De Kunstenbond is een aparte vogel binnen het CNV, zoals kunstenaars vaak ‘anders’ zijn. Sinds 1969 organiseert oprichter en voorzitter Rotterdammer Leen La Rivière vanuit een christelijke inspiratie artistieke evenementen. Wat oorspronkelijk een soort kunstenaarsbeweging was, werd in 1989 omgevormd tot een georganiseerde bond met een ledenstructuur. Op eigenzinnige manier bouwt de bond aan iets moois.
Frank de Jong
De belangenbehartiger van kunstenaars is gevestigd in het Continental Art Centre in de Rotterdamse wijk Alexanderpolder. In dit centrum heeft Leen La Rivière (62), die ook schrijver en theatermaker is, zijn werkkamer ingericht als een huiskamer. Met een televisie, een schildersezel, heel veel boeken en bruine, warme kleuren. “De meeste kantoren hebben een wit en blauw interieur,” zegt hij. “Na jaren werken in zo’n omgeving word je depressief.”
Dat zal niet snel gebeuren in het Continental Art Centre, dat onder meer een theater met 300 plaatsen herbergt.
Het gaat La Rivière in de eerste plaats om de kunstenaar, en dan pas om de kunst. De meeste kunstenaars volgen een opleiding. “Het kunstvakonderwijs op het hbo is rampzalig. Vier jaar is te kort, omdat het laatste jaar slechts bestaat uit projecten waar geen docent aan te pas komt. Een leerjaar extra zou beter zijn. Het gevolg is dat de echt goede kunstenaars niet uit Nederland komen. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest bestaat voor ongeveer 80 procent uit buitenlanders. Als je een vak als klassieke choreografie wilt studeren, ga je naar Sofia, Vilnius of Boekarest.”
Overleven
De voorzitter van de CNV Kunstenbond wil graag nuanceren dat het beroep van zijn leden zo geweldig vrij is. Het is eerder een kwestie van overleven. Want de kans dat iemand volledig met kunst zijn brood kan verdienen is 4 procent. “Velen ‘wikken’. Dat is een uitkering voor schoolverlatende kunstenaars – op 70 procent van het bijstandsniveau. Anderen trouwen met een vermogende partner of een partner met een goede baan. Weer anderen werken zestien tot twintig uur per week als leraar of vakkenvuller om de zekerheid te hebben van een pensioentje en een verzekering tegen ziektekosten. De overige uren volgen ze hun hart. En daar hebben ze veel voor over.”
“De meeste burgers werken overdag en kunnen ’s avonds naar een optreden gaan. Jan Janssen zit in de zaal, maar ons lid Piet Pieterse, die ook overdag gewerkt heeft, moet ’s avonds, tegen zijn bioritme in, ontzettend veel energie leveren. Twee uur op een podium staan, staat gelijk aan acht uur werken. Het is dus een ontzettend zwaar bestaan. Voor sommigen is de verleiding dan groot om een pilletje te nemen, of drank of drugs.”
Niet alleen het optreden kost veel energie, vooral ook alle rompslomp eromheen. “Een goede musicus heeft 150 optredens per jaar. Hij moet daarvoor 150 keer reizen, 150 keer opbouwen en afbreken en 150 keer in onderhandeling over de nota. In 50 gevallen lopen die onderhandelingen niet lekker. In 10 gevallen kan de kunstenaar fluiten naar zijn geld. Ook in die gevallen helpen wij als bond.”
Officieel mag de Kunstenbond geen advies geven over het tarief dat kunstenaars hanteren. Hierover heeft een discussie met de Nederlandse Mededingingsautoriteit gespeeld. “Maar een minimumtarief geven we wel,” zegt de vakbondsman. “Het grootste probleem is dat vele uren worden vergeten of niet in rekening gebracht. Het repeteren van een moeilijk muziekstuk kost tijd. Dat ziet een opdrachtgever niet, die ziet alleen de uitvoering. En voor het maken van een portret in olieverf is 6000 à 7000 euro een reële prijs. Soms schrikken mensen hiervan. Maar de kunstenaar heeft een gesprek met de opdrachtgever, maakt vervolgens schetsen en schildert uiteindelijk in meerdere lagen die steeds een paar dagen moeten drogen.”
