Home | Publicaties | SERmagazine | 2010 | februari 2010 | Hoogleraar Janneke Plantenga over flexibilisering van arbeid

Hoogleraar Janneke Plantenga over flexibilisering van arbeid

‘We moeten uit de deeltijdklem’

Werken in deeltijd is gewoon geworden in Nederland. Flexibiliteit in de momenten waarop we werken en de plaats waar we dat doen, is echter veel minder vanzelfsprekend. Op beide punten is veel winst te halen als de arbeidsparticipatie van Nederlanders omhoog moet, vindt hoogleraar Janneke Plantenga, vooruitblikkend op het SER-advies ‘Tijden van de samenleving’.

Van een baan van 24 of 28 uur kijkt niemand meer op in Nederland. Vooral vrouwen met kinderen werken vaak niet meer dan twee of drie dagen per week. Het kabinet wil de arbeidsparticipatie van werknemers verhogen. In 2016 zou 80 procent van de werknemers vier dagen per week moeten werken, stelde het kabinet zich ten doel in de Emancipatiemonitor 2008.
Dan moet er nog wel wat veranderen: de arbeidsparticipatie van mannen is momenteel 75 procent, van vrouwen slechts 57 procent.
Om ervoor te zorgen dat werknemers meer willen én kunnen werken, moet er een goed ‘tijdbeleid’ zijn. Werktijden, tijden van opvang en onderwijs, maar bijvoorbeeld ook van (semi)publieke dienstverleners als zorginstellingen, winkels, bibliotheken en banken kunnen beter op elkaar afgestemd worden. Welke rol kunnen overheid en sociale partners spelen in het optimaliseren van tijdbeleid? Dat is een van de vragen die minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt aan de SER in de adviesaanvraag ‘Tijden van de samenleving’. De minister verwacht het adviesrapport dit najaar.
Prof.dr. Janneke Plantenga (zie kader) is als onafhankelijk deskundige lid van de commissie die het advies voorbereidt. ‘Het is goed dat de SER met dit onderwerp aan de slag gaat. Het is tijd dat er een gezamenlijke analyse van het probleem komt, een gezamenlijke visie op de toekomst en duidelijkheid over wie welke verantwoordelijkheid heeft.’

Relaxed
Een probleem is er wel degelijk, constateert ze. ‘Op de lijsten van arbeidsparticipatie in aantal uren in Europese landen vind je Nederland in het staartje. Alleen op Malta is de participatie nog lager. Dat komt met name omdat bij ons zoveel werkende moeders kleine deeltijdbanen hebben. Op zich hoeft dat nog geen eens een probleem te zijn, als je daardoor een hele relaxte samenleving had. Maar onderzoek wijst juist uit dat veel werknemers zich opgejaagd voelen. Dan lijkt het er toch op dat we iets niet goed organiseren. Het zou mooi zijn als we het voor elkaar kregen dat mensen meer gaan werken en zich daarbij liefst minder gestresst voelen dan nu.’ ‘Voor werkgevers is het ook lastig als relatief veel werknemers een kleine deeltijdbaan hebben. Dat maakt het moeilijk om een gelijkmatige bezetting over de week en over het jaar te bewerkstellingen. Daarnaast is een creatief tijdbeleid voor werkgevers aantrekkelijk omdat dit kan helpen de filedruk te verminderen. Een goed tijdbeleid is dus ook belangrijk vanuit concurrentieoverwegingen.’
Een deel van het probleem zit volgens haar in het feit dat flexibilisering al wel gemeengoed is geworden in Nederland, maar dan vooral flexibilisering van de arbeidsduur: ongeveer alles tussen de tien en veertig uren per week werken wordt als normaal beschouwd.
‘Wat tot nu toe buiten schot lijkt te blijven, is het flexibel maken van de werktijden en de werkplaatsen. Er zijn al wel mogelijkheden voor thuiswerken en er zijn, ook vanwege mobiliteitsproblemen, ‘satellietwerkplaatsen’ van waaruit iedereen voor z’n eigen werkgever kan werken.
Dat soort mogelijkheden zijn echter nog lang niet zo uitgebreid als de mogelijkheden voor deeltijdwerken.’
Nederland heeft zichzelf in zekere zin klem gezet in het deeltijddenken, zegt Plantenga. ‘Omdat een zwangerschaps- en bevallingsverlof vrij kort is, willen veel vrouwen daarna niet meteen voltijds werken. Ze kiezen liever voor twee of drie dagen per week. Omgekeerd zorgen al die deeltijdbanen er ook voor dat de duur van de verloven in Nederland niet echt onder druk staat. Want die twee of drie dagen werken na een vrij kort verlof, dat red je al snel. En op die paar werkdagen is de prestatiedruk vervolgens hoog, want dan moet het allemaal gebeuren. De gedachte dat je vijf van zulke drukke dagen zou moeten maken in plaats van twee of drie, schrikt veel vrouwen af. Vandaar dat ze ook niet meer wíllen werken. Natuurlijk moet er keuzevrijheid zijn, maar in de huidige omstandigheden is er eigenlijk geen echte keuzevrijheid. Vrouwen redeneren bij het maken van de keuze voor een deeltijdbaan vanuit de huidige omstandigheden van verlof, schooltijden et cetera. Als die omstandigheden veranderen, willen ze misschien best wel meer werken.’
Een soortgelijke ‘klem’ ziet Plantenga met betrekking tot de schooltijden. ‘Veel moeders werken in deeltijd binnen de marges van de schooltijden omdat ze de combinatie van school en opvang niet optimaal vinden. Veel te druk voor hun kind, vinden ze. Maar juist omdat ze allemaal in deeltijd werken, blijft de organisatie van de schooltijden nog gebaseerd op een kostwinnerssamenleving waarin moeders de tijd hebben om hun kind twee keer per dag te halen en te brengen.’
Er is de laatste jaren veel verbeterd in de aansluiting van school en opvang, zegt Plantenga, maar kinderen die gedurende de hele werkdag van hun ouders op school zijn, zien nog steeds veel verschillende gezichten. ‘Ze hebben op één dag achtereenvolgens voorschoolse opvang, school, tussenschoolse opvang, school en naschoolse opvang. Met steeds andere kinderen in de groep en steeds andere mensen die verantwoordelijk zijn. Het is simpelweg niet te verdedigen dat dit een optimaal model is.’

