SERmagazine

Nieuw kroonlid Claartje Bulten: ‘Bekijk bestuurder met nuance’

Haar rechtenstudie vond ze vanaf de eerste dag ‘waanzinnig interessant’. Claartje Bulten, hoogleraar ondernemingsrecht en sinds juni SERkroonlid, heeft erdoor geleerd nuances te zien. Of het nu gaat om bonussen voor bestuurders of om wanbeleid dat organisaties in gevaar brengt; er zitten altijd meerdere kanten aan een verhaal.
Berber Bijma

Claartje Bulten kan oprecht genieten van een uitspraak van de Hoge Raad of de Ondernemingskamer, erkent ze met enige gêne. Maar ze meent het: als het recht zich een stap verder heeft ontwikkeld, als een uitspraak mooi helder is verwoord of juist niet, als zij er op mag reageren – heerlijk. Ze werd voor geneeskunde uitgeloot. Dat was eigenlijk de enige reden om rechten te gaan studeren. ‘Maar vanaf dag één bleek ik het waanzinnig interessant te vinden. Ons juridische systeem is een heel fascinerend stelsel, waarvan sommige onderdelen nog uit de Romeinse tijd stammen. In mijn vakgebied, het ondernemingsrecht, komen het recht en de praktijk op een hele mooie manier samen. BV’s en NV’s zijn rechtspersonen, geen personen die buiten op straat lopen. Toch kan een Nederlandse BV wel in Duitsland zakendoen. Prachtig toch, dat we zoiets met elkaar hebben bedacht? Oud SER-kroonlid Wim van der Grinten drukte het mooi uit: ‘Een rechtspersoon is een vondst van het recht’. Dat klinkt heel treffend positief, want we hebben natuurlijk liever een vondst dan bijvoorbeeld een constructie.’

Wat fascineert u aan het ondernemingsrecht?

‘Uiteindelijk leeft zo’n BV – of een andere rechtsvorm – natuurlijk wel door de mensen die er werken en erbij betrokken zijn: de werknemers, de bestuurders, de aandeelhouders, de commissarissen. Hun onderlinge verhoudingen zijn grotendeels geregeld in de wet, maar ook voor een deel niet. Naast wettelijke bepalingen heb je altijd ongeschreven regels, gedragsnormen over hoe we met elkaar om horen te gaan. Het krachtenveld binnen zo’n rechtspersoon en hoe de mensen van de praktijk en de juristen daarover denken, vind ik boeiend.Daarnaast is het mooi om te zien dat het recht voortdurend in beweging is. Ons huidige ondernemingsrecht is op veel punten niet meer hetzelfde als tweehonderd jaar geleden. We proberen met onze tijd mee te gaan, maar tegelijk moet het juridische systeem natuurlijk honderd procent solide en betrouwbaar blijven. Ook daar zit een mooi spanningsveld.’

Wat brengt u als ondernemingsrechtdeskundige in bij de SER?

‘Het ondernemingsrecht is niet de core business van de SER en andersom zijn sociaaleconomische onderwerpen niet mijn core business. Maar raakvlakken zijn er wel degelijk, vooral waar het gaat om onderwerpen waarin arbeidsrecht en ondernemingsrecht elkaar raken. Denk aan medezeggenschap of beloningen van bestuurders. Wat verder typisch bij de SER hoort, is de structuurregeling, naar mijn idee een van de mooiste regelingen uit het Nederlands recht, ook wel het ‘Wonder uit Den Haag’ genoemd. Maar wel een regeling die razend ingewikkeld is – mijn studenten gaan soms bijna huilen als ik ze de nuances probeer uit te leggen.

Het is mooi om te zien dat het recht voortdurend in beweging is


In de structuurregeling, grotendeels bedacht door de SER onder het commissievoorzitterschap van diezelfde Wim van der Grinten eind jaren zestig, is geregeld dat binnen ondernemingen van een bepaalde omvang niet alleen de aandeelhouders het voor het zeggen hebben, maar dat ook de werknemers een stem hebben. Die stem klinkt uiteraard via de ondernemingsraad, maar ook door de invloed op de samenstelling van de Raad van Commissarissen.

Misschien moeten we terug naar de kern van de
EU: nooit meer honger en nooit meer oorlog

Daarmee is gewaarborgd dat de commissarissen zich niet alleen richten naar de belangen van de aandeelhouders en de directie, maar ook oog hebben voor het belang van werknemers. Een prachtige regeling, die wij alleen in Nederland hebben. Landen als Engeland en de Verenigde Staten, waar aandeelhouders het voor het zeggen hebben, vinden het maar een vreemd regime.

