Nieuw kroonlid Henri de Groot: ‘Vertel het eerlijke verhaal’

Elke keuze is uiteindelijk een compromis, gebaseerd op een afweging van uiteenlopende belangen. De SER helpt door gezamenlijk de analyse te maken van wat nu echt het probleem is. Daar wil Henri de Groot, hoogleraar regionaal economische dynamiek, in december aangetreden als kroonlid, zich voor inzetten. ‘Vertel het eerlijke verhaal. Dat willen mensen weten en is voorwaarde voor vertrouwen.’
Corien Lambregtse

Uw leerstoel heet ‘regionaal economische dynamiek’. Wat houdt dat eigenlijk in?

‘Die naam heb ik zelf bedacht bij de instelling van mijn leerstoel aan de Vrije Universiteit Amsterdam in 2010. Ik heb een fascinatie voor alles wat te maken heeft met economische groei. En dan bedoel ik groei in de vorm van brede economische ontwikkeling gestoeld op het brede welvaartsbegrip; hetzelfde begrip als de SER hanteert. Ik vind het boeiend om na te denken over alles wat daarmee te maken heeft. Werkloosheid, duurzaamheid, technologie, regionale verschillen en een rechtvaardige inkomensverdeling. ‘Als je eenmaal begonnen bent daarover na te denken, is het moeilijk om nog ergens anders aan te denken’, zoals econoom en Nobelprijswinnnaar Robert Lucas ooit zei. Ik ben altijd op zoek naar de rol die technologie, cultuur en instituties spelen in dat economische proces en naar de verschillen tussen regio’s en landen die daaruit voortkomen.’

En verschillen tussen stad en platteland?

‘Zeker. Daar gaat het bijvoorbeeld over in het SER-advies Agenda Stad dat onlangs verscheen en binnenkort een vervolg krijgt. Je zou denken dat in een klein land als Nederland de verschillen tussen regio’s te verwaarlozen zijn, maar dat is niet zo. Er zit een factor 200 tussen de grondprijzen in de regio Oost-Groningen en in Amsterdam. En de lonen, hoezeer ook gebonden aan centrale onderhandelingen en cao’s, zijn toch ook sterk regionaal bepaald. In dichtbevolkte gebieden krijgen mensen voor hetzelfde werk 10 tot 15 procent meer betaald dan op het platteland.’

U bent dus iemand met een brede blik.

‘Ik ben inderdaad niet het type wetenschapper dat zich op een vierkante centimeter van zijn vakgebied wil concentreren. Ik wil graag verbanden zien en leggen. Dat past denk ik ook heel goed bij de werkwijze van de SER. De SER is met vele vraagstukken bezig die specialistische kennis vragen, maar er komt altijd een moment waarop prioriteiten moeten worden gesteld en keuzes tegen elkaar moeten worden afgewogen. Dat is wat mij in belangrijke mate drijft: op een doordachte manier keuzes maken, op grond van alle feiten en het hele verhaal.

Dit is bij uitstek relevant bij vraagstukken rondom economische groei. Economische groei betekent per definitie verandering. En verandering roept weerstand op, want er zijn gevestigde belangen en ook tegenstrijdige belangen. Economische groei staat bijvoorbeeld tot op zekere hoogte op gespannen voet met een schoon milieu. Een bedrijf als Shell heeft er belang bij om de olie die nog in de grond zit op te stoken en er geld mee te verdienen, terwijl we met z’n allen ook de CO2-uitstoot willen verlagen. En het topsectorenbeleid van de overheid heeft een risico in zich dat het, als je niet uitkijkt, leidt tot bestendiging van de gevestigde belangen.

Als je geen beroep op solidariteit durft
te doen, blijf je in een impasse steken


Dat soort tegenstellingen proberen we in de polder zichtbaar te maken en te adresseren, juist in het belang van de dynamiek en de brede welvaart. Het zit diep in de genen van onze cultuur om tot compromissen te komen en verschillen niet te groot te laten worden. Instituten als de SER spelen in dat proces een belangrijke rol.’

Kunnen economen helpen om tot de beste keuze te komen?

