Minister Koenders vraagt advies over ontwikkelingssamenwerking
Hoe kan de participatie van armere landen in het wereldhandelssysteem verbeteren? Wat kan Nederland doen om de sociaal-economische dialoog in die landen te versterken? Hoe kan het Nederlandse bedrijfsleven meer bijdragen aan armoedebestrijding en het creëren van duurzame en volwaardige werkgelegenheid? Dat zijn vragen die volgens minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking aan de orde moeten komen in het vervolgadvies over globalisering dat de SER gaat maken.
In zijn brief die hij aan de raad heeft gestuurd, wijst Koenders erop dat de sterke, wereldwijde economische groei van de afgelopen jaren niet in alle landen geleid heeft tot kleinere verschillen in welvaart. Te veel mensen blijven in zijn ogen nog achter bij de ontwikkelingen.
In het globaliseringsadvies, dat de raad in juni vaststelde, stelt de SER dat het voor ontwikkelingslanden allereerst van belang is dat ze een goede toegang krijgen tot de wereldmarkten. Vervolgens zijn een goed bestuur en een goed ontwikkelde particuliere sector van belang. Die moeten ervoor zorgen dat er binnen die landen ook daadwerkelijk groei tot stand komt en dat de resultaten daarvan niet blijven hangen bij een bovenlaag in de bevolking, maar ook terechtkomen bij de mensen die ze het hardst nodig hebben.
Op die eerste voorwaarde is de raad uitgebreid ingegaan in het juniadvies. Een verdere uitwerking van voorwaarde twee en drie werd doorgeschoven naar een vervolgadvies. Koenders benadrukt dan ook dat dit vervolgadvies moet gaan over de maatregelen die genomen moeten worden om meer landen en meer mensen te laten profiteren van het globaliseringsproces.
Het is niet de eerste keer dat de SER zich bezighoudt met ontwikkelingssamenwerking. Begin dit jaar voerde minister Koenders al een consultatief overleg met de commissie die het globaliseringsadvies voorbereidde en de commissie Internationale Sociaal-economische Aangelegenheden. In 1997 adviseerde de raad over de rol van de particuliere sector op dit terrein. Begin jaren tachtig adviseerde de raad over ontwikkelingssamenwerking in wereldeconomisch perspectief en over het Europees ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Voor verschillende partijen die deel uitmaken van de SER is ontwikkelingssamenwerking een belangrijk onderdeel van hun activiteitenpakket. (JB)
Schappen ver gevorderd met bestuurscodeVrijwel alle product- en bedrijfschappen hebben de Code Goed Bestuur geïmplementeerd. Dat blijkt uit een onderzoek dat is uitgevoerd door een werkgroep met daarin de schappen, de SER en de ministeries van Economische Zaken, Sociale Zaken en Landbouw vertegenwoordigd zijn.
De code is door de schappen zelf opgesteld en ingevoerd, omdat zij zich duidelijker openbaar voor hun handelen en de kwaliteit van dienstverlening willen verantwoorden. De schappen hadden afgesproken de code medio dit jaar volledig te implementeren.
Een aantal schappen heeft nog niet alle 23 principes van goed bestuur volledig verwerkt. Daarbij gaat het vooral om het vaststellen van een integriteitsprotocol en het publiceren van een overzicht van personele unies.
De werking van de code zal blijvend periodiek worden gemonitord. (MdV)
Rinnooy Kan wil verdergaande internationalisering onderwijsSER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan wil dat het Nederlandse onderwijs internationaler wordt en beter wordt beloond voor bewezen kwaliteit. Dat zei hij begin deze maand bij de opening van het academisch jaar aan de Saxion Hogeschool in Deventer. Niet alleen aan universiteiten moet het aantal buitenlandse studenten omhoog, ook in het hbo zou dit goed zijn.
Rinnooy Kan vindt in de eerste plaats dat het aantal buitenlandse studenten dat promoveert aan een Nederlandse universiteit, omhoog moet. Nu zijn dat er naar schatting zo’n 2500. Net als het Innovatieplatform wil hij dat er zo’n 1000 bijkomen.
Daarnaast zou het ook goed zijn als het aantal buitenlanders in het hbo omhoog gaat. Rinnooy Kan denkt daarbij met name aan studenten uit ontwikkelingslanden die een tijdlang in Nederland zouden kunnen studeren om daarna hun kennis in de praktijk te brengen in hun land van herkomst. Belangrijk daarbij is dat gezocht wordt naar mogelijkheden om hen te stimuleren om na hun studie inderdaad terug te keren naar het land waar ze vandaan komen.
In zijn openingsrede aan de hogeschool in Deventer (20.000 leerlingen) pleitte Rinnooy Kan ook voor een aanvullende bekostigingsmethodiek voor het onderwijs die het geven van kwalitatief goede lessen bevordert. Nu verdeelt de overheid het geld vooral op basis van kwantitatieve gegevens waarbij de aantallen studenten die een onderwijsinstelling aflevert, belangrijker zijn dan de kwaliteit van het onderwijs dat ze genoten hebben.
Rinnooy Kan stelde voor om het onderwijs op een soortgelijke manier te financieren als het wetenschappelijk onderzoek. Daar heeft de overheid een deel van bekostiging ondergebracht bij NWO, die dat geld louter op basis van kwaliteit verdeelt onder de verschillende universiteiten en onderzoeksinstellingen. Op een zelfde wijze zou een nieuw op te zetten organisatie volgens Rinnooy Kan een deel van het geld voor het onderwijs kunnen verdelen.
In zijn rede pleitte Rinnooy Kan er ook voor om pas afgestudeerden in te zetten in het onderwijs, ter verlichting van het lerarentekort. Zij kunnen zo een wezenlijke bijdrage leveren aan de oplossing van een acuut maatschappelijk probleem. Tegelijkertijd doen ze nuttige ervaringen op die door latere werkgevers gewaardeerd zullen worden. In Engeland en de Verenigde Staten zijn hiermee goede ervaringen opgedaan. (JB)
De risico’s van nanotechnologieMinister Donner van Sociale Zaken vraagt de SER-commissie Arbeidsomstandigheden advies over de mogelijkheden om blootstelling aan nanodeeltjes op de werkvloer te voorkomen.
Er is nog weinig bekend over de risico’s van het werken met nanodeeltjes. Zolang mogelijke risico’s niet duidelijk zijn, vindt de minister het belangrijk dat het bedrijfsleven voorzorgsmaatregelen neemt om blootstelling van werknemers aan nanodeeltjes te minimaliseren. Het advies moet een belangrijke bijdrage leveren aan helderheid en bekendheid over deze maatregelen.
Nanodeeltjes hebben bijzondere eigenschappen en kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden bij een meer gerichte toediening van medicijnen. De bijzondere eigenschappen kunnen ook nieuwe risico’s opleveren. Proefdieronderzoek heeft bij bepaalde nanodeeltjes schadelijke effecten aangetoond. Momenteel werken zeker 400 mensen met nanodeeltjes maar dit aantal zal snel toenemen. (JB)
Download top-5 : augustus 2008
- (2) Advies AWBZ
- (4) Voorbeeldreglement ondernemingsraden
- (1) Advies Duurzame globalisering
- (-) Fusiegedragsregels
- (-) Leidraad personeelsvertegenwoordiging