SERmagazine

Nieuw kroonlid Albert van der Horst (CPB): cijfers, modellen en visie

De SER maakt voor zijn adviezen gebruik van de deskundigheid van het Centraal Planbureau (CPB). Albert van der Horst, hoofd van de sector Macro-economische Analyse van het CPB, is sinds 1 april plaatsvervangend kroonlid. Een gesprek over cijfers, modellen en visie. ‘Het CPB is van de analyses, niet van de adviezen aan de regering.’
Dorine van Kesteren

Albert van der Horst formuleert bedachtzaam en weloverwogen. Na achttien jaar zit het CPB in zijn bloed, lijkt het wel. Het was zijn eerste baan en hij is nooit meer weggegaan. Lachend: ‘Ik heb weleens pogingen ondernomen om te vertrekken, maar het is me nog nooit gelukt. Altijd kwam er hier wel weer een interessante klus voorbij.’ Zijn carrièrepad begon bij de sector Macro-economische Analyse van het planbureau, voerde langs Europa, vennootschapsbelasting, vergrijzing en stijgende zorgkosten, om in 2013 weer een voorlopige stop te maken bij de sector Macro-economische Analyse. Sindsdien is hij hoofd van de afdeling die de verkiezingsprogramma’s en het regeerakkoord doorrekent en ieder kwartaal de ramingen voor de Nederlandse economie maakt. ‘Daarnaast doen we onderzoek. Bijvoorbeeld naar de gevolgen van het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank voor de Nederlandse economie, of de vermogensontwikkeling van de huishoudens in Nederland. Dit doen we deels op eigen initiatief, deels in opdracht van ministeries en de Europese Commissie.’

Van der Horst studeerde econometrie. Hij was goed met cijfers en verbond die al vroeg met de wereld om hem heen. ‘Al tijdens mijn studie ging ik steeds meer richting de macro-economie, omdat ik de econometrie wat al te abstract vond.’

Het CPB krijgt nog weleens de kritiek dat de dominantie van jullie modellen leidt tot visieloze politiek. Hoe kijkt u daar tegenaan?

‘Ons cijfermateriaal is slechts één kant van de zaak, voor de brede politieke afweging is meer nodig. Met onze doorrekening van de verkiezingsprogramma’s en het regeerakkoord beogen wij een bijdrage te leveren aan het maatschappelijke en politieke debat. Maar daarbij onthouden wij ons van adviezen en waardeoordelen. Wij reiken enkel opties en gevolgen aan. Bijvoorbeeld: wat zijn de gevolgen van maatregel A, B en C voor de economische groei, de werkgelegenheid en de loonontwikkeling? De uiteindelijke beslissing is aan de politiek, en in SER-verband aan de werkgevers en werknemers.
Daarbij komen ook een heleboel andere argumenten aan de orde, want politiek gaat over meer dan cijfers, feiten en economie.’

Ook gelezen: in Nederland wordt geen economische beslissing genomen zonder dat het CPB eraan te pas komt. Is jullie invloed te groot?

‘Dat is overdreven. Het CPB is geen adviseur van de regering, maar een onafhankelijk, objectief rekeninstituut. Om een concreet voorbeeld te noemen: voor investeringsbeslissingen in infrastructurele projecten zijn kostenbatenanalyses verplicht, maar niet iedere negatieve kostenbatenanalyse leidt tot een “nee”, en vice versa. De Betuwelijn bijvoorbeeld kwam niet goed uit de analyse – en die is toch aangelegd.’

Houdt het CPB politici netjes? In die zin dat ze het geld niet over de balk smijten?

‘Natuurlijk spelen onze analyses een belangrijke rol bij de uitkomst van de politieke besluitvorming. Maar het is inmiddels ook wel ingebakken in onze politieke cultuur dat als je ergens méér geld aan wilt uitgeven dan begroot, je meteen moet aangeven waar dat geld dan vandaan moet komen.’

Het CPB heeft sinds kort ook een speciale Europese taak, omdat het is aangewezen als ‘National Productivity Board’.

‘In alle OESO-landen is sprake van een neergang in productiviteitsgroei. Ook in Nederland vertraagt de structurele groei. Dit was voor de Europese Commis6 sie aanleiding om in elk euroland een nationaal comité voor de productiviteit op te richten. Dit is een organisatie die de productiviteit in een land onderzoekt en daarover publiceert. Het achterliggende doel is om ervoor te zorgen dat er in de lidstaten meer kennisoverdracht plaatsvindt tussen onderzoeksinstellingen en beleidsmakers. Zodat het productiviteitsbeleid wordt gebaseerd op wetenschappelijke inzichten. Daarmee zijn we in Nederland al behoorlijk ver, maar het kan altijd nog beter.’