‘Helaas, er is geen eenduidig beste keuze die ongeacht tijd en plaats geldt. De wereld verandert voortdurend, normen en waarden veranderen mee. Als economen kunnen we alleen aangeven wat het meest efficiënt is en wat de verdelingseffecten zijn. Maar het is aan de politiek om te kijken waar het grootste draagvlak voor is.’

Over welk onderwerp maakt u zich zorgen?

‘Europa. Ik besef in toenemende mate dat het geen platitude is om te zeggen dat Europa ons zeventig jaar vrede heeft gebracht. Dat moeten we blijven beseffen. Die vrede is bereikt door ons te verbinden, door handen te binden.

Ik ben overtuigd van het welvaartspotentieel van vrij verkeer van goederen, diensten, mensen en kapitaal. Ik geloof ook in de baten die de Europese integratie met zich mee brengt. Tegelijkertijd moeten we realistisch zijn. Als de totale cake groter wordt, betekent dat niet automatisch dat iedereen daar gelijkelijk van profiteert. Om tot een redelijke verdeling te komen, is additioneel beleid nodig. Als die noodzaak niet duidelijk wordt benoemd, leidt dat tot afstand van de kiezer en komt de geloofwaardigheid van Europa in het geding.

Europa is altijd een gemeenschap van geven en nemen geweest. Door te geven, in elkaar te investeren, kan iedereen beter worden. Maar het geven komt steeds meer onder druk te staan. Als landen niet meer willen geven, betekent dat uiteindelijk het failliet van Europa. Ik heb hier al zorgen over sinds de invoering van de euro. Een gemeenschappelijke munt vraagt ook om gemeenschappelijk beleid. Op dat gebied hebben we te weinig meters gemaakt op het moment dat het kon. In de eerste jaren na de introductie van de euro hadden we economisch gezien de wind mee. Alles ging goed, een verdergaande afstemming van economisch beleid leek niet nodig. Nu de wind tegen zit, wordt het steeds duidelijker dat het Europese project alleen kan lukken als we stappen zetten richting een politieke unie. Tegelijkertijd lijkt de weerstand tegen Europa met de dag te groeien. Daar ligt een grote uitdaging.’

En hoe gaan we daaruit komen?

‘Dat is kijken in een glazen bol. We leven in een wereld waarin we moeten afruilen om tot betekenisvolle compromissen te kunnen komen. Er zijn op dit moment grote, structurele onevenwichtigheden binnen Europa. Er zijn landen waar de werkloosheid 25 procent is en onder jongeren zelfs 50 procent. Daar móéten we een oplossing voor vinden.

Die oplossing vraagt ook een zekere mate van solidariteit. Als je daar geen beroep op durft te doen, blijf je in een impasse steken. Wat mag het ons kosten, wat is het ons waard, daarover moet de discussie worden gevoerd. Dat is precies wat de SER probeert te doen: een tafel bieden waaraan die brede discussie plaatsvindt. Het is ontzettend belangrijk om alle feiten op tafel te leggen, gezamenlijk de analyse te maken wat nu echt het probleem is en op basis daarvan samen breed gedragen keuzes maken. Kortom: het eerlijke verhaal vertellen. Dat willen mensen weten.

Zoals Abraham Lincoln ooit zei: ‘You can fool all people some of the time, and some of the people all the time, but you cannot fool all the people all of the time.’ De structurele problemen van de Europese Unie kunnen niet alleen met monetaire maatregelen worden opgelost, daar zijn ook politieke maatregelen voor nodig.’


Wie is Henri de Groot?

Henri de Groot (1971) is hoogleraar regionaal economische dynamiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en is ook verbonden aan het Tinbergen Instituut en Ecorys. Hij studeerde economie aan de Universiteit van Tilburg, waar hij promoveerde op het onderwerp economische groei, werkloosheid en de sectorale samenstelling van de economie. Hij was betrokken bij diverse onderzoeksprojecten van onder meer de Europese Commissie, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en verschillende Nederlandse ministeries en gemeenten. Ook werkte hij samen met het Centraal Planbureau (CPB), onder meer op het gebied van klimaatverandering, Europese welvaartstaten, globalisering, en de studie Stad en Land.