2x4-model
Nederland hoeft volgens Plantenga niet meteen de hele verworvenheid van het deeltijdwerken overboord te zetten. ‘Ik kan me voorstellen dat vooral jonge ouders het prettig vinden om in deeltijd te werken. Voor hen vind ik het 2x4-model wel aansprekend: dat beide partners vier dagen per week werken. Maar om dat te bereiken moeten we wel uit de deeltijdklem.’
In onder meer Frankrijk, Oost-Europese en Scandinavische landen werken veel meer vrouwen voltijds, maar Plantenga wil geen ideaal model aanwijzen. ‘Je kunt bijvoorbeeld het Deense model niet zomaar naar de Nederlandse context vertalen. In Scandinavië kijken ze juist afgunstig naar ons model met al die flexibiliteit in de arbeidsduur; niet iedere vrouw is blij met een voltijdse baan. Je zou moeten kijken naar elementen in andere landen die aansprekend zijn en wellicht toepasbaar in de Nederlandse situatie.’

Collectief ritme
De adviesaanvraag ‘Tijden van de samenleving’ gaat over meer dan alleen schooltijden, al zijn die voor veel werkende ouders de meest dwingende factor in de dagindeling. De minister heeft de commissie gevraagd ook te kijken naar andere (semi)publieke instellingen en voorzieningen. Supermarkten hebben zich jaren geleden al met succes aangepast aan het ritme en de behoeften van werkende mensen, zegt Plantenga. ‘Maar bij andere voorzieningen is dat nog maar zeer ten dele – denk aan banken, apotheken, stadskantoren en huisartsen; vaak is de boel al om vijf uur dicht.’
Daarbij rijst de vraag wie welke verantwoordelijkheden heeft.
Wat moet bij wet geregeld worden en wat aan de markt overgelaten? Janneke Plantenga drukt zich genuanceerd uit: ‘Ik kan me voorstellen dat we er niet helemaal uitkomen zonder creatieve aanvullende wetgeving. De belangen van werkgevers en werknemers liggen niet altijd vanzelfsprekend in elkaars verlengde. We moeten het opzetten van een goed tijdbeleid niet helemaal overlaten aan lokale en decentrale initiatieven.’
Ze kent diverse voorbeelden van lagere scholen die alternatieve tijden hanteren. Soms met het oog op de werktijden van de ouders, in andere gevallen vanwege het bioritme van kinderen. ‘Dat soort lokale initiatieven moet je vooral laten voortbestaan en ondersteunen. Het zou niet goed zijn als de overheid alle Nederlandse scholen in één mal dwingt. Maar je moet wel kijken of er aanvullingen of aanpassingen in de wet nodig zijn die meer of slimmere flexibiliteit mogelijk maken. Dat geldt voor scholen, maar bijvoorbeeld ook voor winkels en andere voorzieningen.’ Ze vindt het belangrijk tegelijkertijd oog te houden voor het collectieve ritme dat een samenleving nodig heeft: dat een groot deel van de mensen op ongeveer dezelfde tijden slaapt, werkt en eet. Als alles op ieder moment kan, neemt het opgejaagde gevoel misschien alleen maar toe. ‘We moeten op zoek naar de balans tussen flexibiliteit en het collectieve ritme.’
Het wegnemen van wettelijke barrières voor flexibiliteit is uiteraard een overheidstaak. Wat staat werkgevers en werknemers te doen? ‘Verdere afspraken maken over flexibilisering van de arbeidstijden en arbeidsplaatsen’, zegt Plantenga. ‘Daar is nog veel winst te behalen. Werkgevers en werknemers hebben daar maar een beperkte speelruimte in, omdat sommige dingen, zoals schooltijden, buiten hun bereik liggen maar wél regulerend werken. Vandaar dat het zo belangrijk is dat de discussie breder wordt getrokken en dat we wat meer greep krijgen op de vraag wie nu waar voor verantwoordelijk is.’


Wie is Janneke Plantenga?
Janneke Plantenga (1956) is hoogleraar Economie van de Welvaartstaat aan de Universiteit Utrecht en lid van de SER-commissie Arbeidsmarkt- en Onderwijsvraagstukken (AMV). Janneke Plantenga is verder betrokken bij verschillende netwerken die zich bezighouden met wetenschappelijke vragen over onder meer de combinatie van arbeid en zorg. Ze is als onafhankelijk deskundige lid van de SER-commissie die het advies ‘Tijden van de samenleving’ voorbereidt. 
 
SERmagazine februari 2010

Inhoudsopgave