Fusiecode beschermt werknemers
Bedrijven die willen fuseren, moeten dat vroegtijdig melden bij de SER. Sinds 1970 is de SER opsteller en bewaker van de Fusiegedragsregels. Werknemers of bedrijven die vinden dat de fusiecode niet wordt nageleefd, kunnen bij de SER aan de bel trekken. De SER doet onderzoek en stelt misstanden publiekelijk aan de kaak.
Elke van Riel
De overnamestrijd om scheepswerf Wilton-Feijenoord- Bronswerk (Wilton) was de directe aanleiding. In september 1968 voerden de Verenigde Machinefabrieken Stork-Werkspoor (Stork) en Rijn-Schelde een keiharde overnamestrijd door elkaar beurtelings te overtroeven in hun bod op de aandelen Wilton.
De strijd werd pas beslist toen de partijen onderling regelden dat Rijn-Schelde de zeepoot kreeg en Stork de landpoot. Deze titanenstrijd leidde tot een luide roep om een gedragscode bij fusies en overnames. Want deze fusie was niet de enige. Door de sterk groeiende economie nam eind jaren zestig het aantal fusies en overnames in het Nederlandse bedrijfsleven toe en de strijdmethoden en openbare biedingen werden steeds harder. De roep om een gedragscode werd nog versterkt door de democratiseringsgolf die in de jaren zestig door de samenleving wervelde. Werknemers streefden naar medezeggenschap. Dat was voor toenmalig minister van Justitie, mr. Carel Polak, aanleiding om de SER in oktober 1968 te vragen een advies te schrijven over de wenselijkheid van fusiegedragsregels. De SER stelde daarop een commissie in, voorgezeten door de Nijmeegse hoogleraar rechten, KVP-politicus en SER-kroonlid Wim van der Grinten. Hij kwam op 30 januari 1970 met een unaniem advies. Nadat ook de regering ermee had ingestemd, werden de Fusiegedragsregels, ook wel de ‘Fusiecode’ genoemd, van kracht op 19 juni 1970.
De fusiecode verplicht ondernemingen en organisaties in de marktsector die willen fuseren of een overname willen doen, dit te melden aan de betrokken vakorganisaties en aan de SER. Dit moet gebeuren op een moment dat de vakorganisaties nog invloed kunnen uitoefenen op het wel of niet tot stand komen van de fusie. De gedragsregels bestaan uit concrete voorschriften om de belangen van de werknemers in een fusieproces te beschermen.
Zelfregulering De code geldt alleen voor het in de SER vertegenwoordigde bedrijfsleven en dus niet voor de non-profitsector, de vrije beroepen en de overheid. De gedragsregels missen een wettelijke grondslag, maar zijn een – met instemming van de overheid tot stand gekomen – vorm van zelfregulering. Hiervoor is gekozen omdat gedragsregels veel sneller te realiseren en aan te passen zijn dan een wettelijke regeling. En juist snelheid was destijds geboden, vanwege de verwachte sterke toename van het aantal fusies.
De Commissie voor Fusieaangelegenheden van de SER kreeg een actieve opsporingstaak en de bevoegdheid om duidelijk gebleken overtredingen openbaar te maken. De SER hoopte en verwachtte dat dit een sterk preventieve werking zou hebben. En zo werkte het ook. In maart 1970 wilde Philips de Nederlandse Kabelfabriek (NKF) overnemen. Dat leidde in de Tweede Kamer tot vragen over de handelwijze van Philips en specifiek over de rol van SER-voorzitter Jan-Willem de Pous in de fusieplannen. De vraag was of Philips in strijd had gehandeld met de Fusiecode, aangezien De Pous commissaris was bij beide bedrijven. ‘Acht de minister de positie van de voorzitter van de SER niet geschaad, als deze in andere functies als commissaris van een onderneming onderwerp van kritiek is ten aanzien van de toepassing van fusieregels, waartoe de SER met unanimiteit heeft besloten?’, zo werd gevraagd in de Tweede Kamer. Het antwoord luidde dat De Pous concrete stappen had gedaan om naleving van de fusieregels van de SER te bevorderen, wat voor de meerderheid van de Tweede Kamer een voldoende bevredigend antwoord was. Begin 1974 rapporteerde de commissie over haar ervaringen in de eerste drie jaar. In die periode werden maar liefst 1745 zaken behandeld. In 131 gevallen constateerde de commissie een overtreding van de gedragsregels. Zo leidde het niet naleven van de fusiegedragsregels soms tot een collectief ontslag van werknemers. Het kwam tot vier openbare berispingen en één openbare kennisgeving.
Werknemersbelangen De fusiecode is verschillende malen herzien. In 1996 bracht de SER het advies
Herziening van de fusiecode uit, toen in de jaren negentig bleek dat steeds meer fusies een internationaal en juridisch complex karakter kregen. Dit advies leidde tot een wijziging van de Fusiegedragsregels in 2000. De regels ter bescherming van de belangen van aandeelhouders gingen over naar de Wet toezicht effectenverkeer (Wte), en per 1 januari 2007 naar de Wet op het financieel toezicht (Wft). Sinds 5 september 2001 houdt de Autoriteit Financiële Markten (AFM) toezicht op de regels inzake openbare biedingen. Dit betekent dat de Fusiegedragsregels van de SER alleen nog de werknemersbelangen bewaken. De Commissie van Fusieaangelegenheden werd vervangen door een Geschillencommissie Fusiegedragsregels. Deze behandelt tot op de dag van vandaag, op verzoek van een bij een fusie betrokken partij of werknemersorganisatie, geschillen over de naleving van de fusiegedragsregels.
Het aantal fusies en overnames heeft juist dit jaar een dieptepunt bereikt. In het eerste kwartaal van 2010 kwamen bij de SER slechts 65 meldingen van fusies en overnames binnen. Over het gehele jaar 2009 waren dit er maar 335, tegenover gemiddeld 560 per jaar sinds 2000. Dat dieptepunt hangt samen met de economische crisis. Het aantal klachten over fusies is zeer beperkt. De laatste jaren zijn dat er gemiddeld twee per jaar.