We moeten goed voor ogen houden hoe waardevol gezamenlijke oplossingen zijn

Hoe komt het dat de productiviteit daalt?

‘Dat zijn we nu aan het onderzoeken. Het gaat om de productiviteit van alle Nederlanders tezamen. Een hypothese is dat er geen goede kennisoverdracht is tussen “koplopers” – snelgroeiende, hoogproductieve bedrijven – en “volgers” in het bedrijfsleven. Dat hebben we onderzocht en dat blijkt niet het geval. In Nederland is er namelijk geen statische groep koplopers en volgers; bedrijven wisselen juist voortdurend van rol. Nu gaan we de volgende mogelijke verklaring onderzoeken: is er misschien te weinig concurrentie tussen bedrijven? In een weinig competitieve markt kunnen bedrijven immers winst maken zonder al te veel inspanningen. In een markt met veel concurrentie daarentegen moeten zij wel innovatief en productief zijn.’

Het gaat economisch toch juist goed in Nederland?

‘Zeker, de economie groeit en bloeit op het moment. Maar de dalende productiviteit is een langetermijntrend. En als de productiviteit over een periode van twintig, dertig jaar een half procentpunt lager is, zie je dat terug in de totale welvaart.’

Hoe kijkt u naar de SER?

‘De SER is een belangrijk instituut in ons land. Niet voor niets vraagt de regering vaak expliciet advies in moeilijke dossiers om een doorbraak te forceren. De kracht van de SER is om draagvlak te combineren met een stevige, inhoudelijke kennisbasis. Aan de andere kant blijkt het lastig om vooruitgang te boeken op bepaalde onderwerpen, zoals de pensioendiscussie. We moeten goed voor ogen houden hoe waardevol gezamenlijke oplossingen zijn. Sterker nog, zulke oplossingen zijn onmisbaar in onze partijpolitieke verhoudingen. Hier regeren altijd coalities, moeten compromissen worden gevonden en kan niemand zijn eigen zin doordrijven. En dat is maar goed ook.’

Wat gaat u persoonlijk bijdragen als kroonlid?

‘Mijn taak is om de CPB-deskundigheid in te brengen in de SER, in eerste instantie in dossiers die raken aan “mijn” beleidsterreinen. Bijvoorbeeld bij adviesaanvragen waarin de conjunctuurgevoeligheid van de Nederlandse economie aan de orde komt. Waar komen economische schokken terecht – bijvoorbeeld bij werkgevers, kapitaalverschaffers of de flexibele schil? – en hoe kunnen we die schokken dempen? En ook bij vraagstukken rond het groeivermogen van onze economie. Hoe kunnen we zo productief mogelijk zijn en daarbij zo min mogelijk fossiele energie verbruiken? Ik ben benieuwd en ik kijk ernaar uit!’

U bent nu adviseur van de regering in de SER én onafhankelijke, objectieve rekenaar bij het CPB. Is dat een spanningsveld?

‘Het is de taak van Laura van Geest (directeur van het CPB en kroonlid uit hoofde van haar functie, red.) en mij om de advisering van de SER over het sociaal-economisch beleid te voorzien van de CPB-invalshoek. Wij zijn ons ervan bewust dat de echte onderhandelingen vervolgens plaatsvinden tussen de werkgevers en werknemers. Ook zijn wij er alert op dat de adviezen die de SER uitbrengt, niet indruisen tegen onze economische analyses.’

Vermoedelijk leidt u een druk leven. Hoe ontspant u zich?

‘Door hard te lopen. Heerlijk, het verzet de zinnen en maakt mijn hoofd leeg. En door tijd en aandacht te besteden aan mijn gezin. Ik ben bijvoorbeeld coach van het voetbalteam van mijn zoon, de B3 van Be Fair.’


Albert van der Horst

Albert van der Horst (1972) studeerde econometrie aan de Universiteit van Groningen. Hij promoveerde in 2003 aan de Universiteit van Amsterdam op het onderwerp ‘optimaal overheidsbeleid’. Sinds 2000 werkt hij bij het CPB. Sinds 2013 is hij hoofd van de sector Macro-economische Analyse. In die hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor de (inter)nationale macro-economische ramingen en macro-economisch onderzoek. Van der Horst is getrouwd en heeft vier kinderen.