Home | Publicaties | SERmagazine | 2010 | februari 2010 | Latere schoolkeuze, betere prestaties?

Jubileumsymposium SER over vroege selectie in het onderwijs

Latere schoolkeuze, betere prestaties?

Wat is de invloed van de vroege schoolkeuze van twaalfjarige kinderen op hun toekomst? Die vraag staat centraal op het eerste symposium in een reeks ter ere van het zestig- jarig bestaan van de SER. Een van de sprekers op 10 februari is Aart Jan de Geus, plaatsvervangend secretaris-generaal van de OESO. Hij zal het onderzoek van zijn organisatie op dit terrein toelichten.

Dorine van Kesteren

Of hij het beladen debat over de middenschool nieuw leven wil inblazen? Alsjeblieft niet, zeg. De Geus heeft het niet op al te veel ideologie in het onderwijs. ‘Wij als OESO vinden het niet vruchtbaar om de onderwijsdiscussie te voeren vanuit ideologische perspectieven. Dat leidt in veel landen tot frustratie en polarisatie. Laten we feitelijk onderzoek als uitgangspunt nemen.’
Goed, harde gegevens dus. Uit het Pisa-onderzoek – een driejaarlijks vergelijkend onderzoek onder 250.000 scholieren van vijftien jaar uit 41 landen – van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) volgt een aantal heldere conclusies. Ten eerste: Nederlandse leerlingen doen het in internationale vergelijkingen prima. Ten tweede: ons systeem kent een goede prijs-kwaliteitverhouding.
Maar ook: de sociaal-economische achtergrond van het kind heeft veel invloed op de schoolprestaties. Nederland scoort dus niet zo goed als het om gaat om equity, gelijke kansen. ‘Er is in Nederland een aantoonbare relatie tussen het sociaal-economische milieu van een kind en de onderwijsprestaties: hoe beter het milieu, hoe beter de prestaties en vice versa’, zegt De Geus. ‘Daardoor dringen kinderen uit lagere milieus minder vaak door tot het hoger onderwijs en lopen ze een hoger risico op schooluitval. Het schoolsysteem bevestigt sociale verschillen, terwijl er ook stelsels zijn – zoals in Finland en Zweden – die deze verschillen juist corrigeren.
De zwakste Nederlandse leerlingen zitten op het gemiddelde niveau van scholieren in Mexico.’

Vroege selectie
Als een van de oorzaken noemt de OESO dat Nederlandse leerlingen al vroeg – op twaalfjarige leeftijd – kiezen voor een type vervolgonderwijs. Dit is een keuze die hun toekomst verregaand beïnvloedt. ‘Wij zien dat in landen met een vroege schoolkeuze – Nederland, Duitsland – achterstanden heel lang blijven doortikken in de schoolcarrière. Deze kinderen komen relatief vaker op lage schoolsoorten uit en daar presteren ze ook niet altijd even goed.’
Het kan ook anders. In veel andere landen is het voortgezet onderwijs minder ver of zelfs helemaal niet gedifferentieerd. De OESO constateert dat in schoolsystemen waarin kinderen langer bij elkaar blijven, álle leerlingen betere prestaties leveren. De Geus noemt Polen als voorbeeld. ‘Daar is een onderwijshervorming geweest, waardoor kinderen één jaar langer samenblijven. De vraag was natuurlijk of dit niet ten koste zou gaan van de betere leerlingen. Maar wat blijkt?
Niet alleen de zwakste kinderen profiteren van deze verandering, ook het beste segment doet het beter dan daarvoor.’
Maar met alleen het verhogen van de keuzeleeftijd ben je er niet. Minstens zo belangrijk is dat scholen meer aandacht besteden aan het individu, vindt De Geus. ‘Docenten moeten hun inspanningen écht op de individuele leerling afstemmen. Investeer in kinderen die achterblijven. Alleen dan kun je zo goed mogelijk gebruikmaken van ieders talenten.’
Zitten leerkrachten er wel op te wachten om een extra inspanning te moeten leveren? ‘Wij zien dat leraren in andere OESO-landen enthousiast nadenken over dit soort vernieuwingen. Voor hen ontstaan dan immers ook meer ontwikkelingsmogelijkheden.’