De CNV Kunstenbond is een christelijke bond met een relatief fors aantal leden. “Onze leden zijn mede lid van onze bond, omdat ze christelijk zijn. Als iemand daar niets mee heeft, sturen we die met alle liefde door naar zusterbond FNV Kiem.” De ‘C’ van het christelijk geloof is een inspiratiebron, die volgens La Rivière ook helpt op moeilijke momenten. “Elke kunstenaar maakt een keer mee dat hij droog- staat, en moet dan op zoek naar de bronnen van zijn diepste inspiratie.”
Volgens La Rivière zijn heel veel mensen met geloven bezig. “Het percentage jongeren onder de veertig jaar dat ‘niets’ gelooft, is nog nooit zo laag geweest: 14 procent. In Rotterdam zijn meer kerken dan ooit. Er wonen 220.000 christenen, veelal van niet-westerse afkomst.” Rotterdam kent ook veel islamitische immigranten, maar leden uit die hoek heeft CNV Kunstenbond nauwelijks. “Kunst maken kan eigenlijk niet volgens die godsdienst. Er is wel mooie klassieke islamitische muziek en gelovige moslims maken mozaïeken en ornamenten, maar het blijft allemaal heel dicht bij de moskee.”
Subsidies Misbruik van subsidies is een groot probleem in de kunstwereld. La Rivière ziet dat met lede ogen aan. “Er gebeuren walgelijke dingen. Een jongerentent in Rotterdam kreeg 6 à 8 miljoen euro. Het is de vraag of dit geld goed is gebruikt, want er was een myriade aan bv’tjes bij betrokken. Een paar jaar geleden ontving een project in Den Haag 2,5 miljoen euro subsidie. Zes dagen voordat het klaar moest zijn, werd dit project afgelast. Nooit hebben ze iets van de subsidie terug hoeven betalen.”
Voor de Raad voor Cultuur, die over subsidies gaat, heeft La Rivière ook geen goed woord over: “De raad neemt te vaak opinies over van de zogenaamde culturele elite uit de Amsterdamse grachtengordel. De raad heeft een eenzijdige blik op kunst en cultuur. Alleen uitzonderlijke talenten zouden volgens hen subsidie moeten krijgen. Maar hoe bepaal je wie een bijzonder talent is? We hebben ook een brede kweekvijver nodig, waar bijvoorbeeld André Rieu voor zijn orkest uit kan putten.”
La Rivière vindt dat de Raad voor Cultuur moet veranderen in een cultuur-SER met vertegenwoordigers van de gesubsidieerde en de ongesubsidieerde kunst, vakbonden, werkgevers en kroonleden. “Iemand als Joop van den Ende zou er bijvoorbeeld ook in kunnen zitten. Het hoeft geen nieuwe stroming binnen de SER te worden, maar zo’n manier van organiseren kan wel helpen om ook minder elitaire vormen van kunst meer aandacht te geven.”
Op de kleintjes letten (9)FNV, CNV en MHP kent iedereen wel. Maar achter deze vakcentrales gaan meer dan dertig afzonderlijke bonden schuil die buiten de eigen achterban soms nauwelijks bekend zijn. Ook VNO-NCW, MKB-Nederland en (in mindere mate) LTO zijn verenigingen die op hun beurt weer een groot aantal verenigingen als lid hebben. In deze serie staat een aantal van hen centraal.
Algemene gegevens CNV Kunstenbond
| Oprichtingsjaar : |
1989 |
| Aantal leden : |
7000 |
| Percentage man : |
ca. 60 procent |
| Gemiddelde leeftijd : |
ca. 40 jaar |