
  • Arme kinderen moeten, onafhankelijk van hun woonplaats, kunnen rekenen op een basispakket (kindpakket) met compenserende maatregelen.
  • Rijk, gemeenten en maatschappelijk middenveld moeten samen inzicht krijgen in de effectiviteit van armoedebestrijding onder kinderen en hun beleid daarop aanpassen.