De structuurregeling is op dit moment bij mijn weten geen onderwerp van discussie, maar als er verder over wordt gesproken, dan is de SER daarvoor het aangewezen platform en draag ik graag bij aan die discussie.’

Een ander onderwerp op uw vakgebied is wél onderwerp van discussie: de inkomens van topbestuurders.

‘De bepaling over de bonussen van bestuurders staat in Boek 2 van ons Burgerlijk Wetboek, een plaats waar het naar mijn idee niet thuishoort. Naast een juridische onzuivere vind ik het ook een politiek gekleurde bepaling. Het zijn private bedrijven waar mensen zulke hoge bonussen krijgen, geen overheidsinstellingen.

De afstand tussen de burgers en de EU is te groot geworden

Los daarvan vind ik het nogal makkelijk gezegd: die of die verdient te veel. Als iemand een bepaald bedrag vraagt en de onderneming is bereid hem dat te geven, waarom zou ik daar dan iets van vinden? Dat is nogal belerend. Stel dat er nu, na de Brexit, Britse banken naar Nederland willen komen. Gaan wij hen dan onze bonusregels opleggen, die strenger zijn dan zowel de Britse als de Europese regels voor bonussen? Zoals het nu geregeld is, is het antwoord ja, maar ik vind dat je daar nog eens genuanceerd naar moet kijken.

Iets anders is dat er naar mijn idee wel een relatie zou kunnen zijn tussen het hoogste en het laagste salaris binnen een bedrijf, en dan bedoel ik niet een factor 150 maar bijvoorbeeld een factor 12. Mijn ideaalbeeld voor een bedrijf is dat wanneer de topman meer gaat verdienen, de mensen met het laagste salaris meeprofiteren doordat hun salaris verhoudingsgewijs evenveel stijgt. Maar ik vind niet dat het primair aan de wetgever is om zo’n factor op te leggen aan het bedrijfsleven.

In de discussie over topsalarissen moeten we niet vergeten dat deze topmensen ook de eersten zijn die eruit vliegen als het misgaat, al zullen er zeker bij een faillissement ontslagen op alle niveaus volgen. Naar aanleiding van het faillissement van zorgorganisatie Meavita wordt nu gekeken naar de mogelijkheid om bestuurders met hun privévermogen aansprakelijk te stellen voor de tekorten of de schulden van Meavita. Met het aansprakelijk achten van bestuurders in het algemeen, moet je heel voorzichtig zijn, vind ik. Soms heeft een bestuurder misschien regelrecht gefraudeerd, maar vaak spelen er meerdere factoren. Achteraf oordelen, met de wetenschap dat het is misgegaan, is dan nogal makkelijk. Het had ook goed kunnen gaan. Gelukkig zegt de rechter steeds vaker: kijk naar de omstandigheden waarin de besluiten zijn genomen.’

Wat ziet u verder als een belangrijke uitdaging voor de huidige tijd?

‘Over Europa maak ik me echt zorgen. De afstand tussen de burgers en de EU is te groot geworden. Burgers kunnen niet meer begrijpen wat de EU allemaal voor goeds heeft gedaan. Het zou mooi zijn als meer mensen zich weer gaan realiseren dat we mét EU beter af zijn dan zonder.

Misschien moet Europa zichzelf wel opnieuw uitvinden. De Europese eenwording is ooit ontstaan vanuit twee gedachten: nooit meer honger en nooit meer oorlog. Eigenlijk zouden we terug moeten naar die kern en vandaaruit opnieuw beginnen. Maar dat is wellicht weinig realistisch. Europa is misschien wel een trein die niet meer te stoppen is. Maar laten we er dan in ieder geval voor zorgen dat burgers weer ín die trein willen zitten, in plaats van aan de noodrem gaan hangen.’


Wie is Claartje Bulten?

Claartje Bulten (1975) is hoogleraar Ondernemingsrecht aan de Radboud Universiteit (RU) in Nijmegen en sinds juni SER-kroonlid. Haar onderzoek richt zich op ondernemingsrechtelijke geschilbeslechting en rechtspersonen- en vennootschapsrecht. Ze doceert Ondernemingsrecht aan de RU en is daarnaast lid van de kernredactie van het tijdschrift Jurisprudentie Onderneming & Recht.

 


SERmagazine september 2016