De opbrengst van tien jaar Flexwet
De Wet Flexibiliteit en Zekerheid maakte Nederland in 1999 tot een ‘voorbeeldland in Europa’. De afkorting tot ‘Flexwet’ lijkt veelzeggend, blijkt uit het proefschrift van Hester Houwing. In de praktijk komt er volgens haar meer terecht van de flexibiliteit dan van de zekerheid. Uitzendkrachten hebben baat bij de wet, maar tijdelijke werknemers nauwelijks.
Berber Bijma
De Europese Commissie zag in de Flexwet van 1999 aanleiding om Nederland een voorbeeldland te noemen. Nederland is volgens de commissie een van de vijf Europese landen met een goede regeling voor flexicurity: de balans tussen flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt. Met name voor uitzendkrachten was die nieuwe balans nodig; hun werk kende tot dan toe veel flexibiliteit, maar weinig zekerheid. De regelingen in de Flexwet zijn ‘driekwart dwingend’. Dat wil zeggen dat de wet de kaders stelt voor cao-onderhandelingen, maar dat werkgevers en werknemers aan de onderhandelingstafel samen kunnen besluiten een uitzondering op de wet te maken. In haar proefschrift A Dutch Approach to Flexicurity?, waarop ze afgelopen maand promoveerde, analyseert Hester Houwing hoe de Flexwet de afgelopen tien jaar in de praktijk heeft gewerkt voor tijdelijke werknemers en uitzendkrachten. Die laatste groep is er met de Flexwet enigszins op vooruitgegaan, concludeert ze. Uitzendkrachten kunnen na verloop van tijd aanspraak maken op een scholingsfonds en bouwen pensioen op. Toch zijn in een groot aantal cao’s, waaronder de eigen cao van de uitzendbranche, de bepalingen voor tijdelijke aanstellingen flexibeler geworden dan de Flexwet voorstond. Uitzendkrachten hoeven bijvoorbeeld niet na 26 weken uitzendwerk een tijdelijk contract aangeboden te krijgen, maar pas na 78 of 130 weken. Voor tijdelijke werknemers zijn de zekerheden door de Flexwet eerder af- dan toegenomen. Mochten zij bijvoorbeeld eerst maar één tijdelijk contract hebben, door de Flexwet zijn dat er drie geworden. Pas daarna hoeft de werkgever een vast contract aan te bieden.
Doorgeschoten Werkgevers en vakbonden hebben de mogelijkheden voor flexibiliteit die de Flexwet biedt en de ruimte om uitzonderingen te maken, goed benut. ‘In het merendeel van de twaalf sectoren die ik heb onderzocht, wordt de vrije ruimte die de Flexwet biedt, gebruikt om in de cao meer flexibiliteit te regelen dan de wet zelf doet’, zegt Hester Houwing. ‘De balans is naar één kant doorgeschoten. Tegenover meer flexibiliteit hebben tijdelijke werknemers in het merendeel van de onderzochte sectoren niet meer zekerheid gekregen, in tegenstelling tot uitzendkrachten. Tijdelijk werk blijkt vooral afhankelijk van de conjunctuur. Als er veel vraag is naar jouw soort werk, zit je goed. Bij laagconjunctuur vlieg je er als eerste uit.’ Weinig of geen baanzekerheid is tot op zekere hoogte inherent aan tijdelijk werk. Inzetten op een soort ‘ontslagbescherming’ van tijdelijke krachten heeft dan ook weinig zin, oordeelt Hester Houwing. ‘Het zou beter zijn om te streven naar meer rechten in de periode dat ze in dienst zijn. Daardoor zijn ze minder kwetsbaar op het moment dat ze ander werk moeten zoeken. Tijdelijke werknemers hebben nu vaak weinig scholingsmogelijkheden en weinig medezeggenschap bij het bedrijf waar ze werken. Die rechten kunnen verbeterd worden.’
Onderhandelingen ‘Dat lijkt me dan een onderwerp voor de cao-onderhandelingen’, reageert Maurice Rojer, beleidsmedewerker bij werkgeversorganisatie AWVN en specialist op het gebied van cao-ontwikkelingen. Hij kan niet zonder meer meegaan in de conclusie dat de balans tussen flexibiliteit en zekerheid is doorgeschoten in de richting van meer flexibiliteit. ‘Op de totale arbeidsmarkt is de afgelopen jaren een tendens geweest in de richting van meer flexibiliteit. Niet alleen voor tijdelijke krachten, maar ook voor vaste werknemers en zeker niet in het nadeel van die beide groepen. Werknemers willen zelf ook graag flexibiliteit, bijvoorbeeld om werk en privé te kunnen combineren.’ Weliswaar gaat het om verschillende soorten flexibiliteit, maar uiteindelijk maken al die soorten deel uit van dezelfde flexibiliseringstendens, zegt Rojer.
Hij benadrukt bovendien dat uit het onderzoek van Houwing blijkt dat in de helft van de onderzochte sectoren er meer flexibiliteit in de cao is geregeld dan de Flexwet aangeeft – en in de andere helft dus niet. ‘Er zijn dus ook nog verscheidene sectoren waar zekerheid voor tijdelijke werknemers een grote rol speelt bij de cao-onderhandelingen.’ Hester Houwing stelt in haar proefschrift dat de kracht van vakbonden kleiner is dan verwacht bij het onderhandelen over de rechten van tijdelijke werknemers. De balans tussen flexibiliteit en zekerheid in een cao blijkt vooral samen te hangen met de economische situatie en de marktwerking in de sector.
Rojer heeft de indruk dat dit in de praktijk meevalt. ‘Het verschilt per sector. Er zijn ook sectoren waar de vakbond een sterke positie heeft tijdens de onderhandelingen, ook met het oog op de stakingskracht van werknemers. Maar uiteindelijk zijn alle onderhandelingen gebaseerd op enigerlei vorm van uitruil. Als werknemers al iets inleveren op zekerheid, krijgen ze er altijd wel iets voor terug.’ Daarnaast speelt er volgens hem nog iets anders: ‘Vakbonden behartigen bepaald niet alleen de belangen van tijdelijke werknemers. Het grootste deel van hun achterban bestaat uit vaste werknemers. Er zijn cao’s waarin vakbonden een maximumpercentage hebben uitonderhandeld voor tijdelijke werknemers en uitzendkrachten die mogen worden ingeschakeld.’
Outsiders Hester Houwing spreekt uit eigen ervaring: ze heeft zelf een tijdelijk contract als beleidsmedewerker bij de SER en daarvoor bij de Universiteit van Amsterdam en de Univeristeit van Tilburg. ‘Het verschil met veel andere sectoren is dat tijdelijke contracten op universiteiten vaak een paar jaar duren in plaats van een paar maanden, en dat het aantal werknemers met een tijdelijk contract groot is. Daardoor voelt een universiteitsmedewerker met een tijdelijke baan zich een gewone werknemer, terwijl tijdelijke werknemers zich in sectoren waar vaste aanstellingen de norm zijn, vaak outsiders voelen.’ Pas als een substantieel deel van de werknemers een tijdelijk contract heeft, komt de ‘normalisering’ van tijdelijk werk in zicht, die de makers van de Flexwet voor ogen stond. ‘Als we de arbeidsmarkt écht willen hervormen en flexibeler willen maken, moeten de verschillen tussen vaste en tijdelijke krachten zo klein mogelijk worden, zodat tijdelijk werk geen tweede keus is.’