Verbindingen
De vroege schoolkeuze leidt ertoe dat kinderen al snel op een van de twee hoofdwegen terechtkomen: hetzij het algemeen vormend, hetzij het beroepsvoorbereidend voortgezet onderwijs. Daartussen zijn er weinig verbindingen, waardoor verkeerd geplaatste leerlingen nauwelijks nog mogelijkheden hebben om door te stromen. Er zijn deskundigen die daarom de mavo willen terughalen, los van het voorbereidend beroepsonderwijs. Dit voorkomt dat kinderen in het vmbo opgesloten raken. De Geus loopt daar echter niet warm voor. ‘Dat is een oplossing binnen een systeem dat op zichzelf niet goed is.’
Nee, Nederland moet af van de vroege selectie. ‘Voor achterstandsgroepen is veel te winnen bij een minder rigide moment van schoolkeuze. Dan kun je kijken naar voorbeelden waar kinderen tot dertien, veertien of zelfs vijftien jaar bij elkaar blijven.’ In het onderwijs moeten de resultaten afhangen van de capaciteiten van het kind – en niet van de omstandigheden waarin hij of zij opgroeit. ‘Nu gaat veel potentieel verloren. Dat is niet alleen slecht voor de huidige en toekomstige generaties kinderen uit zwakkere milieus, maar ook voor Nederland als geheel.’


Jubileumsymposia
In dit jubileumjaar organiseert de SER vijf symposia over belangrijke maatschappelijke vraagstukken. Behalve over selectie in het onderwijs gaan die over duurzaamheid, mobiliteit op de arbeidsmarkt, vergrijzing en financiering van de langdurige zorg en de SER-fusiegedragsregels. Tijdens de eerste bijeenkomst laten Aart Jan de Geus en Jerzy Wisniewski – adviseur van de Poolse minister van Onderwijs – hun licht schijnen over vroege selectie in het onderwijs. Daarna is er ruimte voor discussie. Het symposium vindt plaats op 10 februari van 14.30 tot 18.00 uur in het SER-gebouw in Den Haag.


Politieke en maatschappelijke discussie
Het debat over het beste selectiemoment in het onderwijs is niet nieuw. Naar aanleiding van het OESO-onderzoek stelde minister Plasterk van Onderwijs dat kinderen in het vmbo in een koker worden gezet, waar ze alleen met de grootst mogelijke moeite uit kunnen komen. Alleen als we het keuzemoment voor een onderwijstype opschuiven, kunnen we een nieuwe sociale stijging organiseren, aldus Plasterk.
SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan betoogde in 2007 in NRC Handelsblad dat het een illusie is dat het Nederlandse onderwijs gelijke kansen zou bieden aan leerlingen. Dat is volgens hem niet alleen onrechtvaardig, maar laat ook veel talent onbenut.
Er gaan ook stemmen op om de mavo in ere te herstellen en zo het stapelen van diploma’s gemakkelijker te maken – waardoor een laag schooladvies op de basisschool de hogeschool of universiteit niet voor altijd onbereikbaar maakt. Onvermijdelijk in deze discussie is hernieuwde aandacht voor de ‘middenschool’: een sociaaldemocratisch ideaal uit de jaren zeventig, waarbij alle kinderen tussen twaalf en vijftien samen in de klas zitten en pas daarna kiezen voor een bepaald type voortgezet onderwijs. Dit ideaal lag – en ligt – politiek zeer gevoelig, vanwege spanning met het recht op vrije onderwijskeuze. De middenschool werd afgedaan als ‘eenheidsworst’. Momenteel werkt de Onderwijsraad aan een advies over vroegselectie. Dit wordt binnenkort verwacht.
 
SERmagazine februari 2010

Inhoudsopgave